Chrétien Breukers – Het is niet anders

Breiwerk van het ego

door Ivan Sacharov

Poëzie over poëzie. Dichters raken er maar niet op uitgekeken. Het lijkt wel epidemisch in letterland: altijd weer kom je ze tegen, deze eenkennige figuren, die schrijven over poëzie, alsof de wereld enkel daar om draait…
Chrétien Breukers (redacteur van De Contrabas, uitgever, freelance tekstschrijver en auteur van twee eerder uitgegeven bundels), kan het in zijn nieuwe bundel Het is niet anders ook niet laten. Het is niet anders, inderdaad. Is de bundel daarom anders uitgevoerd? Er staan voor de afwisseling nou eens niet alleen gedichten in. De teksten worden hier en daar ‘opgeleukt’ met vreemde, toch wel fascinerende tekeningen van Hans Lemmen. Tekeningen die, als we ze goed bekijken, de worsteling van een getormenteerd schrijver met zijn schriftuur lijken weer te geven. Heel toepasselijk! Maar ik wil mij hier bepalen tot de gedichten. Slaagt Breukers er in deze gedichten in om zijn poëtica te laten leven? That’s the question. De titel van de bundel kan in dit kader alvast gelezen worden als: het gedicht is niet anders. Het gedicht, dat zich iedere keer anders laat lezen, maar zich in zijn gelijkblijvende lettertjes eveneens daartegen verzet:

Het is niet anders

Het is niet anders: als taal ben
ik; zelfs mijn vlees is letters
in een bloederige samenhang.

Van het alfabet ben ik doordrenkt.
Mijn bloedbaan murmelt tegen-
spraak, mijn lever klopt een hoofdstuk

uit een boek dat is verzuurd; dit is
mijn lichaam, het verkruimelt net zo
snel. Ontferm je over letters die

nog even leesbaar blijven.

Het gedicht als een lichaam van letters ‘in een bloederige samenhang’. Als de vierde regel nog een beetje aan bloedarmoede lijdt wordt dat in de vijfde ruimschoots goedgemaakt. De bloedbaan – de essentie van het gedicht – murmelt tegenspraak of tegen spraak (het woord wordt niet voor niets afgebroken!) en verzet zich tegen een al te duidelijk begrip van wat er staat.
‘Dit is mijn lichaam’, herinnert aan de Bijbel. Het opstaan op z’n Frans van het gedicht trouwens ook. Maar waar het lichaam van Jezus bewaard blijft, verkruimelt dat van het gedicht net zo snel als een boek dat is verzuurd. Het woord van de dichter blijkt wel een heel schamele plaatsvervanger van Christus.
Zou het beeld van een boek dat is verzuurd iets te maken hebben met de houding van de dichter tegenover het geloof? De tekst resoneert hier en daar wel erg met Christelijke begrippen. Breukers lijkt me niet echt iemand die altijd goed met autoriteiten kan opschieten en het geloof (of eigenlijk het ageren ertegen?) kan als een stokpaardje van hem worden beschouwd. Men hoeft slechts te denken aan zijn tweede bundel, Tongebreek en Niemandal. Buiten dit: er vallen in zijn uitlatingen soms wat nihilistische trekjes te bespeuren. Een mooi voorbeeld daarvan vind ik zijn bespreking van de bundel Doorgrond van Reine de Pelseneer (in Poëzierapport). Breukers vindt het vragen om ongelukken dat de dichteres zo jong debuteert (ze is op dat moment 23). Waarom eigenlijk? Is het misschien omdat jonge mensen vaak nog ergens in geloven? Dat kan hun poëzie beïnvloeden natuurlijk. Maar is het gevaarlijk voor de kwaliteit ervan? Illustratief in dit verband is ook een gedicht van de Pelseneer dat Breukers citeert. Ik laat het hier in zijn geheel volgen:

Kermis

Rondom de kerk verleidt vertier het volk.
Zodra het donkert, tolt het plein
op volle toeren: spots gaan aan

de lucht trilt van tumult en vluchtig
vloeit het bier. De ochtend dooft
planmatig alle lichten uit.

Schril kraait een haan, de boer staat op
zijn veld zie ik. Het rad is leeg
maar draait voortdurend rond.

Breukers vindt vooral de slotzin goed. Nou ja, nihilistischer beeld moet haast nog verzonnen worden. Prachtig natuurlijk. Maar men is wel een beetje wat men bewondert… Een beetje, want Breukers lijkt een aangeboren neiging tot ambivalentie te hebben die zich (gelukkig voor hem) niet alleen beperkt tot zijn recensies. Een neiging dus, die – net als talent – niets te maken heeft met jeugdigheid, maar misschien des te meer met de stijl van zijn poëzie en zijn verhouding tot het geloof (en andere autoriteiten).
Tot zover deze kleine ‘draai’ in mijn recensie. Men zal mij dit uitstapje vergeven als ik er haastig aan toevoeg dat veel ervan op puur giswerk berust. Maar wat geeft het? Zo worden de tongen weer wat losgemaakt, en kunnen roestige gedachten worden verzet.
Terug naar wat NIET anders is.
Ik haalde het eerste gedicht van Breukers’ bundel aan. Dat is de eerste van een reeks van vier die samen het eerste hoofdstuk vormen. Dit is het derde gedicht, waarnaar het hoofdstuk is vernoemd:

Rommelbrokken

Lever ik mijn ledematen in,
sta ik ook mijn hoofd vrijwillig af.
Een oog kijkt opgetogen naar het
mes dat door de romp beweegt. Het is

in een kamer dat die zich bevindt.
In een middelgrote kamer werd
mijn lichaam uit elkaar gehaald tot
ik een aantal rommelbrokken was.

Iemand heeft mij hier naartoe gebracht,
maar dat is lang geleden. Dat was
gisteren. Een mes wordt hier gewet.
Een mes om nooit meer te vergeten.

‘Een oog kijkt opgetogen naar het mes dat door de romp beweegt.’ Het kritische oog van de lezer? Ons oog beweegt inderdaad door de romp van het gedicht terwijl we lezen. Maar het is een mes met twee scherpe kanten: het gedicht zelf snijdt ook als ‘een mes om nooit meer te vergeten’ door het hoofd van de lezer! Als het een goed gedicht is, tenminste. Hier twijfel ik nog een beetje: ‘dat die’ in de vijfde regel is niet moedersmooiste woordcombinatie, en hoezo ‘middelgrote’ kamers? Om genoeg lettergrepen te krijgen (elke regel telt er negen) moet toch iets beters te vinden zijn dan dit middelmatige?
In het laatste gedicht van de reeks vallen alle rommelbrokken weer ‘in elkaar’ en wordt het ‘afbetaalde’ gedicht fraai neergezet als ‘een paspop die is gevallen en opgeraapt’. Alles met de nodige ironie natuurlijk. Leuk hoe men bij deze rommelbrokken de indruk krijgt dat een lezer zichzelf op de pijnbank moet leggen om poëzie te ondergaan. Voor poëziecritici ziet het er nog slechter uit: een gedicht analyseren staat zo ongeveer gelijk aan een complete behandeling in een (middelgrote) martelkamer.

Na een wat langer introductiegedicht dat enkele scènes uit Nijhoffs Awater in herinnering roept, staat in het tweede hoofdstuk dit gedicht:

2. De vrouw achter het raam

Satijn, brokaat en zijde uit het
vaderland. Een bed op maat gemaakt
door iemand uit New York. Luchten van
beroemde merken uit Parijs. Maar toch.

Het is niet dat de dominee haar
verwaarloost. Dat niet. Altijd is
heimwee naar een leven dat veel
rauwer is haar toch te machtig.

Ze stelt zich voor dat hij daar ligt, straks,
op haar bed, een kogel in zijn lijf.
De ander hangt nog om haar heen. Zweet,
katoen en leer. Haar lichaam is zo zwaar.

Het tweede hoofdstuk is ‘Een kleine western’. Maar als we de façade van het westernstadje achter ons laten en bedenken dat het allemaal weer over poëzie gaat, kunnen we de titel wellicht zo interpreteren: achter het raam, de vorm van het gedicht, zit het wezen ervan: de muze, de inhoud. De dominee (‘die van het woord’, zoals ergens anders staat) is de dichter. En die verwaarloost zijn producten natuurlijk niet! Heel mooi is de tweede strofe. Voor een vrouw van vlees en bloed kan heimwee te machtig zijn, maar voor de muze (de poëzie) die zij vertegenwoordigt is heimwee naar een leven dat veel rauwer is letterlijk te machtig: goeie poëzie vereist verfijning en een zekere mate van gecultiveerdheid, geen rauw uitstorten van emoties. Een klein gebrek is voor poëzie daarom beter dan een groot gebrek. Maar, nogmaals, het hoeft natuurlijk niet zo gelezen te worden: de vrouw kan ook gewoon romantisch naar meer verlangen dan de dominee (haar man?) haar geeft. Ze laat haar minnaar, de ander (de dichter, maar mogelijk ook de lezer) hem van katoen geven en van leer trekken, kortom: zweten. Haar lichaam is zo zwaar…
Misschien is De vrouw achter het raam wel een van de beste gedichten uit de bundel. De zin ‘altijd is heimwee naar een leven dat veel rauwer is haar toch te machtig’ lijkt mij voor de poëtica van de dichter in elk geval waardevoller dan wat hij later, in het vierde hoofdstuk, in het gedicht Hemorroïden wil zeggen met ‘een klein gebrek is zoveel mooier’. Die regel komt daar enigszins uit de lucht vallen, want waarom zou een klein gebrek zoveel mooier zijn dan de perfectie die in het gedicht op de korrel wordt genomen? Dat blijft onduidelijk. Ik denk dat Breukers – geheel in overeenstemming met de chaostheorie en zijn ambivalente natuur – bedoelt dat perfectie pas echt bereikt wordt als er een klein stukje ruimte voor imperfectie overblijft. Een paradox dus. Maar die paradox wordt in De vrouw achter het raam veel geloofwaardiger neergezet. Misschien omdat het taalgebruik in dit gedicht minder expliciet is en beter geïntegreerd. Zelfs in vergelijking met de gedichten uit het eerste hoofdstuk, Rommelbrokken, die in hun beeldspraak wat geforceerd aandoen. Maar er is meer. Het blijft bijvoorbeeld in het ongewisse of ‘de dominee’, de ‘hij’ in de negende regel, en ‘de ander’ dezelfde persoon zijn. En dan is er nog die ‘kogel in zijn lijf’. Een kogel waarschijnlijk van lood. Is dat toeval? Haar lichaam is zo zwaar… als lood, om het gezegde maar eens af te maken. Dus is die kogel niet ook als haar lichaam? De dichter (lezer) voorgesteld als vermoord door het gedicht! Een gedicht maken (of lezen) wordt zo letterlijk een levenslange opgave. Gelukkig kunnen we het ook figuurlijk opvatten. Maar het blijft waar: een goed gedicht maakt een gaatje in ons, of beter gezegd: maakt ons bewust van een gaatje, dat onbewust al bestaat. Overigens kan De vrouw achter het raam eigenlijk niet apart worden geciteerd, want het gedicht behoort tot een reeks.
Ik laat het vierde hoofdstuk voor zichzelf spreken en eindig met wat ik het mooiste gedicht van het derde hoofdstuk vind:

Blame it on the times (Willie Nelson)

Het is ook te wijten aan de tijd.
Die strijkt maar even langs ons lijf en
zie: we worden oud. We zijn het al.

Eén keer deed ik als een man. Alle
schepen had ik achter me verbrand.
Maar schepen groeien goed op open zee.
Het is ook te wijten aan de tijd.

Ik vraag me af: ‘Hoe komt het dan? Wat
heb ik misdaan?’ Niet veel. Nooit genoeg.
Het is ook te wijten aan de tijd.

Goeie gedichten zijn naar mijn idee niet alleen maar poëtica’s. Ze vertellen ook iets over, eh, het leven (of zoiets). Aan die laatste voorwaarde lijkt dit gedicht wel te voldoen. Het vertelt een paar koeien van waarheden over het leven. Die ‘open zee’ in de tweede strofe kan in dit verband ook wel als de tijd worden opgevat. Mooie regel trouwens: schepen groeien goed op open zee. Maar, zal de lezer zich afvragen, hoe zit het hier met het populairste onderwerp in de poëzie: de poëzie zelf? Ja, gaat het er in dit gedicht wel narcistisch genoeg aan toe? Nou ja, ik heb toch al min of meer toegegeven dat Breukers er in deze bundel minstens één keer in is geslaagd een levende poëtica neer te zetten… Je kan nooit uitsluiten dat hem dat vaker lukt. Het pleit voor hem dat hij met schijnbaar onbenullige taal soms iets zinnigs weet te zeggen (zoals na een paar sessies op de pijnbank is gebleken).

Ik waag een laatste poging (om er een poëtica van te breien mag er alles). Opvallend, dat meervoud in de eerste strofe. Er staat ‘ons lijf’. Normaal gesproken zouden we dit natuurlijk gewoon als ‘ons lijf’ lezen, maar dat kan nu even niet. Het gedicht moet worden opgevat als poëzie over poëzie. Zijn het de woorden soms, die oud worden terwijl de tijd (in het oog van de lezer) langs hun lijf (het gedicht) strijkt? Niet voor niets volgt dan na ‘We zijn het al.’ een lege regel. De eerste strofe is nu voorbij, en dus zijn de woorden van die strofe allemaal gelezen, allemaal oud. Eén keer (namelijk in de eerste strofe) deed ‘ik’ als man, zegt het gedicht dan verder. Alle schepen (alle woorden van de eerste strofe) had ‘ik’ achter me verbrand. Maar schepen groeien goed op open zee (het voortgaan van het gedicht in de tweede strofe). En ook dat is te wijten aan de tijd.

Ach ja, een goed gedicht heeft niet veel misdaan, maar doet blijkbaar ook nooit genoeg (geldt tevens voor een goede recensie).

 

Geplaatst in Recensies.