LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Klassieker 24: Martinus Nijhoff – Impasse

21 nov, 2001
door Elly Woltjes

Meander Klassieker 24

Na de analyse van het minder bekende ‘Moeder’ van Martinus Nijhoff bespreekt Elly Woltjes in deze aflevering één van zijn bekendste gedichten: ‘Impasse’. Een zeer alledaagse situatie, met een dubbele bodem. Het gedicht liet Nijhoff ook niet los: twee jaar later gaf hij het gedicht een volstrekt ander slotakkoord, door de laatste twee strofen te herschrijven.

Impasse

Wij stonden in de keuken, zij en ik.
Ik dacht al dagen lang: vraag het vandaag.
Maar omdat ik mij schaamde voor mijn vraag
wachtte ik het onbewaakte ogenblik.

Maar nu, haar bezig ziend in haar bedrijf,
en de kans hebbend die ik hebben wou
dat zij onvoorbereid antwoorden zou,
vroeg ik: waarover wil je dat ik schrijf?

Juist vangt de fluitketel te fluiten aan,
haar hullend in een wolk die opwaarts schiet
naar de glycine door het tuimelraam.

Dan antwoordt zij, terwijl zij langzaamaan
druppelend water op de koffie giet
en zich de geur verbreidt: ik weet het niet.


Martinus Nijhoff (1894 – 1953)

Uit: Nieuwe Gedichten (1934)
Uitgever: Querido

Martinus Nijhoff die in 1916 debuteert, schrijft in eerste instantie poëzie die gekenmerkt wordt door een gevoel van chaos en ontreddering, een notie van fundamentele disharmonie met de werkelijkheid. In veel van zijn gedichten beschrijft hij hoe hij aan de beangstigende realiteit probeert te ontkomen door een maskerade, die als het ware een strategie vormt om de werkelijkheid zoals zij is, niet te hoeven zien. Ook vlucht hij in de herinnering aan de gelukkige kindertijd of schrijft hij over de liefde. Kenmerkend  is een soort mystiek verlangen, dat soms haast buitenaards is, maar dat hem steeds meer het goddelijke in de wereld zelf wil doen ervaren. Dit zet zich door tot rond 1926 een tweede fase van zijn dichterschap begint, waarin hij meer werkelijkheidsgerichte poëzie schrijft – hoewel het mystieke en het metafysische wel belangrijk blijven. In deze periode is het gedicht Impasse’ geschreven (1934), dat deel uitmaakt van een groep van acht sonnetten in ‘Nieuwe Gedichten’ (1934).

In het gedicht ‘Impasse’ wil een ik-persoon al dagenlang een vraag stellen aan een vrouw. Hij wacht daarvoor een geschikt moment af, want zij mag niet op zijn vraag verdacht zijn. Tijdens het koffie zetten is het zover. Hij vraagt: “Waarover wil je dat ik schrijf?” Zij antwoordt dat ze het niet weet. Dat lijkt alles. Kan het simpeler, kan het prozaïscher? Bij nadere beschouwing blijkt, dat de dichter allerlei middelen inzet om spanning op te bouwen.

In het eerste kwatrijn worden een ik-persoon en een vrouw in een keuken neergezet zonder dat de relatie tussen die man en vrouw onmiddellijk duidelijk is. De vrouw zou bijvoorbeeld de moeder, zijn vrouw of een vriendin kunnen zijn. In de tweede regel stelt de dichter dat hij al lange tijd met een vraag worstelt; het zal dus wel een belangrijke vraag zijn. En de ander moet voor hem belangrijk zijn, omdat hij antwoord wil op die vraag en het liefst een spontaan antwoord. In de tweede en ook in de vierde strofe wordt de vrouw handelend neergezet, terwijl de man alleen schijnt te denken en te observeren.
Er ontstaat dus een tegenstelling tussen man en vrouw: hij passief wachtend, zij actief praktisch. Bij het stellen van de vraag komt in het gedicht naar voren dat de ik schrijver is en dat hij het belangrijk vindt wat de vrouw van zijn schrijverschap vindt. Sterker nog, hij wil haar het onderwerp laten bepalen van zijn schrijven. Het gedicht gaat dus niet alleen over een impasse in de relatie tussen man en vrouw, maar ook over een impasse in het schrijverschap.

De vraag wordt precies aan het eind van het octaaf gesteld en er ontstaat vervolgens spanning, omdat in het volgende terzet nog geen antwoord wordt gegeven. Het ‘kookpunt’ dat bereikt wordt, wordt als het ware zo lang mogelijk aangehouden!

Het eindelijk bereikte juiste ogenblik wordt toch nog onderbroken door de realiteit van het fluiten van de waterketel. Het gedicht dat tot dusverre niet meer dan een eenvoudig ‘verhaaltje’ was, krijgt nu een diepere laag, die blijkt uit de gebruikte beeldspraak.
De vrouw wordt gehuld “in een wolk die opwaarts schiet”. De vrouw die eerst in haar huishoudelijk bedrijf zo aards bezig was, krijgt hier iets mee van een andere wereld. Waarschijnlijk verwijst Nijhoff hiermee naar de hemelvaart van Christus (In Hand.1:9-11 staat dat een wolk Hem onttrok aan hun ogen.) Of Nijhoff dat wel of niet ironisch bedoeld heeft, is moeilijk uit te maken, maar duidelijk is wel dat de vrouw hier iets hemels krijgt. Een klimplant (de glycine is een blauwe regen) staat in het werk van Nijhoff wel vaker voor een relatie met een hogere wereld, net zoals bij hem een ‘raam’ vaak beide werelden verbindt. Het ‘tuimelraam’ is in deze zin zeer opmerkelijk; het heeft een sterk symbolische waarde, omdat beide werelden aan weerszijden van het raam verwisselbaar zijn en in die zin dus gelijk.
Hier zien we duidelijk het in de inleiding genoemde mystieke verlangen om het goddelijke in de aardse wereld zelf te vangen. De werkelijkheid zelf draagt het goddelijke in zich. De ik-persoon moet danig onder de indruk geweest zijn van de vrouw in de keuken – al kan het natuurlijk ook zijn, dat de dichter hier doelt op de vrouw in het algemeen.

In strofe vier antwoordt de vrouw, terwijl zij het koffiewater opgiet, dat zij het niet weet. Zij reageert spontaan en geeft het meest voor de hand liggende antwoord; wat moet je anders met zo’n vraag… De spanning is weg, maar de impasse wordt bevestigd. Niet alleen voor de dichter, maar nu ook voor de vrouw, die het immers ook niet weet. Wat dan misschien weer duidt op een moeizame relatie tussen de man en de vrouw.

Er  bestaat van ‘Impasse’ een variant, het achtste gedicht van de sonnettenserie ‘Voor dag en dauw’ (gepubliceerd in De Gids 100, 1936). Allereerst wijkt de derde strofe af:

Juist vangt de fluitketel te fluiten aan.
Weer is dit leven vreemd als in een trein
te ontwaken en in een ander land te zijn.

Het is duidelijk dat ook hier de gedachte aan een andere wereld expliciet wordt gemaakt. De trein staat voor een modern levensgevoel en fungeert als verbintenis naar een andere wereld. Maar in plaats van een verticale, mogelijk metafysische dimensie, is er hier sprake van een horizontale, meer aardse verwijzing.

En de laatste terzine luidt:

En zij antwoordt, terwijl zij langzaam-aan
het drup’lend water op de koffie giet
en de damp geur wordt: een nieuw bruiloftslied.

In deze versie lijkt er van een spontaan antwoord geen sprake te zijn; lang reeds voor haar de vraag gesteld werd, moet de vrouw hebben nagedacht over haar huwelijksgeluk – waarmee meteen duidelijk is, dat het hier niet om de moederfiguur gaat.
De vrouw, die het in versie 1 niet zegt te weten (maar is dat wel zo, als het dezelfde vrouw betreft?), doet hier een voorstel tot het vernieuwen van de relatie. De vraag, die in versie 1 zonder oplossing blijft (in ieder geval niet een die wordt uitgesproken), wordt in versie 2 optimistisch beantwoord. Wat negatief is in ‘damp’, wordt positief in ‘geur’: die in te ademen doet warm, veilig en gelukkig voelen.
Nijhoff houdt zichzelf – via de vrouw uit het gedicht – dus voor,  dat zijn schrijven moet gaan over de relatie tussen man en vrouw, specifiek of algemeen. En mogelijk speelt op de achtergrond mee, dat dit gevoed moet worden door christelijke gemeenschap en blijdschap, waarvoor ‘bruiloft’ heel goed als beeld kan functioneren. Niet voor niets belijdt Nijhoff in zijn latere werk dat het hemelse hier op aarde, in de werkelijkheid te vinden is.

Martin Brink schrijft in ‘Ik zag de nieuwe brug’:

“Evenals het antwoord van de vrouw niet uit haar woorden, maar uit haar daden ‘spreekt’, wordt ook het poëtisch principe niet in het gedicht omschreven  en nog minder met name genoemd: het gedicht geeft geen antwoord – het is antwoord.”

Een dichter moet vertellen over het leven, vond Nijhoff. Het was zijn poëtisch principe. In dit gedicht doet hij dat volop – met varianten! En het fraaie is, dat het gedicht zélf de dubbele impasse waarin hij verkeerde, opheft.

Tot slot en paar opmerkingen over vorm en verstechniek. Het gedicht  heeft een strakke sonnetvorm, maar de taal is los, spreektaalachtig . Opvallend is de voorkeur voor de volzin: het eerste kwatrijn bestaat uit drie zinnen, maar de andere strofen bestaan elk uit een volledige zin, waarbij het losse woord ondergeschikt is.
Zoals in een sonnet gebruikelijk is, lijkt de wending van het gedicht te vallen direct na r.8, bij het woordje ‘Juist’ aan het begin van r.9, dat daar het ‘nu’ van het moment benadrukt, en dat zo duidelijk wijst naar de werkelijkheid (waarbij de ui-klank nog nadrukkelijk wordt herhaald in ‘fluitketel’ en ‘fluiten’ en ‘tuimelraam’).
De echte wending komt echter pas in r.12, want dan volgt immers het  langverwachte antwoord.
De merkwaardige tegenstelling in tijdgebruik tussen r.5  “Maar nu”, en r.8, “vroeg ik” – waarna de dichter weer verder gaat in de tegenwoordige tijd –  is een aardig voorbeeld van het gebruik van de praesens historicum, die veelal dient om het vertelde te verlevendigen; hier lijkt het ook spanningverhogend te werken.

Als metrum hanteert Nijhoff in dit gedicht overwegend de jambe, maar hij wijkt ook af om stroefheid te voorkomen. In r. 13 zorg de dactylus ‘druppelend’ voor een vertragende spanning. Door toevoeging van de derde lettergreep wordt ook in ‘langzaamaan’ het trage benadrukt: het rustig opschenken, de oude wijze van koffie zetten. Dat ‘druppelend’ versterkt het nog. Zo langzaam worden ook levensvragen beantwoord.


Bronnen:
Dr. G. P.M.Knuvelder, Handboek tot de geschiedenis van de Nederlandse Letterkunde dl. IV, 6e dr. Malmberg, ’s-Hertogenbosch 1977
Arend Jan Bolhuis, Over De Wandelaar van Martinus Nijhoff, Wetenschappelijke Uitgeverij b.v., Amsterdam 1980
Martin Bakker, Ik zag de nieuwe brug. Een systematisch onderzoek naar het nieuwe van Nijhoffs Nieuwe Gedichten, VU Uitgeverij, Amsterdam 1987
Jose de Poortere, Martinus Nijhoff,  2e  druk, Desclee de Brouwer, Brugge 1965

     Andere berichten