“We zitten steeds met de beperking gevangen te zijn in onze eigen doder: ons vlees, dat onderworpen is aan tijd en ruimte”

Marijke Van Thielen (1986) werkt als stafmedewerker interventie voor Rode Kruis-Vlaanderen. Nadat ze op haar 24e weduwe werd, is ze begonnen te zoeken naar perfectie in taal en filosofie. In de voetsporen van Arthur Schopenhauer en Fernando Pessoa heeft ze zich weten te ontwikkelen tot iemand die afgewogen gedichten en korte verhalen schrijft, met een feministische en veelal nihilistische inslag. Of, zoals ze dat zelf zegt: “ik heb tieten, en een pen”.
Sacha Landkroon ging in gesprek met Marijke Van Thielen.

 

Toen je werk bij Meander binnenkwam, gebeurde er iets. Kaboem, dat kwam aan! Waarom ben je nog niet gedebuteerd?
Dat vind ik fijn om te horen! Hoewel ik nu zo’n twintig jaar schrijf, is het pas sinds enkele maanden dat ik mijn poëzie én proza niet meer als een privéaangelegenheid beschouw. Het moet dus zijn dat ik veranderd ben. Ik denk dat ik mijn schrijven of denken lang als niet ‘waardig’ heb ingeschat.

In je biografie is te lezen dat je op je 24e weduwe werd. Hoe is die gebeurtenis in je nog jonge (schrijvers)leven van invloed geweest op je schrijfwerk en denkwijze?
Na de dood van Dieter heb ik me gestort op de boeken die hij naliet. Omdat hij zijn doctoraat in de wijsbegeerte zou gaan halen, waren dat vooral filosofische werken. Voor mij sprong daar één denker uit en dat was Arthur Schopenhauer. Die man was zo briljant. En blijft zo onbegrepen. Hij schreef neer wat ik ook voelde, namelijk dat het jachtige zoeken naar geluk (dat volgens de populaire stromingen slechts uit positieve genietingen kan bestaan) in werkelijkheid ons met een groter gevoel van onbehagen opzadelt. Voor mij is geluk geen positieve gewaarwording maar eerder de afwezigheid van pijn of mild ongemak. Ook die momenten zijn vrij uitzonderlijk in een mensenleven. Pijn is heel aanwezig, pijn ervaar je actief. Geluk is eerder passief: je hebt het pas achteraf door. Het overvalt je in retrospect, dat je niet ongelukkig bent geweest. Door Schopenhauer te lezen, leerde ik mezelf kennen. En door mezelf te leren kennen kon ik oprechter aan de slag met mijn woorden.

In je bio spreek je van ‘de waanzin van het onverwachte’. Sloeg de waanzin toe of heeft het je sterker gemaakt?
Ik weet dat mensen graag succesverhalen à la ‘ik overwon deze tegenslag en kijk mij nu door het leven dartelen’ horen. De realiteit is dat het me niet sterker heeft gemaakt. Het heeft me ook niet zwakker gemaakt. De gebeurtenis heeft een stuk van mijn identiteit afgekapt en me achtergelaten met een ambigu gevoel over de romantische liefde. Aan de ene kant is een suïcide de ultieme liefdevolle zelfopoffering. Een gebroken hart, dat niet meer wil leven zonder diegene waar het voor klopt. De kans dat zo een intense liefde een mens een tweede keer overvalt is zo goed als onbestaand. Dan is er nog de andere kant: Dieter heeft míj achtergelaten. Hij liet me alleen verder leven. Dat ervaar ik soms als verraad. Afhankelijk van hoe ik mij voel, wissel ik tussen beide teleurstellingen. Die heb ik een plaats gegeven. Maar sterker word je er niet van. Simpele mensen worden sterker, complexe mensen worden genuanceerder.

Je schrijft gedichten en kort proza waarin je met een nihilistische blik de wereld rondom je beschouwt, maar ook met een vorm van zelfhaat die grenst aan ongemak. Wat is er mis mee om Marijke Van Thielen te zijn?
Mijn menselijkheid vind ik onuitstaanbaar.

 

Achter mijn panty zit mijn snee
waarvan ik eerder
met scheerschuim
en vier mesjes
de kriebelende vagijnvacht
liet verdwijnen
samen met het spoelwater
en de restjes fruitshampoo.
Ik ruik naar chocolade.

Achter mijn snee zit een wezen
zonder ziel maar met persoonlijkheid
dat uitblinkt in minachting
structureel geweld
en loodkleurige aanrakingen.
Op de grond ligt een nagel
en een dikke pad
met benen wijd en mond open –
de nagel is niet uit de muur gekomen.
Een verhaal over hongersnood wordt verteld.

Voorbij mijn mens verbergt zich een vijandig vergeten
alleen de kleur van mijn jurk koos ik bewust.
Onderworpen aan dit ogenblik
van zinloos verzet
alsof de buitenlucht me dood zal slaan,
zo zit ik stil met mijn panty
en mijn snee
te schuiven op een stoel aan een tafel
terwijl ik luister naar nachtlawaai.

Wanneer mensen zo’n nihilistische thematiek hanteren, kan dat bij andere mensen weerzin oproepen. Kun je ons in drie zinnen overtuigen van het feit dat alles in de wereld echt lucht en leegte is?
Ik heb geen enkele behoefte om iemand te ‘bekeren’ tot het nihilisme, daar komen ze zonder mij ook wel achter. Wie nog geloven kan in een hoger doel, raad ik aan om zo lang mogelijk te genieten van het behaaglijk zelfbedrog.

Fijn, dat waren twee zinnen. Drie is je nog teveel?
Naast een nihilist ben ik ook een rebel.

Toch denk ik dat je gelooft dat je iets toe te voegen hebt aan de Nederlandstalige literatuur. Je kiest ervoor om de vrouwelijke beleving van seksualiteit centraal te stellen, vanuit feministisch perspectief. Waarom is dat noodzakelijk?
Als ongeïnformeerd tienermeisje las ik de klassiekers. Doorgaans waren dat boeken van lelijke oude mannen, die dan prachtige jonge vrouwen gingen verheerlijken. Ik heb mijn tienerjaren doorgebracht met de gedachte dat ik ook een man moest gaan vervolledigen: ik dacht dat ik alleen zou bestaan wanneer ik opgemerkt zou worden in de ogen van een man. Het feit dat we moeten uitspreken: ‘de vrouwelijke beleving van de seksualiteit’ impliceert dat de ‘de mannelijke beleving van de seksualiteit’ de norm is.

Wat me fascineert aan je werk zijn de leegte en het soms destructieve gedrag van hoofdpersonen. Heb je die negativiteit nodig om goed te kunnen schrijven, of hangt dat af van de stemming waarin je zelf op dat moment verkeert?

Kijk, in deze tijden is het niet moeilijk om jezelf leeg te voelen. Je hoeft er weinig voor te ondernemen, je krijgt het gratis bij de wifi-verbinding. Een gevoelig mens kan niet anders dan zich af en toe onthecht voelen. Dat vormt de ideale basis om te schrijven, althans voor mij. Natuurlijk heb ik ook vrolijke momenten, opgewekt zijn is mijn dagelijks streven. Maar als ik chronisch-blij word, dan kan ik niet meer schrijven. Dan wil ik actief zijn: huppelen, dansen en (vals) zingen! Om te scheppen moet ik gaan zitten en in mezelf keren. De fascinatie haal ik van binnen, niet uit indrukken. Het is niet dat ik wil schrijven over hoe de schoonheid van de wereld over me neer is gedaald, bah. Dat vind ik saai. En vies.

Uit één van je kortverhalen citeer ik ‘enkele minuten eerder ontdekte ik dat emotionele verzadiging uitstekend correleert met zelfzuchtig erotisch genot’. Ik heb die zin tig keer gelezen, maar ik kan er niet achter komen of dat iets positiefs is of juist niet.
Hahaha, het gebeurt gewoon. Of het positief of negatief is, hangt af van waar jij jouw prioriteiten legt.

Als jij interviewer was, en ik niet, wat zou je jezelf dan naar aanleiding van je schrijfwerk willen vragen?
Ik zou mezelf niks vragen. Ik zou mezelf na een halve minuut vervelen en een sigaret gaan roken.

Ik heb gehoord dat jouw schrijfsels niet altijd als ‘gemakkelijk’ worden ervaren. Ben jij het type schrijver dat zichzelf verklaart?
Liever niet.

Helder! In één van recente kortverhalen neem je feitelijk de scheppers van literaire schepsels op de korrel. Zit er iets fout in de literaire wereld anno 2019?
Absoluut. Het gaat niet om wat je maakt, maar wie je kent.

 

De strijd, een deugd
Tussen de keuken en de woonkamer openbaart er zich een glaciaal moeras met zure modder en een bevroren ondergrond. Bij ieder kopje thee moet Martine telkens over de vorstwig wippen, en weer terug. In het vriesvak ligt een ongewenst lam, gekocht in de dierenspeciaalzaak. Het lam roept haar naam niet meer wanneer ze slaapt. Maandenlang stond het krijsend langs haar bed, met bloedend tandvlees. Dat vond ze vervelend: het maakte vlekken op de kussensloop. Martine tuurt stijf voor zich uit, haar nek doet pijn. Teleurgesteld merkt ze op hoe de figuur in uniform in rechte lijn de straat oversteekt. Eerder liep daar een grote zwarte rat. De figuur in uniform wou alleen maar kijken, meer niet, beloofd. Omdat gisteren een dag zonder was, ging ze op haar buik liggen en opende matig haar benen, haar hoofd richting raam gedraaid. Haar linkerwang voelde de zachte druk op het frisse katoen, ze deed net alsof ze de plekken bloed niet zag. Ze bewoog beide handen, doelgericht, vakbekwaam. In het moeras leven organismen zonder de tragiek van zelfbewustzijn, schijnt. Zij kunnen niet genieten van de uitputtingsstrijd. Ze overleven in uitzonderlijke omstandigheden, doen aan voortplanting zonder materiaal en storen zich niet aan de poolwinden die door de woning wervelen. Toen de figuur in uniform kijken kwam, merkte hij het moeras niet op. Hij had alleen aandacht voor het lieve dons, mals behaard. De woeste woninggrond werd niet aanschouwd. Martine knoopt haar kamerjas dicht.

Na de thee komt er een oproep binnen. “Ik ben oud, ik takel af, ik ben alleen. Op mij wacht slechts de dood,” klinkt het veelbelovend. “Ook dat maakt jou niet uniek,” reageert Martine onverschillig en ze streelt de eigen wang. Er komt geen reactie; voor feiten wordt nauwelijks sympathie gewonnen. De vorst houdt stevig aan waardoor de keukendeur ontkalkt. Straks, wanneer de figuur in uniform uit haar gedachten verdwijnt en Martine moedig het bedlinnen wast, zal ze niet meer vrezen om te verliezen wat ze reeds is kwijt geraakt. Tijd vernietigt immers het geheel.

Dit is een vraag die ik liever niet zou stellen, en die ongetwijfeld doorspekt is van seksisme, maar het is toch iets wat ik me afvraag. Aantrekkelijke jonge vrouw schrijft expliciet over seks, schetst ongemakkelijke, soms zelfs ranzige beelden. Waarom vind je er voldoening dergelijke dingen te schrijven?
Heb je wel eens seks gehad?

Ja
En heb je wel eens over seks gelezen?

Ja
In hoeverre kwam datgene wat je las overeen met wat je eerder ervaren hebt? Mijn antwoord hierop zou zijn dat seks nooit omschreven wordt in de literatuur zoals het (voor mij) aanvoelt. Seksualiteit wordt te gemakkelijk verheerlijkt – vooral door oude lelijke schrijvers die ooit eens hun pili-pili ergens in mochten duwen. Wanneer men niet verheerlijkt, dan wordt het standaard platvloers of cliché – vooral door oude lelijke schrijvers die teveel porno kijken omdat ze nooit eens hun pili-pili ergens in mochten duwen. Ik wil seks beschrijven zoals ik elke herinnering die ik kan oproepen wil omschrijven. De voldoening krijg ik als het beeld en de woorden spreken.

 

Na het handelen had ik een koude vinger en kuchte ik
de man was een doek halen
of een glas water
er was haast
herinner ik.

Hij had goede manieren en depte mijn huid
ik had een slecht karakter
en vroeg zijn mening
in de hoop even niks
waar te nemen.

Afstand wordt uitgedrukt in tijd,
hoe bijzonder ik dat vind,
bedacht ik toen hij over
mijn loezen sprak en
over hoe andere meisjes
zo anders zijn.

Ik bedankte hem en sprak erg zacht
want wat ik zei
kon geen verklaring geven
want ik was vuil en hij voldaan.

Hij wou slapen en ik moest plassen
ik stond recht en ik bleef staan
nee, hier blijf ik staan dacht ik toen
maar het werd koud en niemand keek.

In één van je gedichten spreek je van de geest die sterft als een gevangene van het lichaam. Ik vind dat fascinerend. Voel je dat zelf ook zo, of is het menselijk lichaam meer een werktuig om de bijbehorende geest elegant in voort te bewegen?
Er is geen ziel (of geest) die sterven zal, er is slechts een lichaam. Ik geloof niet in de tweedeling. Daarom zitten we steeds met de beperking gevangen te zijn in onze eigen doder: ons vlees, dat onderworpen is aan tijd en ruimte.

Ik las ooit een boek met de titel ‘de vrije wil bestaat niet’. Jij lijkt me de uitgelezen persoon om een bindende uitspraak te doen naar aanleiding van die overweging.
Vrije wil is een contradictio in terminis. We zijn allemaal slachtoffer van ons (zelf-)bewustzijn. Mens of dier, alles wat bestaat is onderworpen aan zijn bestaan en bijgevolg aan de natuurwetten. Hoe kun je zeggen dat iets vrij is, wanneer het maar op één plek kan zijn, bijvoorbeeld? Pas wanneer we niet meer zullen bestaan, zullen we fundamenteel vrij zijn.

In je kortverhaal ‘Ante mortem’ eindig je met de zin ‘van ieder gebeuren onthoudt men slechts het einde’. Aan het einde van dit interview vraag ik je daarom in één zin uit te drukken wat de lezer van Meander moet onthouden van Marijke Van Thielen.
Dat ik besta, tegen wil en dank!

 

 

 

Geplaatst in Interviews.