José Saramago (1922-2010)

De Portugese schrijver José Saramago overleed op 18 juni op 87-jarige leeftijd in zijn woning op het Canarische eiland Lanzarote. Als eerbetoon publiceert Meander hier een gedicht van deze bijzondere literator en een interview dat redacteur Sander de Vaan in 1994 met hem had voor Vrij Nederland. Op dat moment was Saramago nog relatief onbekend in het Nederlandse taalgebied. Daar kwam vier jaar later verandering in toen hem als eerste Portugeestalige schrijver de Nobelprijs voor Literatuur werd toegekend.

Laat ze nu eindelijk komen

Laat nu eindelijk de andere vreugden komen.
Vurige dageraden, kalme nachten,
Laat de verlangde vrede komen, harmonie,
En redding van de vrucht, en zielenbloemen.
Laat ze komen, mijn lief, want dezer dagen
Ben ik dodelijk vermoeid,
Door woede en angst
En niets.

José Saramago
Vertaling: Sander de Vaan, uit: de Amnesty-bundel Leef! (2010, Rainbow Pockets)

*

José Saramago: ‘Portugal ligt op sterven’ 

De Portugese schrijver José Saramago (1922) werd door zijn romans Memoriaal van het klooster en Het evangelie volgens Jezus Christus een van de belangrijkste Europese schrijvers. De persoonlijke versie van het Nieuwe Testament die hij in de laatste roman leverde, werd hem in Portugal niet in dank afgenomen. Sander de Vaan sprak met deze ‘twintigste-eeuwse ketter’ in het Zuidspaanse Murcia over zijn werk, Portugal, het communisme en de Europese Unie.

Josë Saramago‘Vroeger wilde ik iedereen mijn overtuiging opdringen, maar dat heb ik inmiddels wel afgeleerd. Ik neem nog steeds geen blad voor de mond, maar ik zeg er nu bij dat het slechts mijn bescheiden mening is, anders heb je de poppen weer aan het dansen.’
José Saramago kan het weten. Het evangelie volgens Jezus Christus veroorzaakte twee jaar geleden een politieke rel in Portugal. Het boek werd door het ministerie van Cultuur geschrapt van de kandidatenlijst voor de Europese literatuurprijs omdat het een belediging zou zijn voor het katholieke geloof. Ook de Portugese clerus voelde zich geroepen om een daad te stellen en prikte de auteur het predikaat duivelse ketter op. Iemand die Maria opvoerde als een draagmoeder voor een machtsbeluste God en Jezus Christus geslachtsgemeenschap liet hebben met Maria Magdalena verdiende niet beter, zo was de redenering. Hij mocht nog blij zijn dat hij niet in de achttiende eeuw leefde, dan was hij ongetwijfeld op de brandstapel beland, schamperden de fundamentalisten onder de Portugese geestelijken.
Van de dreigende taal van de clerus was de atheïst Saramago niet erg onder de indruk. Hij had er terdege rekening mee gehouden dat men geen acht zou slaan op de passage waarin hij nadrukkelijk stelt dat zijn alternatieve evangelie ‘nooit of te nimmer heeft beoogd tegen te spreken wat anderen hebben geschreven’. Het ministeriële ingrijpen raakte wél een gevoelige snaar. Eind 1992 besloot hij zelfs zijn vaderland de rug toe te keren om zich met zijn Spaanse echtgenote op het Canarische eiland Lanzarote te vestigen. Aanvankelijk zei Saramago dat hij Lissabon enkel had verlaten omdat hij in de ban was geraakt van dit vulkaaneiland, maar hij moest al gauw bekennen dat zijn teleurstelling over de ministeriële maatregel de werkelijke aanleiding voor zijn vertrek was geweest.
Inmiddels lijkt het tij enigszins gekeerd: de gekrenkte schrijver heeft president Mario Soares in zijn nieuwe woning ontvangen en onlangs trok het ministerie van Cultuur een verkapt boetekleed aan door de controversiële auteur de Grote Theaterprijs toe te kennen. Toch is het conflict met de regering volgens Saramago nog niet van de baan: ‘Ik vind het nog altijd te gek voor woorden dat een onderminister van Cultuur mijn roman een belediging voor het katholieke geweten van Portugal heeft genoemd.’
Ik spreek José Saramago in het Zuidspaanse Murcia, waar hij precies op het afgesproken tijdstip de lounge van het hotel is komen binnenwandelen. Hij heeft nog snel even van de gelegenheid gebruik gemaakt om de plaatselijke kathedraal te bezichtigen. ‘Het bloed kruipt nu eenmaal waar het niet gaan kan,’ zegt hij met een glimlach.
Het idee voor het alternatieve evangelie ontstond niet door een goddelijke ‘brainwave’, maar door optisch bedrog. Toen de bijziende Saramago in 1987 met de nodige moeite een razend drukke straat in het centrum van Sevilla was overgestoken, zag hij bij een krantenkiosk een boek liggen met de titel O evangelho segundo Jesus Cristo. Saramago liep eerst gewoon door, maar die vreemde titel – notabene in het Portugees, wat heel ongebruikelijk is in Spanje – maakte hem dermate nieuwsgierig dat hij terugging naar de kiosk. Het boek was nergens meer te bekennen. Saramago fronste zijn wenkbrauwen, schreef het voorval toe aan zijn bijziendheid en kuierde vervolgens rustig verder. Maar in de daaropvolgende dagen bleef de titel door zijn hoofd spoken en het duurde niet lang of de gedachte vatte bij hem post om het alternatieve evangelie van een alwetende, eeuwenoude verteller te schrijven. De titel wilde Saramago niet meer wijzigen: ‘Er zijn nogal wat critici die roepen dat de titel de lading niet dekt omdat gesuggereerd wordt dat Jezus Christus zijn eigen versie van de gebeurtenissen geeft. Die kritiek is terecht, maar ik kon de titel niet meer veranderen, omdat het boek nu eenmaal zo ontstond.’

Waarom schreef u een alternatief evangelie als u helemaal niet in God gelooft?
‘Ik ben juist bijzonder geïnteresseerd in alles wat met godsdienst te maken heeft omdat ik niet gelovig ben. Voor mij zijn alle kerken het instrument van een puur wereldse macht. Eerst sticht de mens een kerk en vervolgens slaat hij zijn medemens de hersens in omdat die tot een andere kerk behoort. Ik wil niemand beledigen, maar het is natuurlijk absurd dat de enige God die van de joden zou zijn, en dat alleen Zijn volgelingen Hem tot in de eeuwigheid gezelschap mogen houden, terwijl alle christenen naar de hel zullen gaan. Of andersom natuurlijk. Als God zou bestaan, zou hij uniek zijn. Het is volslagen belachelijk om te veronderstellen dat een god de joden schiep en een andere de Chinezen.

In uw boek is wel degelijk sprake van meerdere goden.
‘Ja, als iemand in naam van God tegen een ander vecht, is het net alsof er in het brein van die mensen twee goden met elkaar in de clinch liggen. In mijn fictie is er sprake van een god van een klein volk, die een universele god wil worden. Daarom zoekt hij een martelaar, want voor dit soort zaken heb je nu eenmaal een martelaar nodig, en de keus valt op een jongeman van vlees en bloed, die louter uit machtspolitieke overwegingen geofferd wordt.’

En deze jongeman gaat zwaar gebukt onder de goddelijke keuze.
‘Hij begrijpt niet wat men van hem wil. Dat is het paradigma van een mensheid die op zoek is naar zichzelf en die in zichzelf op zoek is naar menselijkheid, dacht ik.’

U heeft altijd het recht op ketterij verdedigd, die in uw woorden de ontkenning van de waarheid die men behoort te geloven is. Voelt u zich niet een dubbele ketter? U bent namelijk niet alleen atheïst, maar ook een overtuigd communist.
‘Tja, we leven in een tragisch tijdperk, maar mijn ideeën lijden daar niet onder. Ik ben ervan overtuigd dat je geen survival of the fittest van je leven hoeft te maken om gelukkig te zijn. Misschien is de mens wel niet te redden, want ondanks alle vooruitgang op technisch en wetenschappelijk gebied is hij in ethisch opzicht bitter weinig veranderd. Maar ik blijf toch geloven dat we ooit een werkelijk humane samenleving zullen kunnen creëren.’

Maar kan dat alleen in een communistisch systeem?
‘Er is momenteel geen andere ideologie die mij in die hoop sterkt. We leven nu in een kapitalistisch systeem dat verdomd veel weg heeft van het meest barbaarse kapitalisme uit de vorige eeuw. Neem de Europese Unie, bijna achttien miljoen werklozen, dan moet er toch iets mis zijn?

Het reële communisme bleek helemaal een mislukking.
‘Het was een regelrechte ramp. Misschien lijkt dit een uitvlucht, maar je kunt een oprecht christen ook niet de inquisitie aanrekenen, want hij zal verklaren dat zijn geloof intact blijft. Met betrekking tot het communisme kan ik hetzelfde zeggen. Dat neemt niet weg dat we de enorme fouten die gemaakt zijn onder ogen moeten zien. En we moeten vooral niet vergeten dat iedere vorm van macht een risicofactor inhoudt. Ook al verklaren de machthebbers zich beschermers van het volk, je moet altijd denken dat dat niet waar is. En het enige middel om machtsmisbruik tegen te gaan is de voortdurende interventie van de burgers.’

U heeft zich kritisch uitgelaten over het feit dat Lissabon dit jaar de culturele hoofdstad van Europa is. Waarom?
‘Ik heb niets tegen Lissabon, ik ben alleen tegen het verschijnsel culturele hoofdstad. Juist wanneer Europa in een geweldige creativiteitscrisis verkeert, wordt de culturele hoofdstad, dat wil zeggen: een enorme supermarkt vol oppervlakkige culturele hysterie, te voorschijn getoverd. Voor de culturele toekomst van Lissabon is het volslagen onbelangrijk dat de stad nu culturele hoofdstad is. Haar culturele realiteit is niet die van 1994, het was die van 1993 en het zal die van 1995 zijn.’

Maar u heeft zelfs gezegd dat een dood land geen levende cultuur kan voortbrengen.
‘Mijn land leeft, er wonen mensen, het functioneert, maar we hebben geen enkel idee omtrent onze eigen toekomst. We hebben altijd veel moeite gehad om onszelf te zijn, maar op dit moment zijn we van alles en iedereen afhankelijk. We koesteren enkel de ideeën die ons door andere landen worden ingefluisterd. Vroeger hadden we onze eigen – weliswaar onderontwikkelde – landbouw, maar nu hebben we vrijwel niets meer, omdat de Europese Unie er geen belangstelling voor heeft. Als ik zeg dat Portugal dood is, bedoel ik dat we geen enkel nationaal project hebben waardoor we, deel uitmakend van de internationale gemeenschap, onszelf kunnen zijn.’

Toch lijkt de Portugese cultuur allerminst op sterven na dood. Uzelf bent het levende bewijs, u geldt als een van de belangrijkste vernieuwers van de Europese vertelkunst.
‘We hebben een oude cultuur en die houdt ons nog enigszins op de been. Maar wat onze identiteit betreft, heerst er een enorme verwarring. En ik herhaal: als een land van alles en iedereen afhankelijk is, kun je zonder meer stellen dat het op sterven ligt.’

U zei ooit dat uw dierbaarste roman niet het uiterst succesvolle Memoriaal van het klooster is, maar Het sterfjaar van Ricardo Reis. In die roman speelt deze identiteitskwestie een centrale rol.
‘Inderdaad, het is een beschrijving van de moeilijkheden van een volk dat nauwelijks over zijn toekomst heeft nagedacht en vol twijfels en angsten zit. Maar het geeft ook een beeld van Portugal anno 1936, toen de bevolking onder een enorme repressie te lijden had en er een geweldige manipulatie van bovenaf plaatsvond. Er was zelfs een kardinaal die riep: “Christus is Portugal, en Portugal is Christus,” en er was niemand die vroeg of die man wel goed bij zijn hoofd was…’

Hoe ontstond eigenlijk het idee om Ricardo Reis, een van Fernando Pessoa’s grote heteroniemen, tot romanpersonage te maken?
‘Toen ik in 1940 een paar gedichten van een zekere Ricardo Reis las, dacht ik dat hij echt bestond. Ik kwam er pas maanden later achter dat het een heteroniem van Fernando Pessoa was, over wie in die periode nauwelijks werd gesproken. Die ontdekking maakte een geweldige indruk op mij, want Pessoa deed iets wat eigenlijk iedereen zou moeten doen: hij accepteerde het feit dat hij verschillende persoonlijkheden had, hij kwam er rond voor uit, dan kon hij ze tenminste in toom houden. In mijn roman raakt Fernando Pessoa vlak na zijn dood in gesprek met zijn heteroniem Ricardo Reis. Er is dus sprake van een dialoog tussen iemand die niet meer bestaat en iemand die nooit bestaan heeft. Het is een heel serieus literair spel, twee niet-bestaande personen die geconfronteerd worden met een wereld die op instorten staat. De centrale vraag is eigenlijk: wie zijn we, als we werkelijk bestaan? Pessoa vond daar een antwoord op.’

Onlangs werd in Portugal de twintigste verjaardag van de Anjerrevolutie gevierd. Wat is daarvan overgebleven?
‘We hebben nu een democratie, die soms eerder formeel dan effectief is, er is vrijheid van meningsuiting, maar de verwachting van velen dat er een concreet – geen reëel – socialisme geïnstalleerd kon worden, is niet uitgekomen. We zijn het armste land van de Europese Unie en er zit voor ons niets anders op dan de regels te accepteren van een gemeenschappelijke markt die soms veel weg heeft van het oude Sovjetsysteem.’

In welk opzicht?
‘Men bekritiseerde de Russen altijd om hun vijfjarenplannen, maar als u een economie zoekt die werkelijk tot in het detail gepland is, kunt u die in West-Europa vinden. In vergelijking met wat men momenteel in de Europese Unie aan het doen is, waren de Sovjets slechts een stelletje povere leerlingen.’

Is dat niet wat overdreven?
‘Nee hoor, neem Spanje. Twee jaar geleden ontving de regering González uit Brussel het verzoek om 400.000 koeien te slachten omdat er te veel melk werd geproduceerd. Dat is toch volslagen belachelijk! Het Spaanse parlement werd niet eens geraadpleegd! En als ze zo nodig die koeien kwijt willen, laat ze die dan naar Afrika sturen. Daar zitten ze te springen om melk, maar nee hoor, dat werd geen moment overwogen.’

Spanje en Portugal hebben eeuwenlang met de rug naar elkaar toe geleefd. Is daar sinds de toetreding tot de Europese Unie verandering in gekomen?
‘Spanje lijdt aan een amputatiecomplex, want het moet zich op de wereldkaart presenteren zoals het werkelijk is. Als Portugal weggelaten wordt, ziet Spanje er heel eigenaardig uit, alsof het een lichaamsdeel mist. In het dagelijkse leven probeert het land die amputatie te vergeten, en daarom kijkt het Portugal ook met de nek aan. Wat ons betreft, al het kwaad kwam altijd uit Spanje, zelfs de Franse soldaten kwamen via Spanje ons land binnenvallen. Maar sinds de toetreding tot de Europese Unie zijn er tekenen die op een verbetering van de betrekkingen duiden. We kunnen elkaar eigenlijk alleen leren kennen door elkaars cultuur te bestuderen, met politieke maatregelen schiet je weinig op. De dictators Franco en Salazar zochten elkaar op, maar wij hebben elkaar nog altijd niet gevonden.’

Vrij Nederland, 2 juli 1994

Geplaatst in Interviews.