Klassieker 151: Hans Andreus – Het lied van het morgenlicht

door Wim Kleisen

Meander Klassieker 151

Wim Kleisen bespreekt het gedicht ‘Het lied van het morgenlicht’ van Hans Andreus. Licht is het grondthema in de poëzie van Andreus. Ondanks zijn depressieve perioden komt hij steeds weer uit bij het licht. Zijn poëzie is ervan vervuld.

Het lied van het morgenlicht

Ik groet het morgenlicht maar of het zich laat groeten
de voeten der voorbijgangers laten zich beter groeten
wij moeten zeggen zij ondanks het morgenlicht
ik knik ze toe houd moed zeg ik het licht maakt je toch blij
ze knikken terug maar ze geloven niet ze gaan voorbij.

Het morgenlicht houdt zich nu bezig met de dingen
de pasgewassen trams de rails het draad erboven
de fietssturen de ramen en de raamkozijnen
de dingen kunnen in het morgenlicht geloven
het water van een gracht wordt zonder kleren aan
zo heilig als de heilige sebastiaan.

En ook de kar de man ernaast de haring op de kar
zij roepen eensgezind en zonder dat zij opzien baren
het morgenlicht nabij en ook ikzelf ik groet
het morgenlicht maar of het zich laat groeten
wij moeten zeggen wij dit is het morgenlicht
wij moeten zeggen wij het licht is ons gezicht
wij moeten zeggen wij het licht gaat eenmaal dicht.

Hans Andreus (1926-1977)

Uit: Muziek voor kijkdieren, De Windroos XII, UM Holland, Amsterdam, 1951.
In: Verzamelde gedichten, (ed. Gerrit Borgers, Jan van der Vegt en Pim de Vroomen), Bert Bakker, Amsterdam, 1983.
 
Natuurlijk
is het mijn schuld
als het licht daar niet is
waar ik ben

Vooraf
De tekst van dit gedicht is ontleend aan Verzamelde Gedichten, Amsterdam, 1983. Het is het eerste gedicht uit de eerste bundel van Andreus, Muziek voor kijkdieren. De bundel kwam in 1951 uit. Het ‘Laatste gedicht’ uit zijn bundel Laatste gedichten is eerder voor De Klassiekers besproken door Edith de Gilde. Zij gaat zeer uitvoerig in op de biografische aspecten van Hans Andreus. Ik verwijs hiervoor dan ook naar haar bespreking. Bovendien heeft Jan van der Vegt een heel informatieve biografie van Andreus geschreven: Hans Andreus. Biografie, Baarn 1995. Ik kan mij dus beperken tot de bespreking van het gedicht zelf. In hoeverre zijn ‘Laatste gedicht’ inspeelt op ‘Het lied van het morgenlicht’, komt wel aan de orde. In de Verzamelde Gedichten staan na dit gedicht nog verspreide gedichten, maar chronologisch is het ‘Laatste gedicht’ ook echt het laatste.

In ‘Het lied van het morgenlicht’ staat geen interpunctie, op de punt na die iedere strofe afsluit. De strofen bestaan uit achtereenvolgens vijf, zes en zeven verzen. Het rijm lijkt willekeurig en leent zich dus niet voor een bespreking. Het metrum is jambisch zonder antimetrieën. Op het eerste gezicht is de taal niet cryptisch, maar de metaforen moet je toch wel goed duiden, wil je tot een interpretatie van het gedicht komen.

Bespreking
Dit gedicht is puur visueel, zij het wel met een beschouwende visie. Gezien de biografie van Andreus mag je het in Amsterdam situeren. Je moet al een redelijk gevorderde leeftijd hebben – die waarop je jezelf nog niet zo oud vindt, hoewel je kleinkinderen zeggen dat je wel héél oud bent – een gevorderde leeftijd dus om het gedicht in zijn locatie te plaatsen: Amsterdam uit de vroege vijftiger jaren. Het is ochtend en de zon schijnt.

Visuele aspecten
Het morgenlicht is heel vluchtig, de voeten van de voorbijgangers zijn veel concreter. Waarom de voeten? Het point of view moet een kelderwoning zijn, waaruit je door het raam de voeten van de voorbijgangers ziet, meer niet. Erg veel blijdschap om het licht kan de ik-figuur niet bespeuren. Met de dingen is het anders. De pasgewassen trams weerspiegelen het licht, de rails net zo. Ook de elektriciteitsdraden erboven glanzen in het licht, zeker als er nog druppels van dauw of recente regen aan hangen. Het water weerspiegelt het licht nog veel sterker. Je kunt het duister ervan niet meer zien, het glinstert oogverblindend. St. Sebastiaan was een Romeinse officier die tot het christendom toetrad. Hij weigerde toen dienst en werd als straf naakt aan een boom gebonden en met pijlen beschoten, totdat hij stierf. Zijn lichaam moet oogverblindend wit zijn geweest, ook schilders die dit gebeuren schilderden, laten dit zien. Sebastiaan is heilig verklaard en dat wil zeggen dat er volgens de Kerk geen kwaad in hem was, evenmin als er duister in het water valt te bekennen.

En dan een scène waar je zo al vrolijk van kunt worden. Een haringkarretje. Zeker, als de zon erop schijnt. Het glanst en ook de zilverkleurige haring doet mee. Zelfs de man is blijkbaar blij gestemd. Al deze ‘dingen’ trekken het licht naar zich toe en weerspiegelen het. Zo kan ook een gezicht de innerlijke blijdschap weerspiegelen.

Beschouwelijke aspecten
Licht is ijl, je kunt het niet in je greep krijgen, zoals je dit met bijvoorbeeld zand wel kunt. Het is autonoom. De schoonheid ervan is aanstekelijk, je wordt er blij van, althans: dit zou zo moeten zijn. Met de voorbijgangers is dit niet het geval. Aan de haast waarmee zij lopen, kun je zien dat zij geen aandacht schenken aan het licht. Ze zijn laat, ze haasten zich naar de werkplek, naar werk dat vervreemdend is, dat geen voldoening schenkt. Werk dat je alleen om de beloning verricht. Het morgenlicht is er wel, maar zij moeten verder, hebben er geen tijd voor. De ik-figuur knikt ze toe, wenst ze moed toe het werk vol te houden, het licht zou hen toch blij moeten maken.

Wat is geloven? Kierkegaard zegt ervan: “Zichzelf willen zijn is gronden in die macht die ons geponeerd heeft.” Deze mensen zijn zo zichzelf niet, want – ik schreef het al – werk is voor hen vervreemdend. Zij voelen zich overgeleverd aan de macht van de dagelijkse realiteit, niet aan de macht die ons geponeerd heeft. In het vijfde vers van het eerste hoofdstuk van het evangelie naar Johannes staat: “Het licht schijnt in de duisternis, maar de duisternis heeft het niet begrepen.” In de vrijmetselarij is dit een heel bekende uitspraak.

De tweede strofe gaat over de dingen die wel in het licht kunnen geloven, een tegenstelling dus met de mensen in dit gedicht. De beelden en de metaforen zoals we die in de visuele aspecten hebben gezien, drukken dit uit. In licht is geen duisternis, geen kwaad, in het weerspiegelende water is evenmin die duisternis te zien.

Via de man met de haringkar komt de ik-figuur weer bij zichzelf uit. Hij wil het morgenlicht begroeten, maar het is te ijl en te vluchtig om het vast te houden. De ik-figuur laat de vraag of het zich laat begroeten onbeantwoord. Als er interpunctie had gestaan hadden we hier gedachtepuntjes gezien: ‘…’.

In de laatste drie verzen hanteert de dichter geen beelden en metaforen meer. Hoe lees ik deze zinnen? Je kunt, parallel met regel drie, het volgende lezen: ‘Wij móeten’, zeggen wij, ‘dit is het morgenlicht’. Het zinsaccent valt dan op moeten. Zo ook: ‘Wij móeten’, zeggen wij, ‘het licht is ons gezicht’. Zo zou het moeten zijn. Zo vanzelfsprekend als de dingen de blijdschap om het licht opnemen en weerspiegelen, zo zou ons gezicht dit ook moeten doen. In het laatste vers breekt het besef van eindigheid door, de vreugde wordt getemperd. ‘Wij móeten’, zeggen wij, ‘het licht gaat eenmaal dicht.’ Als je er nu niet blij om bent, wanneer zou het dan nog kunnen?

Maar je kunt deze verzen ook anders lezen, met het zinsaccent op zeggen. ‘Wij moeten zéggen, wij’, ‘dit is het morgenlicht’. Er is alleen het morgenlicht, puur, onvertroebeld. Dat schenkt ons vreugde. ‘Wij moeten zéggen, wij,‘ ‘het licht is ons gezicht’. Ons gezicht mag die blijdschap weerspiegelen, uitstralen. ‘Wij moeten zéggen, wij,’ ‘het licht gaat eenmaal dicht’. Vreugde en geluk zijn niet blijvend, ze zijn momentaan. Er komt een eind aan. Mensen zijn nu eenmaal eindig.

Tot slot
Licht is het grondthema in de poëzie van Andreus. Ondanks zijn depressieve perioden komt hij steeds weer uit bij het licht. Zijn poëzie is ervan vervuld. Blader de Verzamelde Gedichten maar eens door. Bij twee bundels verschijnt ‘licht’ ook in de titel: Klein boek om het licht heen (1964) en Om de mond van het licht, een kleine case history (1973).

En dan komt aan het slot het ‘Laatste gedicht’. Dichter en ik-figuur zijn samengevloeid. Het gedicht is strikt persoonlijk. Andreus heeft kanker, is ongeneselijk ziek. Hij is nu in alle hardheid met zijn eindigheid geconfronteerd. ‘…hoe moet het nu, waar blijf ik met dat licht / van mij, van jou…’ Die ‘jou’ noemt hij ‘Heer’ hoewel hij zich daar nauwelijks iets bij kan voorstellen. De slotvraag van dit sonnet: ‘Of is het dat jíj me er een onverdicht / woord dat niet uitgesproken hoeft voor vindt?’ Het had een regel van Achterberg kunnen zijn…

 

Geplaatst in Klassiekers.