K. Michel – Bij eb is je eiland groter

De tijd verstrijkt ja, maar bestaat niet

door Johan Reijmerink

‘Vroeger ben ik vaak met de boot naar Engeland gegaan. In mijn herinnering was het voortdurend kloteweer. Omdat ik benedendeks misselijk werd zat ik altijd (ook als het regende en stormde) op het achterdek. Ik moest de zee zien. Ik moest de bewegingen van het schip kunnen relateren aan de horizon, anders begreep ik niet wat er met mijn lichaam gebeurde en werd ik ziek. Grote woorden zijn ook schepen, zoek altijd het dek op.’
Met deze woorden eindigt K.Michel zijn repliek op een essay van Yves T’Sjoen in diens bundel Stem en tegenstem (2004). Deze gecursiveerde woorden beschouw ik niet alleen als een waarschuwing aan de lezer, maar ook als één die de dichter aan zichzelf geeft. Er spreekt een afkeer uit om te grote woorden te gebruiken die reiken naar universele abstracties, om het contact met de hem omringende werkelijkheid te verliezen. Hij wil ook niet de indruk wekken om met zijn taalgebruik de aandacht af te leiden van de werkelijkheid die er voorbij de taal is. Een spannend dilemma voor dichter én lezer. De lezer is in een dergelijk spanningsveld geneigd om naar vastgeroeste betekenissen te grijpen. De dichter verliest in dit dilemma al gauw zijn speelruimte. Langs de weg van vrije associatie, paradox en synesthesie zal de dichter proberen met zijn vervreemdende woord- en beeldconstructies de lezer te verleiden tot een andere leeshouding. Dat kan tot onnodige misverstanden leiden die hij echter het liefst wil voor zijn. Als het even kan, kiest Michel voor de klassieke opvatting van taal als een venster op de wereld.

Michel is in zijn vijfde bundel Bij eb is je eiland groter (2010) opnieuw erin geslaagd – net zoals in zijn vorige vier bundels – om het taalregister van alledaagse woorden een poëtische lading mee te geven. Hij komt de gewone wereld van zijn lezers tegemoet met onderwerpen als kindse oudere mensen, het afscheid nemen van geliefden en overledenen, het reizen door landschappen en naar plekken die het verleden bij wijze van toeval verbinden aan het heden en de toekomst. Hij schrijft prettig leesbare poëzie. Verrassend eenvoudig bij eerste lezing, maar bij nader inzien op vele plaatsen gelaagd, open en ruimte latend voor de ervaringswereld van de lezer. In overwegend lange gedichten weet hij je als lezer te activeren. Regels als ‘mijn hand herinnert zich de deurklink van mijn kamer,’ ‘de klok telt/ het ademhalen/ in en uit/’ of ‘het wit ontmoet de lijn in de punt//’ bezitten een gelaagdheid die zijn taal tot poëzie maakt. Vaak kiest hij een alledaagse ervaring of kwestie uit als aanleiding voor zijn teksten.

De gedichten zijn in parlando stijl geschreven, in een diversiteit aan vormen: van strofische tweeregelige gedichten als het gedicht ‘Ontmoetingen’ tot een langgerekt gedicht dat zich over een paar bladzijden uitstrekt als ‘AH’ (een douchelied). Dat biedt de lezer een bundel vol afwisseling. Michel slaagt er goed in om zijn gedichten te structureren. Hij doet dat niet zozeer door interpunctie, strofebouw, rijm- of metrum, maar vooral door middel van herhaling en opsomming van woorden en versregels, inhoudelijke variaties op een thema, cyclische bouw naar vorm en inhoud, cursivering van woorden en een verscheidenheid aan dichtvormen en typografie. Veel gedichten lopen uit op een verrassende pointe. Daaruit spreekt dikwijls humor en ironie. Op die manier krijgen de gedichten een natuurlijke spreekritme en weet hij de aandacht van de lezer vast te houden. Daartoe dragen ook zijn nauwkeurige observaties bij, zoals in het gedicht ‘Tempo tempi’. Daarin roept hij het besef op na een indrukwekkend concert aan de gracht nog wakker te moeten worden, terwijl iedereen allang op één oor ligt. Overigens een gedicht met beeldscherpe versregel als:

Met applaus werd de invalster begroet
Tijdens de vertolking woelde het publiek
als een veelkoppig lichaam als een door
meeuwen omwolkte kotter onder de kust

Zonder nu te spreken van een opgelegd pandoer weet hij in een aantal gedichten in klein bestek, verstaanbaar en binnen een menselijke maat grote maatschappelijke kwesties uit te beelden. Een voorbeeld van maatschappijkritiek op ons vreemdelingenbeleid is een gedicht als ‘Welkom vreemdeling’ dat aan de hand van een stoelendans de toenemende en wisselende aanwezigheid in ons land van diverse nationaliteiten voorstelt en dan doodleuk eindigt met de woorden:

Dans van de stoelen
in het Portugees.
In het Nederlands
ik zat hier eerst.

Maar ook in een veel langere sprookjesachtige gedicht als ‘In het land van de praatjes’ is hij heel concreet in zijn uitbeelding over de groeiende onverdraagzaamheid, waar

Twee mensen die elkaar tegenkomen
kunnen twee dingen doen

of de een
slaat de ander plat
of de een stelt de ander een vraag’

[…]

toestand A heet natuur toestand B beschaving

[…]

Zo komt het gesprek op gang & wordt de strijd uitgesteld

[…]

maar als drie personen elkaar tegenkomen…
ooh la la dan belanden we in een toestand C
de speciale die status quo heet
& wordt het knap lastig te voorspellen
wat ons te wachten staat én of kletsen nog wel helpt

drie of meer, binnen of buiten,
dan zijn de rapen gaar,
is de beer los, het einde zoek
zijn we de sigaar, in de aap gelogeerd, ver van huis

Zo staan er ook enkele gedichten in de bundel die met een humor en ironie de veranderende milieuomstandigheden belichten. Een geestig gedicht is in dit verband het gedicht ‘Vlinderverhuizing’. De dichter deelt aan ons via de poes mee hoe hij over de zich wijzigende migratie van de vogels onder invloed van de klimaatverandering denkt: ‘Mooie boel, zegt de blik van Poes, als we zo/ doorstomen, ja dan komt de Noordpool snel in zicht.//’.
De dagdroom speelt ook een belangrijke rol in de wereld van Michel. Als een Aphrodite, geboren uit het schuim van de zee, laat Michel in het gedicht ‘Dat was gisteren en nu loop ik op blote voeten’ de ik als een droomgestalte, geheel vervuld van het eigen verlangen, op blote voeten uit de zee ‘als een man van de wereld’ lopen naar een microfoon om in een zaal ‘boven de deinende hoofdenzee’ zijn mening te geven, ‘dat hij zei dat jij zei dat wij/ zweven stofjes in het strijklicht/ het mag het kan niet zo zijn dat/’. Maar dan klinkt er ineens door de zaal: ‘op onze planeet/ gelden meningen als de allerrrr/ laagste vorm van leven’//’. Op internet, in de media, in de politiek tieren tegenwoordig de meningen welig, maar ze dragen niet altijd bij tot een daadkrachtige besluitvorming.

De overheersende thematiek uit deze bundel vind ik het verstrijken van de tijd en daarmee verbonden het spoor dat de tijd door een mensenleven trekt. Rond het woord ‘tijd’ gebruikt Michel door deze bundel heen een omvangrijk woordveld: verdwalen, spoor, kaart, route, vertrek, tempo, tempi, kindsheid, afscheid en ontmoeting. Twee maal over gebruikt hij de zinsnede: ‘de tijd verstrijkt ja maar bestaat niet’. Er spreekt uit deze woorden voor mij erkenning en ontkenning van de vergankelijkheid. Hieruit blijkt het besef dat de paradox voor hem het ruggenmerg van zijn dichterschap vormt. Het past bij zijn rol van toeschouwer. In zijn laatste gedicht ‘Bevindingen’ zegt hij daarover: ’Ik keek met nieuwe ogen om me heen’. Daarop is hij voortdurend uit. Dat is de winst van de toeschouwer die zich op afstand van de dingen zet.
In zijn gedicht ‘Ontmoetingen’ komen enkele paradoxale regels – sommige vond ik niet zo ge(s)laagd – voor waarin het verstrijken van de tijd eveneens onderwerp is: ‘waar je bent als je slaapt weet je niet, misschien wel daar waar je was voor je geboren werd’ of ‘ als je je ogen dichtdoet kun je door de ogen van een ander kijken, ook als die overleden is/’. Die grensovergang van leven naar dood, het buiten de tijd komen intrigeert Michel zeer. In het gedicht ‘Daaag’ vormt het een uitgangspunt voor een poëtische beschouwing van ruimte en tijd: ‘zolang ik er niet geweest ben/ voel ik me niet geroepen/ over het hiernamaals/ iets substantieels te beweren/’. Van zijn orthodox-christelijke reminiscentie over het godsoordeel aan het eind van ons leven haalt Michel in de laatste versregels op ironische wijze de spanning af door zijn opmerking dat het begrip ‘hiernamaals’ hem nog het meest doet denken ‘ aan een verkeersbord/ (op een kruising bij Han-sur-Lesse)/ met twee forse bazige pijlen/ onder die naar links/ staat toutes directions/ onder die naar rechts wijst/ autres directions//’. Hij neutraliseert daarmee zijn eigen niet-weten wat hij daarmee aan moet. Ons denken schiet in deze dingen te kort. Hoe zou je de groeten kunnen doen aan Piet, Martin, Wouter en tante Riet? Hier laat de dichter-filosoof Michel de werkelijkheid achter de dingen even buiten beschouwing, terwijl hij juist een dichter is die een nieuwe taal wil vinden om aan zaken als het metafysische, het hiernamaals te raken.

Al met al vind ik dat Michel een gevarieerde bundel heeft geschreven. Bij de tijd, leesbaar, verstaanbaar, tot nadenken stemmend, geestig en ironisch. In het lange gedicht ‘Marx ging naar Zaltbommel’ (Nijhoff!) laat hij op geestige wijze een fragment uit de levensgeschiedenis van Karl Marx samenvloeien met een stukje actuele Nederlandse geschiedenis. Geschiedenis en tijd stromen aan ons voorbij. Het vlietende water van de rivier doet de onbekende alwetende ik van dit gedicht zijn vergankelijkheid beseffen. Maar het is tevens een plek om jezelf en de tijd te vergeten. De tijd verstrijkt ja maar bestaat niet!

Geplaatst in Recensies.