LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Klassieker 16: H. Roland Holst – “Ook ik ben omstreeks ‘t midden mijner jaren”

15 apr, 2001
door Elly Woltjes

Meander Klassieker 16

In deze bespreking laat Elly Woltjes niet alleen zien, hoe het gedicht ‘Ook ik ben omstreeks ‘t midden mijner jaren’ van H. Roland Holst aansluit bij het beroemde fragment uit Dantes Inferno, maar ook hoe het een weerslag is van de persoonlijke situatie en levensloop van de dichteres.

*

“Ook ik ben omstreeks ‘t midden mijner dagen
verdwaald geraakt in levens donker woud,
maar mij heeft geen aardsche wijsheid ontvouwd
den weg uit smart en twijfel, noch gedragen

omhoog, en geen hemelsche oogen zagen
neer op mij, vanwaar hoog’re klaarte blauwt
m’in teed’re zorg omwakend, en met stage
stralen heffend naar waar men waarheid schouwt.

Mij leidt geen gids, als het eigen gemoed,
mij schoort geen steun, dan d’enk’le trouwe handen
die mij opbeuren als de kracht bezwijkt;

mij sterkt geen afgezant uit beet’re landen
dan soms het ruischen, als een vleugel doet,
van zachte hoop die langs mijn wangen strijkt.”


Henriette Roland Holst-van der Schalk (1869 – 1952)

Uit: De vrouw in het woud (1912)
Uitgever: W.L.& J. Brusse

Een ik-persoon is ‘verdwaald’ geraakt in ‘smart en twijfel’. ‘Wijsheid’ biedt hem of haar geen uitweg en hij of zij ervaart ook niet de hulp van hemelse krachten. Niemand wijst de weg, ook geen ‘afgezant’ uit betere landen; de persoon moet het alléén doen, al blijken enkele ‘trouwe handen’ wel te steunen als de eigen kracht het moet laten afweten. Heel soms is er een beetje hoop, maar de somberheid overheerst.

Het gedicht opent met de leeftijdsaanduiding “omstreeks ‘t midden mijner dagen”. Als Henriëtte Roland Holst dit schrijft, is ze begin veertig. Er is alle reden om aan te nemen, dat ze hiermee verwijst naar haar eigen leven en dat dit dus een autobiografisch gedicht is. Gaandeweg de bespreking zal dit duidelijk worden. Om dit sonnet dan goed te kunnen begrijpen is het belangrijk om iets over de achtergronden van de dichteres te weten. In 1893 debuteert zij met een zestal sonnetten in de Nieuwe Gids. Zij had contacten met Verwey en later met Gorter, die haar op het spoor van Plato, Spinoza en Dante heeft gezet. Vlak voor ze trouwt, verschijnt in 1896 haar debuutbundel “Sonnetten en verzen in terzinen geschreven”.

In haar werk zijn centrale thema’s het zoeken naar waarheid en wijsheid. Ze vindt die vooral in een sociale bewogenheid, een liefde voor mensen en de gemeenschap. Hoewel ze uit gegoede burgerlijke kringen komt, sluit ze zich in 1897 aan bij de S.D.A.P. Ze wijdt zich vele jaren gepassioneerd als politica aan het praktische partijwerk. Het socialistisch ideaal blijkt voor haar het hoogste doel, hoewel er ook in haar een soort dualisme is: een strijd tussen haar aangeboren individualisme en het streven naar een gemeenschapsideaal. Na een scheuring in de partij en de daarbij behorende onenigheid ziet ze dat haar idealen in de S.D.A.P. moeilijk zijn te verwezenlijken; in 1911 legt ze gedesillusioneerd al haar functies neer. Kort daarop raakt ze in een depressie. De bundel De vrouw in het woud, waarin dit gedicht staat, is de verwerking van die periode. Zij is dan begin veertig, maar kon op dat moment niet weten dat ze werkelijk ‘omstreeks het midden van haar dagen’ was.

De opening van het gedicht verwijst direct naar het begin van Dantes Divina Commedia. De grote Italiaanse dichter en politicus (1265 – 1321) die verbannen werd uit Florence, schrijft:

Nel mezzo del cammin di nostra vita
mi ritrovai per una selva oscura
che la diritta via era smarrita.

Op ‘t midden van ons levenspad gekomen,
Kwam ik bij zinnen in een donker woud,
Want ik had niet de rechte weg genomen.

Dante Alighieri, De Goddelijke Komedie
vertaald door Ike Cialona en Peter Verstegen
Athenaeum-Polak & Van Gennep (2001)

In de Divina Commedia maakt Dante een reis door Inferno (de hel), Purgatorio (het vagevuur of de Louteringsberg) en Paradiso (de hemel), waarbij hij in het eerste deel van de reis Vergilius als gids heeft en tijdens de reis door de hemel Beatrice, zijn gestorven geliefde.

In dit gedicht voert ze het woud op. Wat ze met het woud bedoelt, schrijft ze op pag. 27 van de bundel:

– Het woud van onrust, tweestrijd, en benauwenis
Waarvoor niet een mensch veilig is.


En op blz. 38 staat:

Zij was alleen. In ‘t woud van twijfelmoed
gaat elk alleen: geen hart een ander groet
met warmte van vertrouwen en verlangen.


Door de verwijzing naar het woud en naar Dante zegt Henriëtte Roland Holst dat ze zich eenzaam en vertwijfeld in een soort hel bevindt, waar geen hemelse ogen op haar neerzien en waar geen gids haar leidt. De dichteres bevindt zich in een crisis.

In r.1 stelt zij al meteen: “Ook ik”, waarmee ze eigenlijk beweert ‘net als Dante’, maar in r.3 en verder zegt ze, dat haar noch aardse wijsheid noch hemelse waarheid is gegund, waarmee ze duidelijk maakt dat ze er nog erger aan toe is dan Dante in zijn hel. Ze staat er helemaal alleen voor, terwijl Dante nog gidsen had. Zij moet varen op haar eigen gemoed, terwijl ze haar idealen ( hoop op een betere wereld, een kind, een geliefde} kwijt is. “Mij leidt geen gids” in r. 9, is een droeve regel. (Die overigens niet helemaal volgens de werkelijkheid is, want het is Gorter geweest die met zijn “Pan” de aanzet heeft gegeven tot deze dichtbundel!) In r.13 en 14 vinden we feitelijk de wending. Ze voelt toch nog zachte hoop. Het “ruischen als een vleugel” kan metaforisch opgevat worden als de vleugel van een engel, waarmee ze dan verwijst naar een godsdienstig besef dat in haar leeft. Het leek er in eerdere bundels juist op dat ze afstand van het geloof had gedaan, maar De vrouw in het woud opent betekenisvol met de woorden: “‘t Is nu de kentertijd”. In haar latere leven zal zij bekend staan als christelijk-religieus socialiste. Een gelovige kern heeft zij altijd behouden; niet voor niets is zij altijd lid van de remonstrantse kerk gebleven.

Elsbeth Etty schrijft over deze bundel in de biografie Liefde is heel het leven niet, Henriëtte Roland Holst 1869-1952 (1997) het volgende (pag. 286):

“Tegenwoordig zou De vrouw in het woud gelezen worden als de verwerking van een identiteitscrisis veroorzaakt door verlies van idealen, illusies en vrienden. Als de hartstochtelijke klacht van iemand die met haar jeugd ook de exclusieve rechten op haar geliefde verloren heeft. Het aan Dante ontleende titelgedicht (….) getuigt van wat later in de eeuw een midlife-crisis zou gaan heten.”

Volgens de biografe is de depressie niet alleen ontstaan door het feit dat zij haar politieke idealen niet kon verwezenlijken. Ook in haar privé-leven had ze problemen omdat ze ongewenst kinderloos bleef. Met haar man, die verwikkeld was in een buitenechtelijke relatie had ze uiteindelijk alleen een platonische verhouding. Op pag.287:

“Niemand kon de bedoeling ontgaan dat De vrouw in het woud zou worden gelezen als een moderne Divina commedia, wegens het danteske schema van pijn, loutering en opgang. Andere overeenkomsten met Dante zijn de combinatie van persoonlijke ervaring en geschiedenis, het mateloze verlangen naar liefde en eenheid en het rusteloos najagen van een wereldomspannend politiek ideaal.”

Tot slot nog iets over de versvorm. Dit sonnet heeft als rijmschema abba (omarmend rijm) abab (gekruist rijm) cde dce (verspringend rijm). Het is polymetrisch, al overheerst de jambe. Verder vallen in de kwatrijnen vooral de assonerende lange aa-klanken op, in tegenstelling tot de korte a-klanken in de terzinen. Aan het eind van r.4 is er een mooi enjambement: “gedragen” wordt als het ware over de witregel heen ‘omhoog’ gebracht. Voor Henriëtte Roland Holst is kenmerkend de lange frase, uitgerekt over vele versregels, wat enigszins aandoet als een gebroken stamelen: octaaf en sextet bestaan beide slechts uit één zin (zij het dat de laatste door de puntkomma melodisch in tweeën wordt gedeeld). Het feit dat het gehele gedicht tussen aanhalingstekens is geplaatst wijst erop dat ze de lezer direct heeft willen aanspreken.

     Andere berichten