Klassieker 140: Lucebert – twee handjes

door Wim Kleisen

Meander Klassieker 140

Wim Kleisen bespreekt ‘twee handjes’ van Lucebert . In alle opzichten was de dichtkunst van Lucebert schokkend voor zijn tijdgenoten. Geen traditionele poëtische vormgeving. Met de ratio kom je bij het lezen van zijn gedichten niets verder. Het eerste vers lijkt al raadselachtig: een tichouten handje. Dat woord ‘tic’ komt verder in het gedicht in andere combinaties, maar ook zelfstandig voor. Dit moet dus voor ons haast wel de sleutel tot dit gedicht zijn.

twee handjes

hij heeft een magnifiek tichouten handje
een tichouten handje met houtkwast
een tichouten handje met houvast
een tichouten houvast als een tichouten hutje
waarin hij zijn opgezette ticdiertjes ophangt
boven het tic tic knapperend houtvuurtje
waarbij hij ’s avonds laat nog zit te dromen
van dat andere handje dat op zo’n goede voet stond
met het machinegeweertje waarmee hij zo scherp
tic tic kon schieten
peinzend hanteert hij dan zijn ticsomber zingend zaagje
waarmee hij de tichouten nagels van het tichouten handje wat kortwiekt
en leest in de tichouten lijnen des levens
dat het niet de hoge bomen zijn die de kwaadaardigste winden vangen
maar dat dat het allermiserabelst rietje mag doen
dat als ticrietje nu eenmaal gewend is te denken
dat het er spaans tic tic tic toe moet gaan in zijn leven

WANNEER HET IJZEREN HANDJE TAC TAC TAC UIT ANGST
WEER EENS BIJ ONS DE KLOK TERUG ZET

Lucebert (1924-1994)

Uit: verzamelde gedichten, De Bezige Bij, Amsterdam 2002.

Inleiding
Lucebert publiceerde dit gedicht in 1954 in het tijdschrift Podium. In 1955 gaf hij de bundel Alfabel uit bij De Bezige Bij. Dit gedicht maakt deel uit van die bundel. In 1974 verschenen bij dezelfde uitgeverij de Verzamelde Gedichten van Lucebert, waarin ook deze bundel is opgenomen.
Lucebert was een veelzijdig kunstenaar. Hij trad als schilder toe tot de groep Cobra (Copenhagen – Brussel – Amsterdam) en was ook actief als tekenaar en later als fotograaf. In 1949 publiceerde hij Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia in het tijdschrift Reflex. Dat was wel even slikken voor de Nederlanders in die tijd. In een tijd waarin wij een oorlog voerden in Indonesië die eufemistisch ‘politionele acties’ werd genoemd, schreef hij dit gedicht waarin hij zonder meer de zijde van de opstandige Indonesiërs koos.

In alle opzichten was de dichtkunst van Lucebert schokkend voor zijn tijdgenoten. Na de oorlog (WO II) bracht men een restauratie van het vooroorlogse bestel tot stand, waarin de burgerlijkheid een bepalende rol speelde. Tegen die burgerlijkheid zette Lucebert zich met de de dichtersgroep de Vijftigers, waartoe hij behoorde, met veel publiciteit af. Bekend is zijn optreden als ‘keizer der experimentelen’ in het Stedelijk Museum in Amsterdam, waarvan de legendarische Sandberg directeur was.

Wat was er dan zo schokkend? In de eerste plaats trokken de Vijftigers zich niets aan van de traditionele poëtische vormgeving. Rijm, metrum, strofevorm, het deed er allemaal niet meer toe. Het leidde tot de uitroep: “Is dit nou mooi?!”, terwijl Lucebert juist de schoonheid als afgedaan beschouwde. “Schoonheid heeft haar gezicht verbrand”, zo dichtte hij in zijn programmatische gedicht school der poëzie, het tweede gedicht in zijn eerste bundel Apocrief. In het eerste gedicht, sonnet, parodieerde hij de sonnetten van Kloos, een dichter die zeer op zichzelf betrokken was. In het gedicht komen dan ook maar drie woorden voor: ik, mij en mijn.

Verder was het uitermate irritant voor de toenmalige lezers dat er van een logische gedachtegang geen sprake was. Met de ratio kom je bij het lezen van zijn gedichten niets verder. De lezer komt verder, als hij niet naar rationele, maar naar associatieve verbanden zoekt. Dat zal dan ook de methode zijn, waarmee we dit gedicht gaan lezen.

Associatielijn
Het eerste vers lijkt al raadselachtig: een tichouten handje. Dat woord ‘tic’ komt verder in het gedicht in andere combinaties, maar ook zelfstandig voor. Dit moet dus voor ons haast wel de sleutel tot dit gedicht zijn. Vanaf het woord ‘tichouten’ (vs. 1) volgen we een associatielijn die wordt voortgezet met ‘houtkwast’ (vs. 2), ‘houtvuurtje’, (vs. 6), ‘ticsomber’(vs. 11), en weer ‘tichouten’ in vss. 12 en 13. Maar ‘hou-’ in ‘houvast’ (vs.3) scheelt maar één letter met ‘hout’. In dit vers komt ‘houtvast’ terug, terwijl in vs. 4 dit woord met ‘tichouten’ wordt verbonden.

Ik ga niet verder met deze lijnen. De lezer kan die nu zelf wel verder volgen. Het lijkt een beetje op de Bibelebontse berg uit het kinderliedje. We gaan weer naar vs. 1, maar volgen nu verder de inhoud.

Inhoudelijk
Een houten hand is een prothese, al is een kunsthand nooit van hout, maar vroeger van metaal en nu van kunststof. Toch is het een magnifiek handje, de gebruiker heeft er dus veel plezier van. Maar het is geen best hout, al is de houtsoort teakhout, want er zit houtkwast in. Toch heeft de ‘hij’ er houvast mee. Waarom dit ‘houvast’ nu met een ‘tichouten hutje’ wordt geassocieerd, is wel even een vraag.
Is het eigenlijk wel teakhout? Natuurlijk, door de klank wordt de lezer op die gedachte gebracht. Maar wij kennen een tic als een zenuwtrek. En daarmee komen we weer verder. Uit de prothese blijkt dat de ‘hij’ een verwonding heeft opgelopen. Maar de ‘tic’ geeft aan dat dit mogelijk geen fysieke, maar een psychische afwijking is. Dat intrigeert ons, dus we lezen verder. De ‘hij’ zit in zijn hutje bij het houtvuur. Let eens op de klanknabootsing in het ‘tic tic’ van dit vuur. We horen het knappende hout, Lucebert gebruikt hier het frequentatieve ‘knapperen’. In die hut hangen opgezette dieren. Wie die dieren als ornament in zijn omgeving kiest, wil de gedachte vasthouden aan de natuurlijke schoonheid, al worden de dieren al gauw stoffig en onaantrekkelijk. Op school stonden ze vroeger in het hok naast het biologielokaal, niet om aan te raken! Als de ‘hij’ dan zit te dromen, betreft het gedachten. We verbinden die opgezette dieren nu met gedachten aan wat vroeger levend, actueel was. Wakend dromen doe je trouwens met een gevoel van verlangen.

Waar denkt de ‘hij’ dan met verlangen aan terug? Aan dat andere handje. Als hij nu een prothese heeft, is dat andere handje de hand die blijkbaar na een verwonding is afgezet. Met die hand bediende hij een machinegeweer. Het feit dat hij hiervan zit te dromen en het woord ‘scherp’ geven aan dat hij met genoegen aan de oorlogshandelingen deelnam. Maar ‘Es war einmal’! Hij is zijn hand kwijt en kan nu alleen nog maar aan die voor hem mooie tijd dromen. Dat deze periode voorgoed achter hem ligt, stemt hem somber. Het feit dat hij er zoveel genoegen aan beleefde, is natuurlijk een afwijking, we gaan nu dat het hele gedicht doortikkende ‘tic’ begrijpen.

Het metaal van het machinegeweer wordt geassocieerd met het metaal van een zaag. Maar waarom een zingende zaag? We kennen allemaal dit instrument, dat een wat zeurend geluid voortbrengt. Ik kan niet anders concluderen dan dat de ‘hij’ met dit instrument een liedje van verlangen voortbrengt, voor Lucebert is dit gezeur over een fout verleden van een al even foute man. Hij zou zo weer mee willen vechten, maar hij moet zijn verlangen bedwingen, kortwieken.

Hij krijgt nu zelfmedelijden. Terwijl anderen nog steeds hun beroep als militair in de oorlog kunnen voortzetten, zit hij hier gekortwiekt bij zijn vuurtje. Het leven is voor hem noodlottig verlopen, hij leidt nu een miserabel leven. Lucebert speelt hier met de uitdrukking ‘Hoge bomen vangen veel wind.’ Eigenlijk is de betekenis ervan dat hooggeplaatste personen veel publiciteit krijgen, publiciteit die vaak kritiek bevat. Maar deze ‘kleine man’, een doodgewone militair met een lage rang, ervaart het lot dat hem trof als kwaadaardig. Nu wordt het hout in de associatielijn plotseling riet, riet dat als eigenschap heeft dat het buigt in de wind. Het is een Bijbelse uitdrukking, Jezus zegt dit van Johannes de Doper. De afwijking van deze man wordt nu duidelijk, hij denkt dat het heel normaal is voor een mens om geweld te plegen.

Dan komt er een prachtige woordspeling. We kennen het Spaanse rietje, waarmee lang geleden leerlingen op de vingers werden getikt. Of erger nog: ze moesten de open hand met de rug op hun schoolbank leggen om het de meester mogelijk te maken de gevoelige huid van de handpalm met het rietje te raken. Maar we kennen ook de uitdrukking dat het er Spaans toegaat: dat de strijd heel gewelddadig is. Het is een uitdrukking die afkomstig is uit de tijd van de Tachtigjarige Oorlog. Die twee uitdrukkingen verbindt Lucebert nu tot de gedachte dat een gewelddadig leven het echte leven is. Daarvan droomt de uitgeschakelde strijder bij zijn houtvuur met nostalgie en wrok.

Maar dan komen de letters in kapitaal gedrukt. We lezen niet meer ‘tic’, maar ‘tac’. Dat klinkt veel scherper. Het handje is nu van ijzer, hard en gevoelloos. De ‘hij’ zou zo de klok weer willen terugzetten en weer ‘frisch und fröhIich’ de oorlog ingaan. Dit is angstaanjagend. Als de klok weer wordt teruggezet, gaan we uit de tijd van vrede terug naar een tijd van oorlog. Een oorlog wordt vaak gemotiveerd doordat de regeringsleiders inspelen op gevoelens van angst. Het risico is levensgroot dat dit weer gaat gebeuren, vandaar de kapitale letters.

Tot slot
Wil Lucebert de mensen nu waarschuwen voor een nieuwe oorlog? Uiteindelijk werden in de tijd dat deze bundel werd gepubliceerd, de Russen als een levensgrote bedreiging beschouwd. Mensen betreurden haast dat de USSR de oorlog tegen Duitsland had gewonnen. Daardoor misten wij een buffer. Hadden de Amerikaanse troepen maar meteen de Russen aangevallen….. in ieder geval hield de dichter zich hier sterk mee bezig. Ik suggereer maar iets uit mijn herinnering. Gedichten zoals bijvoorbeeld o tempora o mores en oorlog & oorlog, die er direct aan vooraf gaan, en de cyclus de beulen die volgt, geven dit te zien. Zelfs de titel van de bundel wijst in deze richting. Het woord ‘alfabet’ kennen wij, maar de ‘t’ is verwisseld met de ‘l’. wil de dichter aan de bel trekken om te waarschuwen? Misschien, maar ik geef mijn mening graag op voor een betere.

Vragen naar de bedoeling van een dichter is uit den boze. Voor ons is het de vraag of wij iets herkennen, of wij de associatielijn van de dichter in onze eigen gedachten kunnen voortzetten. Met een speelse en ongebreidelde aanpak schokt hij de lezer, plaatst hij hem/haar voor een keuze. Hoe sta ik hierin? Daarmee kennen we Lucebert als een dichter met een grote maatschappelijke relevantie. In duistere tijden is hij een drager van het Licht (de letterlijke betekenis van zijn pseudoniem).

Op deze bespreking kwam o.a. een reactie binnen van Joos Olejniczak. Hij schrijft:
Ik dank Wim Kleisen voor zijn bespreking van Luceberts ‘twee handjes’; één ding echter meen ik te mogen opmerken waar hij het, aan het eind, heeft over de relatie tussen het gedicht en de tijd waarin Lucebert het schreef. “Wil Lucebert de mensen nu waarschuwen voor een nieuwe oorlog?”, vraagt Kleisen zich af. Uit de vervolgzinnen blijkt dat hij daarbij denkt aan de koude oorlog en de ‘Russische dreiging’. Ik heb echter de indruk dat een andere oorlog in dit verband veel meer voor de hand ligt, namelijk een koloniale oorlog. Uit diverse vroege gedichten van Lucebert spreekt een sterk engagement met de Indonesische opstand; zie bijvoorbeeld de bekende ‘Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia’. In 1953 en 1954, de ontstaanstijd van het gedicht ‘twee handjes’, zinderde Nederland nog van het ressentiment jegens de nieuwe republiek; op de daar gevoerde processen tegen Nederlanders werd hier zeer heftig gereageerd. ‘Wij’ hadden Nieuw Guinea nog – en dat zouden we in elk geval niet in handen van Indonesië laten vallen! Ik vind het daarom meer voor de hand liggen om de slotregels in kapitaal, over het terugzetten van de klok, in dit verband te lezen: als een waarschuwing tegen koloniaal revanchisme.***

Wim Kleisen:
Dank voor uw reactie. De vraag op welke mogelijke nieuwe oorlog Lucebert doelt, wordt zo problematisch. Ik kwam op mijn idee, omdat in mijn omgeving niemand bang was voor een nieuwe koloniale oorlog en wel voor een oorlog met Rusland. Maar dat is natuurlijk subjectief. Daarom ben ik eens naar de wereldgeschiedenis uit die tijd gaan kijken.
We kunnen ervan uitgaan dat Lucebert dit gedicht in 1953 of 1954 schreef. Op 29 augustus 1949 bracht de USSR haar eerste atoombom tot ontploffing. Op dat ogenblik werd deze staat een reëel gevaar voor de Amerikaanse hegemonie en dus voor de wereldvrede. In december van dat jaar vond de soevereiniteitsoverdracht in Den Haag plaats. Indonesië en Nederland hadden even geen pijnpunten meer. De staatsgreep van Raymond Westerling wekte wat irritatie aan Indonesische zijde en de bezetting van de Molukken zat Nederland niet lekker, dat wel. Maar tot een echte oorlogsstemming leidde dit niet. De kwestie-Jungschlaeger leidde wel tot spanningen, maar deze Nederlander werd pas in 1954 door de Indonesiërs gearresteerd, te laat dus voor het verhaal van dit gedicht. De kwestie-Nieuw-Guinea werd pas in 1961/1962 actueel en leidde inderdaad tot gevechten. Ook dit feit kunnen we dus buiten beschouwing laten.

Stalin stierf op 5 maart 1953. Er ontbrandde een machtsstrijd, waarvan voor gevoelens van Europeanen en Amerikanen de vrede afhankelijk was. Pas toen Beria werd geëxecuteerd en Chroestsjov aan de macht kwam, voelde men een mogelijke oorlog niet als acute dreiging. In 1962 veranderde dit weer als gevolg van de Cubaanse raketcrisis . Tot de dood van Stalin was het absoluut niet duidelijk wat hij voorhad met de verhouding tot het vrije Westen. De blokkade van West-Berlijn in 1948 leidde wel tot een acute dreiging.

Ik heb serieus nagedacht over uw veronderstelling, maar nu ik dit alles op een rijtje heb gezet, blijf ik bij mijn theorie. Maar, toegegeven, het blijft een theorie.

***
Uit de lezerskring kwam ook nog een interessante suggestie met betrekking tot de titel van de bundel waaruit ‘twee handjes’ afkomstig is, ‘alfabel’. Met finaal accent (zoals Wim Kleisen leest) is er een duidelijke verwijzing naar ‘alfabet’, maar met initiaal accent wordt het ál-fabel’, ‘het is allemaal een fabel’! (Joop Leibbrand)

 

Geplaatst in Klassiekers.