Klassieker 147: Henk van Loenen – Onder de sterren

door Inge Boulonois

Meander Klassieker 147

Inge Boulonois bespreekt ‘Onder de sterren van Henk van Loenen (Juliën Holtrigter). ‘Onder de sterren’ is beeldend, ongekunsteld, verstaanbaar en ontdaan van iedere neiging tot literair machismo en hermetisme. De lezer krijgt ook nog een tweede gedicht cadeau.

Onder de sterren

Onder de sterren geslapen. Lang in de tijd
liggen kijken, in de ijlende, krijsende ruimte.
De vreemde vreugde die dat ondenkbare schept.

Ik zag een foto die iemand vanuit een kuil had genomen.
Uitzicht vanuit een graf, stond eronder. Je zag
een stuk van de hemel en de dunne kruinen van bomen.

Ik denk aan mijn vader, heel ver van huis, niet meer
bij machte terug te keren.
En aan mijn ex die ik plots bij mijn tandarts aantrof
boven mijn wijdopen mond, mooier en harder dan ooit,
met een slang in haar hand om het gruis en het vocht
weg te zuigen. Daar lag ik.

Ik zou zo graag licht willen reizen, met in mijn rugzak
niet meer dan wat kleren, een veldfles, een pen
en papier.

Henk van Loenen (1946)

Uit: Dansen op de maat van het ogenblik. De 100 beste gedichten uit de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd, Augustus, Amsterdam, 2011

VOORAF
Met dit gedicht won Henk van Loenen (1946, Hilversum) de tweede editie van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd. Deze wedstrijd is toegankelijk voor zowel professionals als amateurs en wordt jaarlijks georganiseerd door de Poëzieclub en deels gefinancierd door de Turing Foundation. Eén van de doelstellingen van de stichting is om meer mensen te laten genieten van Nederlandstalige poëzie. ‘Onder de sterren’ werd gekozen uit bijna 10.000 gedichten. Juryvoorzitter Gerrit Komrij, onze onovertroffen pleitbezorger voor de poëzie, prees ‘de goed getimede gruwelijkheid’ in dit gedicht.

‘Onder de sterren’ heeft er amper één levensjaar opzitten. Het gedicht heeft dus niet de leeftijd van een Klassieker, maar thematisch is het dat wel. We hebben hier te maken met elementaire poëzie, d.w.z. poëzie waarin de menselijke nietigheid ten opzichte van het heelal een centrale plaats krijgt toebedeeld.

We hebben niet met een beginneling in poeticis te maken. Henk van Loenen is bekend onder zijn dichterspseudoniem Juliën Holtrigter. Sinds 2001 publiceerde hij vier bundels en in de komende herfst verschijnt bij De Harmonie de vijfde, met als voorlopige titel Wat afdaalt naar het hart.
Van Loenen was tot aan zijn pensioen werkzaam als docent beeldende vorming. Naast dichter is hij beeldend kunstenaar en fotograaf. Zijn werk en bibliografie vindt u hier.

Holtrigters poëzie vormt het relaas van een reis, een zoeken naar wat zich achter de zichtbare werkelijkheid bevindt, naar de essentie van dingen; hem drijft een niet aflatende verbazing over de wereld en het heelal. Omwegen (zijn debuutbundel, 2001) en Het verlangen om te verdwalen (tweede bundel, 2004) verraden hoe zijn odyssee verloopt. Confessioneel gaat zijn tocht van gereformeerd naar rooms-katholiek en vervolgens naar oud-katholiek. Als verwende materialistische westerse zinzoeker zoekt hij een modus vivendi tussen het aardse en het hemelse, het persoonlijke en het transpersoonlijke, het zintuiglijke en het mystieke. Zijn poëtisch taalregister is gelardeerd met realistische, absurdistische, klassieke, romantische en religieuze elementen.

BESPREKING
‘Onder de sterren’ is beeldend, ongekunsteld, verstaanbaar en ontdaan van iedere neiging tot literair machismo en hermetisme. Er valt dan ook weinig aan uit te leggen. Het lyrisch subject heeft ’s nachts onder de blote hemel geslapen en in de immense ruimte boven hem gestaard. Hem schiet een foto te binnen die iemand vanuit een grafkuil had genomen. Achtereenvolgens denkt hij aan zijn vader en aan zijn ex die hij plots bij de tandarts boven zijn mond met een slang in haar hand zag. In de verrassende slotstrofe spreekt de dichter het verlangen uit om licht te willen reizen, met enkel de hoognodige bagage.

Het gedicht is autobiografisch; Van Loenen heeft inderdaad een ex en zijn vader is decennia geleden overleden, zo mailde hij me desgevraagd.

Hoe zit dit vers libre in elkaar? De schrijfstijl neigt naar parlando, de gekozen formuleringen zijn echter to the point. In de vier strofen overheerst ruwweg de plechtige dactylus, het metrum van de homerische epen Ilias en Odyssee. De metrische onregelmatigheden voorkomen eentonigheid. In de eerste strofe wordt het lyrisch subject niet expliciet vermeld, terwijl alle andere strofen met ‘ik’ beginnen, wat een merkwaardig contrast geeft. Alsof de dichter daarmee benadrukt dat er eerst, net als in Genesis, het hemelgewelf was en pas daarna de mens, het ik, verscheen. Niet op de aardbol, maar onder de sterren, een optiek die onderstreept wordt door de herhaling van de titel in de allereerste regel. De wisselingen in werkwoordstijden geven het vers diepte en levendigheid. ‘Ik zag’, ‘Ik denk’, ‘Ik zou’, met dit syntactisch parallellisme in de verleden, tegenwoordige en toekomstige tijd beginnen de laatste drie strofen.

Door de pakkende, qua klankexpressie rijke eerste drieregelige strofe sijpelt een mysterieuze helderheid. We zien weinig antimetrieën in de dactylus, en veel binnenrijm – alliteratie van ‘lang’ en ‘liggen’, van ‘vreemde’ en ‘vreugde’; assonantie van ‘ondenkbare’ en ‘schept’, ‘tijd’en ‘kijken’, ‘ijlende’ en ‘krijsende’. Terwijl regel 1 met de Natureingang van een locus amoenus, een bekoorlijke plaats, opent, roept regel 2 met het ‘ijlende, krijsende’ het antoniem op, de locus terribilis ook wel locus horribilis. De assonerende ij galmt Munchiaans ijzig na als opmaat tot de volgende strofen. Het enjamberende ‘lang in de tijd’ is onderdeel van de tweede zin, maar sluit mooi bij de eerste aan, bij de lichtjarenverre afstand van de sterren; ‘in de tijd’ en ‘in de ijlende, krijsende ruimte’ verlopen parallel en koppelen zo tijd aan ruimte alsof ze een ruimte-tijdcontinuüm scheppen. De eerste twee zinnen van de beginstrofe zijn elliptisch: ‘ik heb’ ontbreekt. De derde regel, ‘de vreemde vreugde die dat ondenkbare schept’, beschrijft een heel herkenbaar gevoel met een mengeling van verwondering, ontzag en vervoering. De regel is in de tegenwoordige tijd gesteld, waarmee we als het ware even in het tijdloze heden, het eeuwige nu belanden.

Ook strofe 2 heeft drie regels. Hier en daar vinden we klinkerrijm en bij de eerste en derde regel eindrijm: genomen‘ en ‘bomen‘. De nu pas expliciet geïntroduceerde ik-figuur brengt een ietwat macabere ambiance met zich mee: hij zag een foto die iemand vanuit een grafkuil genomen had. Het enjamberende ‘Je zag’ staat in de tweede persoon enkelvoud. Deze familiaire aanspreekvorm voor de ander en voor zichzelf slaat zo op degene die de foto nam en op de dichter zelf. Niet alleen door het enjambement krijgt ‘je zag’ lading, maar ook omdat het in de terzine een regel met weesrijm is. Het werkwoord ‘zien’ krijgt hierdoor de betekenis van beschouwen, meer begrijpen, doorgronden. In de context van ‘een stuk van de hemel en de dunne kruinen van bomen’ kunnen we hier denken aan: doorzien hoe weinig het menselijk oog van het geheel ziet.

In de derde, zesregelige strofe moet de dichter aan zijn overleden vader denken. Deze is ‘heel ver van huis, niet meer/bij machte terug te keren’, met een nadruk gevende extra-grammaticaliteit in de vorm van de assonantie van ‘meer’ en ‘keren’. Daarenboven het enjamberende ‘niet meer’. De vader is voorgoed weg. Als in een flashback ligt de dichter daarna plots met wijdopen mond in een tandartsstoel met boven zich zijn ex, met het parallelle ‘mooier en harder’ dan ooit. De dichter tekent een verre van aangename situatie. De slang die het gruis en vocht in zijn mond wegzuigt, roept associaties op met de slang die Eva aanzette tot het eten van de appel in de tuin van Eden. Bovendien is hij met zo’n gapende mond niet in staat te praten, monddood gemaakt.

Deze langste strofe eindigt met de kortste zin: ‘daar lag ik’, dat het overheersend perspectief van dit gedicht weergeeft: hij lag onder de sterren, in de tandartsstoel en de foto was genomen liggend in een graf. ‘Daar lag ik’ lees ik als een hypogram, ook wel kofferwoord genoemd, een sterkere variant van het cliché ‘daar sta je dan’. Hij kan er ook niets aan doen, is zonder iets te kunnen inbrengen overgeleverd aan de onvermijdelijke loop der gebeurtenissen, aan de onbekende beschikkingen van het lot. Die zin lijkt door de heffing op ‘lag’ een betekenisvolle relatie aan te gaan met het enjamberende en rijmende ‘je zag’ in strofe 2.

De verrassende en nogal melancholische drieregelige slotstrofe bestaat uit slechts één zin. Na de onplezierige associaties met de inaniteit van het leven en de efemere relaties tussen mensen komt de dichter weer terug bij zichzelf en geeft zich, als een (neo)romanticus in een hartstochtelijke self-disclosure, bloot. ‘Ik zou zo graag licht willen reizen’. Niet graag, maar zo graag: ‘Met in mijn rugzak/ niet meer dan wat kleren, een veldfles, een pen/ en papier’, een door de alliteratie (de p’s van pen en papier) en assonantie (al die e’s) fraai klinkende enumeratio of opsomming.

‘En papier’ staat op een regel apart waardoor het extra lading krijgt. Het aantal versvoeten kan bij dit vrije vers niet de reden zijn. Vanuit typografische motieven? Als je beide woorden achter ‘pen’ zou zetten, komt die regel net iets verder dan de langste, vierde regel van het gedicht eindigend op ‘genomen’. Het doet ook denken aan een begrip uit het Duits expressionisme, het zgn. Wortsatz, een woord dat met veel betekenis is geladen en het betekenispotentieel van een volledige zin bevat. Hoe het ook zij: wellicht brengt de dichter daarmee zichzelf en ook de lezer uiteindelijk terug bij de verschijningsvorm van het gedicht, bij het papier waarop het is geschreven en te lezen.

‘Licht reizen’ doe je met weinig bepakking en weinig aan je hoofd zodat je lichtvoetig je tocht door het leven kunt gaan en enkel gebeurtenissen noteert. Kennelijk heeft de dichter figuurlijk en letterlijk het een en ander te torsen, veel ballast in zijn rugzak. Hij zou willen ontsnappen uit de alledaagse wereld, zich los willen maken van de dagelijkse beslommeringen en weg willen reizen.

TOT SLOT
Beluister hier het gedicht zoals het op YouTube en Hanta staat, door Henk van Loenen zelf voorgedragen. De laatste strofe luidt hier: ‘Ik zou zo graag licht willen reizen, met in mijn rugzak/ niet meer dan een stel extra kleren, een veldfles, een pen/ en papier.’

***

In de bundel die komende herfst verschijnt, komt het volgende gedicht te staan, weer met dwaalmotief maar nu onder de zon. De ochtend zit, met een intrigerende personificatie, ‘in de bosjes’.

‘Hier komt het koesterend oog

Hier komt het koesterend oog van de zon.
Daar zit de ochtend, daar in de bosjes, kijk daar!

Aan het eind van de straat op de tweesprong gestaan.
De markt op gelopen.
Hier zijn de schroeven en moeren van het geluk,
roept een koopman. Een zijstraat genomen,
een heel eind gekomen maar hij loopt dood.

De Minstraat verloedert: twee rijen huizen met plastic
kozijnen en twee rijen auto ‘s.

De weg terug afgesloten. Een sluipweg gezocht.
Het bos daalt af naar de kust. Dat doet het
al duizenden jaren.
De hemel verdwijnt in de zee
of de zee in de hemel.

In de door hem op You Tube voorgedragen versie luidt de laatste strofe ‘Ik zou zo graag licht willen reizen, met in mijn rugzak/ niet meer dan een stel extra kleren, een veldfles, een pen/ en papier.’ 
Van Loenen liet weten de versie met ‘wat kleren’ als de definitieve te beschouwen.

 

Geplaatst in Klassiekers.