Rense Sinkgraven – Sloop de stad met tedere woorden

De vuilboom loert

door Bouke Vlierhuis

Rense Sinkgraven (1965) was van 2007 tot afgelopen maand de stadsdichter van Groningen. Hij debuteerde in 2005 met het lauw ontvangen Bombloesem. Na het lezen van de eerste dichtregels in zijn tweede bundel Sloop de stad met tedere woorden moest ik wel even diep ademhalen. Als dat maar goed gaat, dacht ik. Er stond namelijk ‘Slok me op zoals de oceaan / een ijle wolk, ik ben een losgeslagen schip’. Die twee regels bevatten al drie dingen waar ik allergisch voor ben: een vergelijking met ‘zoals’, lelijke gemeenplaatsen (‘slok me op’ en ‘losgeslagen schip’) en een feitelijke onjuistheid. Begrijp me niet verkeerd: in poëzie is natuurlijk in principe niets ‘onjuist’, maar dan wil ik als lezer wel graag een idee hebben waarom de dichter spreekt van een oceaan die een wolk opslokt. Oceanen slokken een hoop op, en losgeslagen schepen horen daar zeker bij, maar wolken, zeker ijle, zijn in het algemeen buiten hun bereik. Mooie woorden dus, keurig in twee dichtregels gezet, maar de gedachte erachter ontgaat me. Ook in de rest van het gedicht, ‘Lisboa’ genaamd, staan regelmatig regels die voor de rest van de bundel het ergste doen vermoeden. Ik citeer het hier in zijn geheel.

Lisboa

Slok me op zoals de oceaan
een ijle wolk, ik ben een losgeslagen schip.

Ik hou van de diepte van jouw straten, Lisboa,
je monotone metromuziek, de omwoelde nachten
van je sterverlichte slaap en hoe je klinkt
in een oude dichteres, een op dronk gekomen
stroeve wijn, een droevig lied.

Ik lag aan je boezem, jij stootte me af,
je warme hart klopte nooit voor mij.
Een vissenkop ben je met koude vissenogen,
een graat steekt in je ziel.

Boeren van de zee temden dit water.

Het riool spoelt de Taag. De veel bezongen Taag
met excrementen waarvan de vissen vreten.

Ik hou van de ruimte van jouw pleinen, Lisboa,
hoe de zon windstil matrozen beschijnt,
het korrelig rood van je mossige daken,
je neonnachten vol paarden in draf.

Het gedicht maakt nogal een bijeengeraapte indruk. Behalve dat ze allemaal uiteraard op Lissabon slaan en vaak iets met water te maken hebben is er nauwelijks een samenhang tussen de beelden te vinden. Verder is er een ruime oogst aan clichés (‘een droevig lied’, ‘ik lag aan je boezem’, ‘je warme hart klopte nooit voor mij’), ogenschijnlijke nonsens (‘de omwoelde nachten van je sterverlichte slaap’, ‘mossige daken’ die desondanks ‘korrelig rood’ zijn) en mooischrijverij (‘excrementen’, wat een lelijk woord is dat toch). Maar hoop is er ook. Mooi vind ik hoe de dichter de stad in het Portugees aanspreekt. Door ‘Lisboa’ te schrijven in plaats van ‘Lissabon’ wordt de naam meer dan een plaatsaanduiding en wordt de stad een karakter. Mooi is ook het beeld van de ‘op dronk gekomen stroeve wijn’ dat gelezen kan worden als een wat stugge Portugees die na een paar glazen wijn loskomt. Jammer dat diezelfde Portugees een paar regels verder voor ‘boer van de zee’ wordt uitgemaakt. De formulering ‘jij stootte me af’ is dan weer leuk gevonden in het kader van ‘ik ben een schip’ en de slotregel van het gedicht is ronduit prachtig.

En zo is het een beetje met de hele bundel. Sinkgraven maakt de indruk slordig te werken, niet goed na te denken over de inwendige samenhang van een gedicht. En hoewel hij af en toe echt geweldige regels schrijft en goede beelden bedenkt weet hij het vaak ook weer snel te verpesten. Is het wel poëzie, ga je je na een tijdje afvragen, of is hier iemand ‘dichterig’ aan het doen? Op het podium kom je misschien weg met het maniertje van Sinkgraven om wat beelden bij elkaar te zetten, wat mysterieuze korte zinnetjes te maken (‘de vuilboom loert’), wat grote woorden te roepen (‘voel hoe de zee de rotsen splijt’) of wat hippe taal te lanceren (‘Het plein in urban lounge mood’) maar op papier val je er snel mee door de mand.
Ook de gedichten die qua vorm minder op mijn zenuwen werken zijn thematisch weinig uitdagend. Zoals ‘Zwijgen’:

Zwijgen

Ik wil een vrouw die wacht
in het donker tot ik thuiskom.
Ik wil een vrouw die waakt
over het kind dat slaapt.
Ik wil geen vrouw.
Ik wil een sprankelend boek
dat roept dat ik een god ben.
Ik wil een heerser zijn die
weet wat lijden is.
Ik wil een man zijn zonder
angstzweet, een man die
breken kan en zwijgen.
Waarachtig in het schrijven.
Ik wil geen vrouw.

Een goedlopend gedicht dat, hardop gelezen, lekker dreunt. Maar als je het drie keer leest denk je: waar gaat het nou helemaal over? Rense Sinkgraven dicht in Sloop de stad met tedere woorden te slordig. Hij pent te makkelijk gemeenplaatsen neer. Hij is nergens echt dichter in de zin dat hij probeert het hoogst haalbare uit zijn taal te halen. Hij is teveel gericht op effectbejag, gebruikt daarom teveel grote woorden en lijkt, behalve een wat obligate belangstelling voor steden, geen echt eigen thema te hebben.

Geplaatst in Recensies.