Klassieker 119: Hans Andreus – Mol

door Lambert Wierenga

Meander Klassieker 119

“Met dit nummer besteden we voor de vierde keer aandacht aan Hans Andreus. Na ‘Voor de lieve lezer’ (nr. 39), ‘Laatste gedicht’ (nr. 66) en ‘Liggen in de zon’ (nr. 87) gaat het nu om het vrijwel onopgemerkt gebleven ‘Mol’. Beslist een ontdekking van Lambert Wierenga!” (Joop Leibbrand)

Mol

Dat ik woon in de aarde,
woel door de grote moeder,
kind aan huis blijf bij haar,

en dat ik het gevaar
schuw van alles onder de zon –
goed, maar moet ik niet leven

zoals ik ben, blind
en met de onrust in de poten
van een grond doordrenkt van doden?


Hans Andreus (1926-1977)

Uit: Natuurgedichten en andere (1970)
Uitgever: Holland

Een ‘monoloog van Mol’! Zo zou je dit korte, vreemde gedichtje kort kunnen karakteriseren. Een mol zelf is aan het woord, zonder dat het een fabel of een sprookje wordt. Als een ‘ik’-figuur geeft een mol in een soort zelfportret uitleg of verdediging over z’n manier van leven!
Die uitleg is qua communicatie bestemd voor de lezer: voor de ‘ik’-figuur is z’n leven vanzelfsprekend. Hij kan niet anders. Hij kan zich een ander bestaan dan zoals hij het leidt, niet voorstellen. De uiteenzetting of bewijsvoering van deze stelling heeft soms de toon van verbazing. Zelfs van verontwaardiging, meer dan die van een nuchtere toelichting. Meer een emotie, zoals verontwaardiging dan harde feiten.
Dat verklaart enigszins de verbaasde, bijna geïrriteerde toon van deze monoloog. Wat moet die wel betekenen? Wat heeft dit dier toch te zeggen – over zichzelf te zeggen! – dat voor een mens – de lezer – boeiend kan zijn? Een interessant experiment! Want hij moet als lezer wel in dat dichterlijk experiment willen meewerken om iets te weten te komen. Hij moet zich ertoe laten verleiden om in de huid van dat enge, eigenlijk onbekende beest te kruipen en er dan ook nog zelf plezier aan te beleven.

Het perspectief van de ‘ik’ 
Dit gedicht is helemaal vanuit het perspectief van een ‘ik’-figuur bedacht en geconstrueerd. Het geeft geen objectieve waarneming verkregen door de bril van een biologisch geïnteresseerde buitenstaander of van een gefrustreerde tuinier. Van binnenuit dus. Daar zijn een paar interessante aanwijzingen voor aangebracht. Sommige zijn heel vanzelfsprekend, bijna onmisbaar: het woordje ‘ik’ waarmee deze figuur zich als personage aandient, komt in elk van de drie strofen voor (de regels 1, 4, 6 en 7).
Maar het is ook niét zo dat de ‘ik’ wordt geciteerd door een ander wezen, bijvoorbeeld een fabeldichter of zelfs een bioloog die een mol sprekend invoert. Er is niemand anders in het gedicht aanwezig dan het sprekende dier. Een monoloog. Tegelijk een verdedigingsrede met ‘Mol’ als advocaat van zichzelf!
Wat opvalt in de titel, dat is dat het woord ‘mol’ geen lidwoord krijgt. Ik heb het gevoel dat daardoor de ‘ik’ zich bij wijze van spreken presenteert onder een eigennaam. Zo’n woord heeft ook nooit het lidwoord. Het is niet écht een eigennaam, maar dat enkele ‘Mol’ als titel geeft het dier dadelijk een soort speciale identiteit. In eerste instantie is dat de identiteit van een ‘sprekend persoon’. Met andere woorden: deze monoloog en deze verdedigingsrede berusten op het literaire, retorische procedé van de personificatie.

Een aanklacht en een verweer 
Opvallend in dit perspectief is ook dat Mol die typische identiteit indringend onderstreept. Alsof hij z’n gedrag als mol denkt te moeten verdedigen tegen kritische opmerkingen op hem! Alsof hij zich verweert na een protest tegen z’n erg aparte manier van leven. Waar dat uit blijkt? Vooral uit de totale constructie van het gedicht. De ‘ik’ reageert kennelijk wat verontwaardigd. Niet zo vreemd misschien: mollen zijn geen geliefde dieren, zeker niet bij tuiniers.
Waar die aanklacht en dat verweer uit bestaan? Uit drie formele technieken die samen een volledige redenering vormen. Dat daarmee het gedicht toch niét een droge redevoering wordt, dat is het knappe ervan! Dit zijn die technieken:

• De ‘partijdige’ citaten 
Mol geeft eerst allerlei bezwaren weer die hij kennelijk altijd al om zich heen heeft moeten aanhoren. Dat doet hij via een techniek die je ‘vrij citeren’ zou kunnen noemen. Dat wordt subtiel gesignaleerd door het ‘dat’ (regel 1, 4) waarmee het gedicht start: Mol geeft in eigen woorden weer wat hij anderen heeft horen zeggen! Het is zelfs alsof Mol inbreekt in een discussie die al begonnen was, en die hij nu alleen voortzet. De lezer krijgt dus alleen het standpunt van Mol te horen!
De bezwaren, de afkeer of de haat van anderen zijn niet nieuw voor hem. Maar hij is het er niet mee eens. De regels 1-5 sommen de elementen van de aanklacht op: altijd in de zwarte grond leven (regel 1), de aarde omwoelen (regel 2), nooit zelfstandig worden (regel 3), een afschuw hebben van de zon (regel 5), altijd weggedoken in een beschermende omgeving (regel 4-5).
Daarbij is het natuurlijk onvermijdelijk dat Mol naar zich toe redeneert: het is onmogelijk dat hij de woorden – die hij zogenaamd citeert – letterlijk overneemt van z’n critici. In dat citeren zit z’n eigen ‘gelijk’ al ingebakken. Voorbeelden? Iemand die tegen Mol protesteert om wat die in z’n tuin aanricht zal niet van die poëtische beelden gebruiken om z’n verontwaardiging kracht bij te zetten. Daarin rekent Mol, de ‘ik’-figuur, dus naar zichzelf toe. Wéér blijkt z’n persoonlijke perspectief: hij is ‘partijdig’! Hij gaat uit van z’n eigen gelijk. Ook dat hoort bij z’n redenering: het gaat niet om het objectieve, ‘biologische’ gelijk, maar om het persoonlijke belang van Mol om de dingen écht en zuiver voor te stellen. Z’n ‘tegenstander’ zou nooit die beelden hebben bedacht en die dan tégen hem hebben gebruikt. Dat kan alléén Mol zelf doen!

• De strategische concessie 
Hij gaat nog verder: hij lijkt zelfs te begrijpen dat mensen een hekel aan hem hebben, en dat geeft hij dan ook maar toe: vandaar dat ‘goed’ (regel 6). De vorm die een ‘concessie’ inleidt, in de trant van: ‘Goed, het is wel waar wat je zegt, maar wat zou ik dán moeten doen?’ Die concessie doet hij niet, alsof hij het met het protest tegen hem eens zou zijn. Nee, die kritiek of dat protest wil hij, door ze – althans schijnbaar – te erkennen, daarna des te beter ontzenuwen! Welke argumenten voert hij aan? Welke conclusies trekt hij, en hoe werkt hij daar naar toe? En vooral: wat stelt hij er tegenover?

• De onbeantwoorde vraag 
Het verweer van Mol krijgt de vorm van een vraag. Omdat het een monoloog is, zonder gesprekspartner, kan er eigenlijk geen reactie of antwoord van een gesprekspartner worden verwacht. Het is dan ook een retorische vraag. Dat is eigenlijk geen ‘vraag om informatie’. De van de lezer verwachte reactie ligt er al in opgesloten. Die moet door de lezer weliswaar worden ingevuld, maar dan in de geest van de vraagsteller. Het wordt hem via deze techniek gesuggereerd! Ingefluisterd! Het is dus een soort slinkse dwang: er is maar één reactie aanvaardbaar! En die moét instemmend zijn. Onverbiddelijk. Onbetwistbaar. Het is dus meestal een ideologische techniek: manipulatie!
Inhoudelijk lijkt het van de kant van Mol een naïeve vraag. Hij beroept zich op z’n wezen, z’n aard, z’n ‘mol-zijn’. Nogal vaag, maar voor hém niet meer dan vanzelfsprekend. Hij is er kennelijk van overtuigd dat hij geen andere keus heeft dan te leven zoals hij dat altijd doet. Voor hém zijn de protesten tegen z’n levenswijze onbegrijpelijk. Hij gaat dus uit van een definitief vaststaande levensbestemming: ‘moét ik niet leven zoals ik ben …?’ (regel. 6-7); dat staat voor hem niet ter discussie. Het is zijn onvervreemdbare identiteit als Mol!
De stijlsignalen van deze techniek zijn de retorische vraag (met vraagteken en al) en de keus van vormen van het werkwoord ‘moeten’ (met accent en al). Daardoor wordt aan de lezer gesuggereerd dat er van zijn kant maar één antwoord mogelijk is, namelijk: ‘Natuurlijk moet hij dat!’ en ‘Hij kan zomaar z’n aard toch niet verloochenen?’

Aarde: de veilige ‘moederaarde’
Hoe ziet Mol z’n eigen bestaan? Waarom eist z’n aard dat hij leeft op een manier die de mensen zo’n sterke afkeer inboezemt? Die ze met zoveel onbegrip bejegenen? Hoe ‘vertaalt’ deze mol in z’n eigen woorden – vanuit z’n eigen perspectief dus – wat anderen met onbegrip of weerzin in hem zien? Een heel ander beeld dan dat van z’n vijanden! Hier blijkt duidelijk het ‘eigenbelang’ van Mol. Z’n ‘partijdigheid’: hij kijkt heel anders tegen z’n bestaan en tegen z’n levenswijze aan dan ieder ander. Het onbegrip van die anderen begrijpt hij op zijn beurt en vanuit zijn perspectief niet.
Die andere kijk op eenzelfde levenswijze blijkt duidelijk uit de hechte constructie van een ‘aarde’ – isotopie die het gedicht stevig bijeen houdt.

Voor de lezer is de functie van een isotopie dat die hem stimuleert om in één tekst allerlei termen op te sporen die betrekking hebben op één gebied van de werkelijkheid. Zo is het mogelijk de interne samenhang in een tekst te vinden. ‘De eigen wereld van het gedicht’.


Het betekenisveld van ‘aarde’ wordt hier opgebouwd en uitgebuit met veel taalmiddelen: synoniemen, zinspelingen, beelden, uitdrukkingen, constructie van nieuwe combinaties, tegenstellingen.
De isotopie begint dadelijk in regel 1 met ‘in de aarde’. Een neutrale term. Op de aarde wonen de mensen en leven de meeste dieren. Het bijzondere is dadelijk al de combinatie ‘wonen in aarde’. Aarde is voor Mol een thuis. Daarin is hij in z’n element! Het is z’n element! Dat blijkt nog intiemer als hij de aarde ‘de grote moeder’ (regel 2) noemt. De uitdrukking ‘moederaarde’ is bekend. Die staat voor ‘oorsprong’, zegt het woordenboek. Daarnaast zit er stellig ook de bijwaarde in van ‘vertrouwd’, ‘veilig’, ‘oer’. Die vaste uitdrukking haalt de dichter uit elkaar en maakt dan een nieuwe: ‘de grote moeder’. Uiteraard ‘groot’, zeker vanuit zijn perspectief: Mol kent er alle gangen, holten, hoeken en gaten. Hij ‘woelt’ (regel 2) er altijd doorheen. Hij is er ‘kind aan huis’. Sterker nog: hij ‘blijft’ er kind aan huis. Zelfs de uitdrukking ‘ergens kind aan huis zijn’ haalt de dichter subtiel uit elkaar. Het moederlijke, het veilige van ‘de grote moeder’ benadrukt hij nog eens door ‘bij haar’ te zetten. Niet het neutrale, onpersoonlijke ‘er’, maar ‘(…) haar’. Alsof de aarde voor hem écht een persoon is. Een moederfiguur.
Deze hele strofe berust daarom op de ‘doorgecomponeerde’ stijlfiguur van de personificatie. Niet alleen van ‘Mol’, maar ook van ‘aarde’. Die is voor Mol meer dan een huis. Ze betekent voor hem geborgenheid, gehechtheid, veiligheid. In regel 4 staat niet voor niets ‘het gevaar’ dat Mol boven de grond, ‘onder de zon’ (regel 5) zou tegenkomen. Daarom blijft hij wonen ‘in de aarde’, waar hij voor altijd thuis blijft bij ‘de grote moeder’. Het is de mythische poëzie van het huis, van de intieme veiligheid die z’n ‘moeder’ voor hem betekent.

Aarde: dodenakker
Tot hier krijgt de aarde een vooral positief beeld. Mol voelt zich er thuis zoals z’n aard hem ingeeft of voorschrijft. Dat hij ‘van alles onder de zon’ ‘schuw’ is, deert hem kennelijk niet. Maar in strofe 3 krijgt dat huis een extra betekenis. Eerst leek het alsof Mol er alléén maar bleef uit vrije keus, namelijk omdat hij zich daar thuis wist. Veilig. Tegen ‘het gevaar’ beschermd. Maar tegen welk gevaar? Waarom ‘schuw’ (regel 5)?
Dat ‘gevaar’ en dat ‘schuw’ vallen al een beetje buiten de ‘aarde’-isotopie als isotopie van de veiligheid en de geborgenheid. Niet alleen van nature is Mol een moederskindje, dat altijd ‘kind aan huis’ bij die ‘grote moeder’ blijft. Die beide termen fungeren ongeveer als een vooraanduiding: dat hij exclusief als een ‘aardebewoner’ leeft, ligt niet alleen aan z’n persoonlijke voorkeur. Het is z’n aard: hij kàn niet anders. ‘Moét ik niet leven / zoals ik ben?’ (regel 6/7). Het is z’n aard, dus z’n onvermijdelijke lot. Hij is bang voor alles boven de grond, schuw van alles wat daar leeft. Hij is bovendien ‘blind’ (regel 7). Ook zonder z’n lichtschuwheid zou hij niet de gevaren van ‘boven de grond’ kunnen zien en ontvluchten! Hij leeft in de grond, en voelt zich daar, zegt hij, veilig. Het enjambement speelt hier een prachtige rol: de zin ‘Moet ik niet leven …?’ is volledig en correct, zij het nogal triviaal. Maar na een suggestieve witregel herstart de zin met een essentiële restrictie: ‘… zoals ik ben?’. Daar gaat het hem om: niet alleen om ‘leven’, maar om ‘leven / zoals ik ben!’
Maar behalve het gezichtsvermogen en de levensdurf, mist hij ook rust. ‘Onrust in de poten’ (regel 8) dwingt hem de hele dag te graven in de modder. Waar komt die onrust vandaan? Die grond is ‘doordrenkt van doden’ (regel 9). Blind als hij is (regel 7), gedreven door angst (regel 4), en met z’n voortdurende gewoel (regel 2) in de grond, leeft hij tussen de doden. De aarde is immers een ‘dodenakker’? De doden rusten in de aarde. Zij kennen wél de rust, in tegenstelling tot Mol. Wat zou de dichter suggereren? Wordt de rust van de doden die in de aarde begraven liggen, verstoord door Mol? Of wordt z’n onrust juist veroorzaakt door z’n enge contact met al die doden? Hij doet weliswaar niet anders dan z’n aard volgen, maar daar heeft hij wél z’n leven lang z’n angst, z’n schuwheid en z’n onrust te trotseren!

Anders kijken
De bundel waarin dit gedicht is gepubliceerd heet Natuurgedichten en andere. Is dit een ‘natuurgedicht’? Veel meer, denk ik, valt het onder de categorie ‘andere’. Het is een gedicht voor mensen. Over de dood, over begraven zijn.
Vooral is hier treffend een manier van kijken naar een werkelijkheid die je nooit had ontdekt zónder zo’n gedicht: het keert alles om wat we dachten te weten. Zonder erbij stil te staan. Het geeft een inkijkje in iets waar mensen eigenlijk nooit over nadenken. Wie heeft ooit een mol in de tuin geassocieerd met een ‘dodenakker’? Zich ooit verplaatst in de ‘schuwe en onrustige aard’ van een mol?
We zeggen wel ‘zo blind als een mol’. Nu, via deze poëtische kijk, krijgt deze uitdrukking betekenis. Zou het gedicht zijn opgezet als een zoektocht naar de betekenis ervan? Een nieuw experiment? Poëzie is immers heel vaak een uitnodiging tot ánders kijken en ánders nadenken?

Geplaatst in Klassiekers.