Hollands Maandblad, februari 2012

Een mooie mix van proza en poëzie

door Joop Leibbrand

In zijn voorwoord bij het februarinummer van Hollands Maandblad komt Bastiaan Bommeljé met wat cijfers. De Nederlandse universiteiten leveren elk jaar bijna 1.300 masters af in de een of andere vorm van ‘Communicatie’, wat inhoudt dat er deze eeuw alleen al 15.000 academische communicatiewetenschappers zijn bijgekomen – nog los van de 24.000 communicatiedeskundigen op HBO-niveau. Tegenover die 1.300 masters in Communicatie staan 250 universitaire elektrotechnici, 21 afgestudeerden in de Bibliotheek- en archiefwetenschap en niet één Sanskritist. Cynisch stelt hij vast dat wij leven in een land waarin de bibliotheken verdwijnen, waarin de overheid heeft verordonneerd dat literaire tijdschriften geen steun mogen krijgen van het Fonds der Letteren, waarin de vaardigheid van het begrijpend lezen onder hoger opgeleiden meetbaar afneemt, en waarin het communiceren over geletterdheid veel profijtelijker is dan geletterdheid.
‘Iets’ in hem zegt, ‘dat het schemerduister van deze tijd pas zal opklaren als het besef doorbreekt dat één Sanskritist belangrijker is voor de samenleving dan 40.000 communicatiedeskundigen.’

Het is een ontboezeming die geheel en al bij het tijdschrift past, wars van populair doend modernisme als het altijd geweest is. Het is knap hoe Hollands Maandblad zonder fratsen of tierelantijnen nu al decennialang een soort norm is voor een kwaliteitsopvatting die vooral bepaald wordt door leesbaarheid, realiteitszin en een zekere ernst, ook als het om ‘speelse’ teksten gaat.

Dit nummer, met tien tekeningen van Michael Tedja, bevat weer een mooie mix van proza en poëzie van gevestigde namen en van debutanten. In ‘De grommende muis’ gaat Maarten ‘t Hart (1944) op muizenjacht bij zijn oude, licht dementerende moeder. Het is een typisch ‘t Hart-verhaal, met de vertrouwde sterke en zwakkere punten: vlot, levendig, en vooral beeldend beschreven, maar daarbij in de komische scènes vaak net iets te nadrukkelijk en te uitgesponnen. ‘Kat en muis’ van Frans Pointl (1933) is direct als van zijn hand te herkennen in het benepen realisme, de kwetsbare hoofdpersoon, de steeds duidelijker wordende suggestie van smoezelige homoseksualiteit. Een nóg oudere auteur draagt het sterkste verhaal bij, het met veel gevoel voor zelfspot geschreven ‘In het Onze Lieve Vrouwen Gasthuis’ van de in 1925 geboren A.L. Schneiders, niet te verwarren met zijn vorig jaar overleden bijna naamgenoot C.J. Schneider (F. Springer). Net als deze oud-diplomaat, zelfs ook oud-ambassadeur, maar niet de schrijver van een omvangrijk oeuvre.

Een jongere generatie prozaïsten is vertegenwoordigd met de debutanten Pieter van Boort (1974) en Bregje Hofstede en Roman Helinski (1983) van wie al eerder verhalen verschenen. Stilistisch gezien lijkt Hofstede de meeste potentie te hebben.

Gedichten zijn er van Leo Vroman (vitaal als immer), Anton Korteweg (onverminderd de ironie als levenskunst) en Piet Gerbrandy (verrassend toegankelijk) en verder van Ilse Starkenburg, Froukje van der Ploeg en Vincent Leguerre. Alledrie zijn ze zeer leesbaar. Dat geldt niet voor de taalacrobatiek van Hugo Brandt Corstius in ‘Palingdroomkust’. Zeker, het is knap, maar het komt op de een of andere manier over als een gepasseerd station.

*****
Abonnementen (12 nummers per kalenderjaar) €70,00. Studenten en docenten betalen €52,50. Zie de website van Hollands Maandblad.

Geplaatst in Recensies.