Job Degenaar – Vluchtgegevens

Als iets de grond raakt van de dingen

door Joop Leibbrand

Job Degenaar opent zijn bundel Vluchtgegevens met de korte afdeling ‘Losbladig mij’, vijf gedichten over de vrouw en de liefde. Dit is het eerste gedicht, dat al direct duidelijk maakt wat Degenaars sterke en zwakke kanten zijn:

The look of love

Staat ze daar, veelvormig wezen
waarin ik me weer verliezen ga
en hervinden in een omvattender
losbladig mij dat misschien
al morgen neerdwarrelt?

Het einde is ze, vanaf de eerste
aardse molecuul miljarden jaren
naar me toe gekweekt, triomfantelijk
glanzend in haar sambaslipje
dat voorbijduizelt richting vloer

Engelse titels in Nederlandse gedichten, Bloem en Achterberg deden het al en waarom zou het niet mogen, maar fraai is toch anders, zeker als het niet bij één keer blijft. De overgeconstrueerdheid van de eerste strofe is bedenkelijker. Syntactisch klopt hij wel, deze zin die je als een retorische vraag kunt lezen, maar wat is hij nodeloos ingewikkeld en lelijk qua woordkeuze. In de tweede strofe is de verleidelijke, ravissante vrouw ‘het einde’. Wat een cliché denk je, maar het wordt vervolgens met het eindpunt van miljarden jaren evolutie aardig opgepoetst en dan is daar ook het voorbijduizelende sambaslipje, dat een beeld is dat je bijblijft.
Zo gaat het bij het lezen van de gedichten in Vluchtgegevens bijna steeds. Voortdurend stuit je op passages die te gezocht of juist te slap zijn, of wel heel obligaat. Maar daarnaast zijn er even zo vaak beelden en formuleringen die verrassen, zodat je als kritische lezer steeds blijft hopen op dat ene onvergankelijke gedicht dat Degenaar misschien toch wel in zich heeft. En eerlijk is eerlijk, al zoekend daarnaar verveel je je geen moment.

Hoewel het achterplat de lezer wil doen geloven dat de bundel draait om ‘tijd en liefde’, wat Degenaars vaste thematiek zou zijn, is het motief van de poëzie en het eigen dichterschap dominanter. Dat geldt meteen al voor dit eerste gedicht, want dat ‘losbladig mij’ dat ‘neerdwarrelt’, dat moeten wel de gedichten zijn die hij hoopt te schrijven. En met enige goede wil zou de schone in haar sambaslipje metaforisch de poëzie zelf kunnen zijn. Het laatste gedicht van de eerste afdeling geeft daarvan de bevestiging. Het gaat daarin over ‘De vrouw die in mij woont’, die zich o.a. laaft aan de fado, vergeefse liefde kent en wier kussen dieper zijn dan haar mond, en die, zegt de slotregel, ‘onvermijdelijk poëzie’ werd.
Dat de bundel een duidelijk poëticale invalshoek kent, blijkt ook uit het feit dat de eerste afdeling ‘Losbladig mij’ als titel meekreeg. ‘Losbladig’ is dan ineens niet meer een bepaling bij een verzelfstandigd ‘mij’, maar een imperatief. Er wordt een opdracht geformuleerd, zoiets als ‘laat mij uiteenvallen in poëzie!’

De tweede afdeling, ‘Onstilbaar lied’, met gedichten die gesitueerd zijn op Terschelling, zet dit voort met ‘Opmaat voor een schelpdier’: ‘Grote thema’s kolken, gisten/ stromen in ondiepe poelen/ Ik sluit de schalen, cimbalen/ tuimel in m’n nachtuniversum mee// Terwijl het om mij woelt en sist/ daal ik naar het diepe duister/ en neurie het onstilbaar lied/ waarvan de zee vervuld is’. En in het volgende gedicht worden fossiele haaientanden als verzen gekoesterd vanwege ‘het verhaal/ achter elke tand des tijds’. Op veel meer plaatsen is er direct of indirect een verwijzing naar poëzie en dichterschap.
Maar Vluchtgegevens is toch in de eerste plaats een gevarieerde bundel, waarin een veelheid aan onderwerpen aan bod komt en we van locatie naar locatie gaan: kitesurfen, Elvis, de gang van zaken in een artsenpraktijk, een zwerfster in het Vondelpark, een boom in Lelystad, een bus in de Noordoostpolder. Diverse keren gaat Degenaar ook de grens over, naar Duitsland, Oostenrijk en Griekenland.
De grootste variatie kent de lange middelste afdeling, ‘Op weg naar duizend bloemen’.

Telkens blijkt dat Degenaar beeldend kan schrijven, zeer verzorgd ook, maar dat hij wel steeds een en hetzelfde register hanteert. Zijn poëzie zou wat meer ‘dwarsheid’ mogen vertonen, de lezer vaker op het verkeerde been mogen zetten. Het titelgedicht van de bundel is eigenlijk het enige gedicht waarin je even een schok krijgt. We zijn aan boord van een vliegtuig, de landing zal worden ingezet, een stewardess neemt de veiligheidsprocedures door en ‘speelt noodtoneel’. Het gedicht eindigt met ‘De schaduw van het vliegtuig/ koerst af op een minaret/ een flat en de lichte// onrust die ontstaat/ als iets de grond raakt/ van de dingen’. Minaret en flat zijn al te expliciet, maar de laatste regels zijn subliem.

En dat éne gedicht waarop de lezer hoopt? Het dichtst daarbij komt ‘Thuiskomst’, uit de afdeling ‘Zwanen en hun zangerig sterven’:

Thuiskomst

Hartgrondig tegen de dood geleefd
tot iets onverwacht je spiegelt
een gedicht bijvoorbeeld, zo

broos dat je nooit dacht
dat het bestond
Dat zich wringt

uit al je poriën, opstaat
van het papier en je
aankijkt als een ree

Dat is nog eens thuiskomen:
zien wie je bent
op dit moment

***
Vluchtgegevens is bij uitgeverij Liverse verschenen als nummer 5 van de onder redactie van Kees Klok staande Bordeauxreeks.
Bij de gedichten ‘De pijnbomen van Vincent’ en ‘Moeder en zoon’ werden  kleurenreproducties opgenomen van respectievelijk Van Goghs schilderij Pins dans le jardin de l’asile à Saint-Rémy en een foto van Michelangelo’s beeld Madonna met kind uit de Brugse O.-L.-Vrouwekerk.
Op de bijgeleverde cd leest Degenaar zeventien gedichten uit de bundel. Het wordt tegenwoordig vaker gedaan, dichters willen hun stem laten horen. Wel, die van Degenaar is welluidend en hij heeft een plezierig zuivere uitspraak van het Nederlands. Maar wat voegt het toe? Nieuwe perspectieven op de gedichten levert het niet op, de gedichten gaan niet meer of anders leven. Het zal – vergeeflijke ijdelheid – wel de behoefte zijn aan een klein voorschot op de onsterfelijkheid…

***
Job Degenaar (1952) schreef de bundels Bericht voor gelovigen (De Beuk 1976), Het wak (U.M. Holland 1980) en ’t Vlak ligt klaar (Opwenteling 1989). Nadat uit deze drie bundels in 1991 een Poolse bloemlezing werd samengesteld, verschenen bij Thomas Rap De helderheid van morgens (1992), Van de arena en het lastdier (1995), Dus dit is zomer (1998) en Huisbroei (2003). Onder de titel Handkussen van de tijd verscheen in 2009 bij Liverse een bloemlezing uit al deze bundels.

Degenaar, die bestuurslid is van PEN Nederland, deed doctoraal Nederlands bij de UVA. Hij werkt als docent Nederlands in het volwassenenonderwijs in Flevoland. Hij schreef sinds 1983 geregeld gedichten in De Tweede Ronde en publiceerde voorts o.a. in Het Liegend Konijn, Poëziekrant, Tzum, Ballustrada en in vele bloemlezingen.

Geplaatst in Recensies.