Klassieker 2: Jean Pierre Rawie – Interieur

een analyse door Elly Woltjes en Joop Leibbrand

Meander Klassieker 2

De dichter Jean Pierre Rawie gunt in dit sonnet de lezer een blik in zijn interieur. Het is letterlijk en figuurlijk een binnenruimte, waarin, behalve voor de dichter zelf, alleen plaats is voor de door hem bewonderde schrijvers en dichters. Elly Woltjes en Joop Leibbrand ontrafelen voor ons dit ultieme sonnet: ‘éen rijm, en het verscheurd heelal wordt heel’.

Interieur

In dit met boeken volgestouwd vertrek
heb ik steeds minder anderen van node,
met al mijn aan de dood ontstegen doden
iedere nacht stilzwijgend in gesprek.

Bij wie is wat ik liefheb nog in trek?
Het meeste is al eeuwen uit de mode.
Van wat ik deed, uit nood of om den brode,
rest enkel de grandeur van het echec.

Maar ook al bood het leven nog zoveel
waar ik mijn tanden op heb stukgebeten,
éen regel, en de wereld raakt vergeten,

éen rijm, en het verscheurd heelal wordt heel:
alleen achter mijn schrijftafel gezeten
heb ik opnieuw aan heel de schepping deel.


Jean Pierre Rawie (1951)

Uit: Onmogelijk geluk (1992)
Uitgever: Bert Bakker

De dichter Jean Pierre Rawie gunt in dit sonnet de lezer een blik in zijn interieur. Het is letterlijk en figuurlijk een binnenruimte, waarin, behalve voor de dichter zelf, alleen plaats is voor de door hem bewonderde schrijvers en dichters. Hun werken vullen de wanden van zijn studeerkamer, en zelf zitten ze in zijn hoofd.

Twee paradoxen gebruikt Rawie om het contact met zijn klassieken te verwoorden: hij is “stilzwijgend in gesprek” met “aan de dood ontstegen doden”. Is de eerste een tamelijk clichématige aanduiding voor het lezen en overdenken dat hij hier doet, de tweede is heel fraai vanwege de onverwachte betekenis die hij eraan geeft. Uit de tweede strofe blijkt namelijk, dat zijn literaire helden allerminst de dood overwonnen hebben en onsterfelijk geworden zijn. Ze zijn al lang niet meer in trek, hopeloos uit de mode en ontstijgen de definitieve dood, de vergetelheid, slechts dankzij het feit dat alleen Rawie hen nog opwekt. (Let op de functie van de retorische vraag in regel 5.)

In het tweede kwatrijn maakt Rawie dan de overgang naar zijn eigen dichterschap, waarvan hij – opnieuw met een paradox- zegt, dat het zonder succes gebleven is, al getuigt het in die mislukking wel van een zekere grootsheid. Want wat ook de aanleiding vormde tot het schrijven van het gedicht: concessies aan vorm en stijl heeft hij nooit willen doen. (In de combinatie grandeur en echec toont Rawie zich de taalvirtuoos die hij is; echec betekent namelijk letterlijk: het schaak van de koning in het schaakspel.)

Aan het begin van het sextet kondigt het tegenstellende “Maar” de ommekeer al aan, maar eerst geven regel 9 en 10 een nadere invulling aan het echec. “ook al bood het leven nog zoveel” (zowel in positieve als in negatieve zin), hij beet zijn tanden erop stuk. Dat wil zeggen: hij faalde niet alleen in zijn dichterschap, maar dreigde er ook als mens aan onderdoor te gaan.

Dan komt in regel 11 de verlossende wending. Er kan geen sprake van zijn, dat hij de poëzie ooit zou opgeven, want helend als zij is, is zij voor de dichter een levensnoodzaak. Slechts als hij schrijft, heeft hij – letterlijk – deel aan de schepping. Pas als de verzen hem lukken, kan hij de bedreigende buitenwereld buitensluiten en proberen om mét en ín het gedicht een ongeschonden harmonieuze binnenwereld te creëren. Opvallend is de tweede betekenis die “alleen” heeft en die in vergelijking met het octaaf een ontwikkeling suggereert. Zijn verbeten zoektocht naar de volmaakte regels en rijmen voor het volmaakte gedicht doet hij hier alléén, zonder zijn “doden”.

Intrigerend is het woord “opnieuw”, dat een sterke associatie heeft met “nieuw”. Maar de lezer vraagt zich af, of deze dichter ooit zal kunnen vermijden, dat met iedere nieuwe voltooiing de grandeur van het echec bevestigd wordt… Het is een van de kenmerken van het romantisch dichterschap van Rawie, waarin er voortdurend sprake is van de spanning tussen enerzijds eenzaamheid, (cultuur-)pessimisme en mislukking, en anderzijds van een haast elitair streven naar een schoonheidsideaal dat past in een bezield verband. Over de Romantiek grijpt Rawie met deze zelfanalyse terug op een nog eerdere periode, namelijk die van het maniërisme. Hiervan was de door hem bewonderde John Donne (1573-1631), een van de metaphysical poets, een belangrijk vertegenwoordiger. Het voert in het kader van deze bespreking echter te ver om hier dieper op in te gaan.

Kort nog aandacht voor de verstechniek. Het sonnet is geschreven in vijfvoetige jamben. Het octaaf heeft slechts twee rijmklanken, gebruikt in omarmend rijm. Ook het sextet telt maar twee rijmklanken (in een combinatie van omarmend en verspringend rijm), die bovendien zo sterk assoneren met elkaar en vele andere woorden uit de tekst, dat er haast van rime riche sprake is. In het sextet vinden we – vrij ongebruikelijk – twee voorbeelden van voorrijm.

Tenslotte nog dit. Rawie gebruikt in dit gedicht het woord “heelal” in samenhang met dichten en dichterschap. H.W.J.M.Keuls (1883-1968) deed dat in een van zijn rondelen eerder zo:

Het klein heelal van het gedicht:
De aanvang is een zacht ontroeren,
Een ruimte, die zich in wil snoeren,
Beklemming reikend naar het licht.
Dan toonen woorden hun gezicht
En stamelende stemmen voeren
In ‘t klein heelal van het gedicht.

O hart, vind hier uw evenwicht!
Als duisternissen op u loeren,
Laat van Gods goedheid u beroeren,
Die sluit voor u den afgrond dicht
Om ‘t klein heelal van het gedicht.

H.W.J.M.Keuls (Verzamelde Gedichten III, uitg. Stols)

____

Elly Woltjes en Joop Leibbrand

Geplaatst in Klassiekers.