Albanië is voor mij poëzie

Een attente lezeres van Meander maakte ons onlangs attent op Gëzim Hajdari, een Albanese dichter die al twintig jaar in ballingschap in Italië woont. Sander de Vaan zocht contact met hem en spr@k met hem over taal als vaderland, vervloekte bergen, woorden als stenen en nog veel meer.

U leeft sinds 1992 in ballingschap en schreef ooit: “Mijn vaderland: mijn lichaam / Gëzim: mijn identiteit.”
Voor een dichter in ballingschap verworden lichaam en moedertaal tot vaderland, identiteit, collectief geheugen – een trefpunt voor verleden en heden. In de culturele context van mijn Italiaanse ballingschap vormt mijn lichaam, waarin mijn moedertaal en de taal van het gastland samenkomen, de enige redding voor die vervreemding.
Een reizend ‘vaderlandslichaam’ dus, dat door toedoen van taal een ‘ander’ lichaam wordt. En zo is mijn kritische en tegelijk hoopvolle epische roep ontstaan, als een direct gevolg van mijn pijnlijke verbanning. De pijn is losgeraakt van de oorsprong en leidt door de onzekerheid over de toekomst tot afwezigheid en scheuring, meditatie, gesprek en ‘suspense’. Dat gekwelde lichaam verwordt tot louter woorden, tot woordvoerder van het wezen van een mens, van het geheugen van een volk.
Met Mijn vaderland: mijn lichaam / Gëzim: mijn identiteit bedoel ik dat ik mij een wereldburger voel. Iedere dag weer schep ik een nieuw vaderland waarin ik sterf en herrijs. Dát is de ware ervaring van een balling. Voortaan zou de mens in een taal moeten leven, niet in een bepaald geografisch gebied. Althans, als we in dit nieuwe millennium werkelijk willen samenleven en ons lot met elkaar willen delen.

Hoe is het voor u om als dichtende wereldburger in ballingschap te moeten leven?
Het leven van een dichtende migrant is niet eenvoudig. Ik heb veel geleden, en met economische, psychologische en existentiële problemen te kampen gehad. Bovendien werd ik geconfronteerd met een zekere sociale vijandigheid en moest ik letterlijk zien te overleven.
In Albanië had ik allerlei baantjes, onder meer als boekhouder, fabrieksarbeider en literatuurdocent. In Italië heb ik als stalknecht, schoenmaker, assistent-typograaf en arbeider gewerkt. Momenteel geef ik lezingen op universiteiten in binnen- en buitenland. Als dichter in ballingschap loop je het risico een burgerlijke en artistieke dood te sterven. Het is verschrikkelijk om in een andere sociale en literaire omgeving een nieuwe identiteit te moeten creëren. Veel dichters die naar het westen geëmigreerd zijn hebben nooit meer iets kunnen schrijven, uit verdriet en heimwee, maar ook uit teleurstelling over de overgang van een totalitair geregeerd land naar de westelijke consumptiemaatschappij. Toch zijn er ook die zich uitstekend hebben aangepast, zoals Czeslaw Milosz en Josef Brodsky. Juist die kwelling en wanhoop kunnen soms tot een nieuwe impuls en inspiratie leiden.
Het is lastig om buiten je eigen taalgebied te leven. Sterker, veel geëmigreerde schrijvers ervaren de taal van hun ‘gastland’ niet als iets bevrijdends, maar als een bedreiging voor hun moedertaal en voor hun eigen identiteit. Daarom hanteren zij hun eigen taal vaak als een schild. Tal van buitenlandse collega’s in Italië zijn bang om in een vreemde taal te sterven en vervolgens niet fatsoenlijk begraven te worden. Neem de voortreffelijke Iraakse dichter Thea Laitef. Hij overleed in 1994 in ballingschap, waarna zijn lichaam nog een maand in een mortuarium lag omdat er geen geld was voor zijn begrafenis!
Nóg tragischer is het lot van Egidio Molina Leyva, een Zuid-Amerikaanse dichter die hier in ballingschap leefde. Toen hij hoorde dat hij ongeneeslijk ziek was, wilde hij terugkeren naar zijn vaderland om daar te sterven, maar hij werd bij de grens teruggestuurd. Nu rusten zijn stoffelijke resten in een anoniem graf op een begraafplaats in Rome…

U schrijft zowel in het Albanees als in het Italiaans. Hoe ontstaat anno 2012 een gedicht van u? In uw moedertaal of in het Italiaans?
Ik schrijf in beide talen. Zo kwel ik mijzelf in het Albanees en schrijf ik het vervolgens op in het Italiaans en vice versa. Het betreft hier geen tweetaligheid, maar een ‘dubbele taal’, een taalonteigening. Poëzie wordt taalmigratie, een onteigening van dat wat je eigen is en toeëigening van het oneigenlijke.
Mijn migratie is niet de migratie van het ene land naar het andere land, maar van de ene taal naar de andere taal. Wanneer ik schrijf, ben ik een taalmigrant. Mijn werk vormt een corpus, een ‘collectief’ lichaam, dat tussen twee talen in hangt, tussen twee landen met hun respectieve geschiedenis.

Is taal ook het énige ware vaderland?
Emil Mihai Cioran merkte op: “We wonen niet in een land, maar in een taal”. En Edmond Jabès ging nog verder, door te zeggen: “Het is de gastvrijheid van de taal die de vreemdeling van de kilte van de vreemdheid redt”. We moeten voortaan leren om in een taal en niet in een bepaald gebied te leven. De ware identiteit is in dit millennium gerelateerd aan een taal. Mijn eerste vaderland is het Albanees, maar mijn tweede vaderland is het Italiaans geworden, want poëzie is niets anders dan leven in een oorspronkelijke taalervaring.
Het Arabisch kent geen specifiek woord voor ‘natie’, maar enkel woorden die dat begrip benaderen, zoals ‘sha’abk’ (volk), ‘qawn’ (stam), ‘xhins’ (soorten) of ‘umma’: ‘Al –umma al muhammadiya’ (de gemeenschap van alle moslims) en ‘Al-umma al-arabiya’ (de gemeenschap van Arabischsprekenden). Arabieren noemen de Verenigde Naties ‘Al-ummam al-muttahida’, oftewel: de gemeenschap van alle religies. Het woord ‘natie’ is een product van de Franse revolutie. Het met geweld benadrukken van je eigen wortels, cultuur en landsgrenzen leidt per definitie tot verdeeldheid.

Wat is voor u poëzie?
Een gedicht is voor mij een lied. Ik richt mij niet tot een lezer, maar tot een volk. Ik zie het als mijn plicht om mijn volk te vertellen over de geschiedenis van onze mensen. Ik voel me een dichter-voordrager die verhaalt én zingt over de glorie van verleden en heden. Mijn opa en vader kenden twaalfduizend verzen uit hun hoofd en hebben mij een mondeling testament nagelaten, opdat de traditie van mijn eigen familie, afkomstig uit de ‘vervloekte bergen’ (Bjeshkët en Nëmuna) in Noord-Albanië, niet verloren zal gaan.
Gelukkig vond mijn culturele vorming in de vorige eeuw plaats. Ik ben opgegroeid met Albanese epiek. In mijn tienerjaren las ik elke avond voor het slapen gaan populaire liedjes over de heldendaden van de Shqipëtar-krijgers, die hun volk tegen indringers beschermden. Eeuwenlang is dat gebied het toneel geweest van grote tragedies. In de valleien, bossen, grotten, nabij de rivieren en op de bergtoppen huisden onder anderen feeën en elfen, net als in heidense tijden. En juist daar, in Bjeshkët en Nëmuna waren de ‘Kanun’ (een mondelinge juridische codex) en de ‘Besa’, het gegeven woord, van kracht.
Als ‘voordrager’ van mijn volk wil ik het woord zijn waardigheid teruggeven en een epische, muzikale dimensie bieden die in de minimalistische poëzie verloren is gegaan.

Er komen veel stenen voor in uw gedichten; misschien toch een metafoor voor een fysiek vaderland?
Het woord steen staat niet alleen voor het ruige landschap in mijn geboorteland en dat van mijn gastland. Het staat ook symbool voor de poëzie als vrucht van harde arbeid, als duurzame kracht, én tegelijkertijd ook voor een poging om ‘harde’ woorden uit de menselijke ervaring te ‘breken’. Vanonder de steen bevrijdt de dichter zijn ‘dwaze dromen’ en brengt ze via de poëzie aan het licht. En de dichter gooit stenen naar de geschiedenis, naar het onvolledige heden, naar de samenleving die zich laaft aan een golf van conformisme.
De rots is, net als bijvoorbeeld water, zand of vuur een eenvoudig, maar existentieel element dat herinnert aan de oorsprong van de wereld. Verder zijn dit ook elementen die verband houden met het wezen van de mens, die zich vragen stelt over zijn eigen bestaan en redding. Stenen geven ook onze gezichten en stemmen door. Vóór het schrift vertelden stenen al over onze rituelen, codes, huwelijksgeloften en goddelijke toorn. Woorden als stenen.

Welke projecten heeft u voor de naaste toekomst?
Dit jaar publiceer ik onder meer een sage van ruim 400 bladzijden over de ‘genocide’ van de Albanese poëzie tijdens de communistische dictatuur van Enver Hoxha. Verder ga ik naar Oeganda, waar ik samen met de Sisters of Mother Maria meewerk aan de bouw van een kleine school. En dan zijn er nog tal van lezingen, onder meer aan de universiteiten van Montpellier, Avignon en Kopenhagen.

Denkt u er nog over om terug te keren naar Albanië?
Ik bevind me altijd in Albanië, waar ik ook ben en Albanië leeft in mij. Bovendien wordt een dichter geboren om ergens anders te sterven. De Griekse Stoïcijn Epictetus zei ruim tweeduizend jaar geleden: “Op de vraag waar iemand vandaan komt, moet je niet met Athene of Korinthië antwoorden, maar ‘uit de wereld’.” Zoals ik al eerder aangaf, zorgt ballingschap ervoor dat geografische banden vervagen en je uiteindelijk niks anders rest dan je eigen lichaam. Waarom zouden er Albanezen of Nederlanders voor hun vaderland moeten sterven? Voortaan kunnen we het ene vaderland voor het andere inwisselen, net zo makkelijk als een liefde. De Heilige Augustinus zei dat vaderland wijsheid is. Voor mij is Albanië poëzie.

Geplaatst in Interviews en getagd met .