Kevin Barnas – Piketpaaltjes

Onbepaalde poëzie

door Janine Jongsma




De bundel die voor mij ligt is mooi uitgegeven. Op het voorplat zien we de eigengemaakte boemerang van de dichter Kevin Barnas (1978). Aan het uiteinde is het hout rood geverfd, zoals bij echte piketpaaltjes het geval is. De boemerang staat voor de schrijver die regelmatig terugkeert ‘tot het schrijven van zijn eigenzinnige gedichten’ lezen we op het achterplat. De titel Piketpaaltjes staat voor markeringspunten in de tijd. Zo ver ik kan nagaan is dit Barnas’ debuutbundel die ‘getuigt van de worstelingen en wederwaardigheden van een jongeman op weg naar volwassenheid’. Het is een odyssee die is vastgelegd, volgens Barnas.

Laat ik met de deur in huis vallen: een odyssee is het zeker niet. Daarvoor is de poëzie van Barnas te tam, ik haal uit de gedichten niet dat de dichter beproevingen heeft doorstaan, dat zijn reis naar volwassenheid een lange barre tocht was. Hiervoor gebeurt er te weinig in de bundel. Ja, er wordt gestrooid met namen uit de Griekse oudheid en de mythologie, de onderwerpen zijn: liefde, vriendschap, opgroeien en het proces van het schrijven, zaken waar iedereen zich zo ongeveer in herkent. Er is één gedicht dat verwijst naar een opname in een psychiatrisch kliniek, waar de ik-figuur nooit meer naar terug wil, wat mij vrij logisch lijkt. Het kan natuurlijk zo zijn dat Barnas zijn leven heeft ervaren als een odyssee, daar kan ik niet over oordelen, het spreekt alleen niet uit zijn poëzie. Het meest uit de toon vallen de gedichten die in het Engels op rijm zijn geschreven. Ik zie er geen toegevoegde waarde in, behalve dan dat ik nu weet dat Barnas in het Engels kan rijmen. Waarom zou je Engelse gedichten opnemen in een Nederlandstalige bundel? Dát laat zich niet rijmen.

De gedichten zijn niet onderverdeeld in afdelingen, ieder gedicht is een ‘piketpaaltje’ staat erin het ‘Dankwoord’. Maar hoe kan bijvoorbeeld het gedicht ‘Donderdag, half tien’ waarin ‘venkelthee staat af te koelen’ en de ‘laptop ruist’ wachtend op de volgende regel die getypt gaat worden, gezien worden als een markeringspunt in de tijd? Niet omdat de letterlijke tijd in de titel staat. In het hele gedicht gebeurt niets, niente, nada. Wat is hier dan kenmerkend aan? Hoe kan het gezapige leven zoals de uitleg van een droom, een overpeinzing op een terras of het terugdenken aan een vriendin, gezien worden als een markeringspunt in de tijd? Dat kan dus niet, daarvoor is wat er gebeurt te triviaal.

‘Barnas is gaan schrijven om uiting te geven aan het onzegbare’ lees ik. Ja, dat is wat dichters doen met het schrijven van poëzie, we proberen het onzegbare aanwezig te laten zijn zonder het te benoemen. Ik krijg sterk de indruk dat Barnas niet aan dichten toekomt in zijn gedichten:

Over bomen wil ik schrijven

Ik zeg: ik schrijf bij drama
Zij zegt: schrijf maar niet

Ik schrijf

En ik schrijf en ik schrijf en ik schrijf

Over bomen wil ik schrijven
Over de lucht die zij ademen
Die wij ademen

Over de seizoenen mét
en de seizoenen zonder zoenen

Over liefdes aangevangen
over havens en schepen
en dat alles tijdelijk is

Maar o zo mooi
o zo mooi
o zo mooi

Ik leg me het zwijgen op
brei het einde
en ga naar bomen kijken

En terwijl de ik-figuur naar de bomen kijkt, had hij deze gedachten als aanleiding moeten zien om een gedicht te schrijven. Je kunt over bomen willen schrijven, of je schrijft over bomen, daar zit een wezenlijk verschil in. Hij had moeten luisteren naar de ‘zij’ die zegt: ‘schrijf maar niet’.

Wat gebeurt er als Barnas wel aan dichten toekomt? Als hij proza probeert om te zetten naar poëzie, abstracte begrippen probeert te vertalen naar concrete beelden? Als hij zich waagt aan beeldspraak? Misschien werkelijk iets te vertellen heeft?

Momentum

Als een heremietkreeft op zoek naar een schuilplaats,
heb ik deze woning betrokken.
Hem ondoordacht ingericht;
geen subtiele kleuren,
meubels uit een ander leven,
een koude kille vloer die warmte suggereert.

Ik ben een reiziger op een station waar de tijd stilstaat,
een maaltijd in een doorgeefluik.
Geen tijd om achterover te hangen,
voor lekker eten,
voor spel,
voor kunst.
Ik moet door,
en mij verzoenen met de schelp die mij past.

De metafoor van een heremietkreeft (die zijn kwetsbare achterlijf beschermt met een willekeurige schelp, meestal een slakkenhuis, zolang die schelp maar past om zijn achterste) voor de ik-figuur die ook een schuilplaats zoekt en genoegen neemt met een willekeurig huis dat hem past, is best een mooie vergelijking. De beeldspraak in: ‘[ik ben] een maaltijd in een doorgeefluik’ is veelzeggend en een aardige vondst. Als lezer denk je: die man is bezig met overleven, (en je gaat wat meer rechtop zitten) maar dan blijkt dat het daar helemaal niet over gaat, hij wil alleen achterover hangen en zich een beetje vermaken (en je zakt als een plumpudding ineen). Hij heeft alleen een gebrek aan vrije tijd, hoe banaal is dat?! Het gedicht ontspoort dus weer in het alledaagse waardoor de laatste zin zijn werking mist. Toch is het jammer dat er niet meer van dit soort pogingen tot poëzie voorkomen in de bundel. Want het merendeel van de gedichten bestaat eigenlijk uit korte stukjes proza, niet spannend en zonder kenmerken van poëzie erin. Soms is het beter om je bundel alleen te laten circuleren in je eigen kring en niet op te sturen naar een recensierubriek.

En eerlijk gezegd denk ik dat Barnas zich hiervan bewust is. Om dit uit te leggen moeten we Slauerhoff erbij pakken – een dichter in hart en nieren – en wel de eerste twee strofen uit zijn bekende gedicht: ‘Woningloze’.

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
Nooit vond ik ergens anders onderdak;
Voor de eigen haard gevoelde ik nooit een zwak,
Een tent werd door den stormwind meegenomen.

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen.
Zolang ik weet dat ik in wildernis,
In steppen, stad en woud dat onderkomen
Kan vinden, deert mij geen bekommernis.

Daar moest ik aan denken bij het onderstaande gedicht van Barnas. Het lijkt alsof hij antwoord geeft op Slauerhoff. Zijn laatste zin is significant.

Thuis

Zijn grootste bundel ligt voor me
en alles wat ik kan denken
is dat ik niet in woorden woon.
Deze ruimte vul ik met een machtig lijf.
Met een witte bank, boeken
en meubels uit een ander leven.
Ik woon in wat ik zie.
Zijn bundel ligt onaangeroerd.
De dag dat ik woorden vreet
valt niet samen met pianomuziek,
virtueel haardvuur en kunst die waarschuwt
40-45 niet te vergeten.
Wat heb je aan gedichten
als je niet in woorden woont?

I rest my case.
____

Kevin Barnas (2021). Piketpaaltjes. Eigen beheer, 55 blz. ISBN 9789078761792

Geplaatst in Recensies.