Joris Iven – Braziliaans blauw

Geen hype, wel gewoon goed
door Yves Joris
‘Ik zucht. Totaal gefrustreerd kijk ik naar mezelf in de spiegel. Ik haat mijn haar! Het wil gewoon niet zitten. En ik haat Katherine Kavanagh ook, omdat ze zo nodig ziek moest zijn. Ik word gewoon aan deze beproeving onderworpen. Ik zou voor m’n laatste tentamens moeten studeren, die volgende week al zijn. In plaats daarvan probeer ik nu mijn haar in bedwang te krijgen. Ik moet niet met nat haar gaan slapen. Ik moet niet met nat haar gaan slapen.’

Als ik de boekenverkopers mag geloven, dan zijn deze openingszinnen reeds door miljoenen mensen gelezen. Stiekem op de trein op de tablet, maar net zo goed open en bloot op het strand. Vijftig tinten grijs. Je kunt er niet naast kijken. Slapgeschreven softporno die de mensen ertoe aanzet de slaapkamer om te bouwen tot een hobbykamer van een geschifte doe-het-zelver. Hoe slechter het boek, hoe beter de verkoop, lijkt het credo te worden van de post-postmoderne uitgever.

En dan ligt daar op mijn nachtkastje een bundel die de euvele moed heeft om ook kleur te bekennen: Braziliaans blauw van Joris Iven. Deze zevende bundel, uitgegeven bij de Leuvense Uitgeverij P, is onderverdeeld in twee grote blokken: Braziliaans Blauw, het eerste deel en tevens titel van de bundel, verwijst naar een zeldzame soort blauw waarmee o.a. de Belgische symbolist Fernand Khnopff graag werkte. Het tweede deel, Bloedrood, dankt zijn ontstaan aan de heftigheid, de energie van deze kleur. Blauw versus rood, zeldzaamheid tegenover passie.

In zijn gedichten glijdt Iven in de huid van verschillende personages en laat ze in hun eigen taal brieven aan elkaar schrijven. Bessie Head pent haar bekentenissen neer aan de Zuid-Afrikaanse dichter Breytenbach. Dimitri Sjostakovitsj deelt zijn ontboezemingen met Isaak Glikman. We zijn getuige van de toenadering tussen Joris Iven en Joris Ivens. Cesare Pavese fluistert liefdeswoordjes in het oor van zijn Constance Dowling. Meerdere (al dan niet fictieve) koppels passeren de revue en schrijven hun eigen verhaal.

In de recensie  van de bundel Alles bij elkaar schreef ik eerder over het werk van Iven waarin hij over het werk van de Mexicaanse kunstenares Frida Kahlo dichtte: ‘(…) Als lezer zat ik te wachten op een verrassende wending, op een ingreep van de dichter waarbij hij zich tussen de lijdende Kahlo en de realiteit zet, wat een gemiste kans is. En zo gaat het tien bladzijden voort. Mooi voor iemand die vertrouwd is met het leven en werk van de schilderes, maar voor anderen zullen de exotische namen en verwijzingen naar schilderijen weinig meerwaarde bieden.’

Bij eerste lectuur had ik dan ook schrik dat de dichter zich zijn onderwerp weer zo eigen gemaakt had, dat ik als lezer verloren zou lopen in de details. Deze keer trapt hij niet in dezelfde val, maar toch is het gebruik van Google meer dan eens nodig. Gelukkig biedt de bundel zelf al een uitgebreide aantekeningenlijst waardoor je als lezer je vooraf kunt voorbereiden op de lectuur van de lange gedichten.

 

Ontboezemingen van Dimitri Sjostakovitsj
aan Isaak Glikman

1

Zoek geen ontboezemingen in mijn aantekeningen.
In brieven ben ik oprecht. Zwijgen is welsprekend.

Enveloppen en briefkaarten zullen echt geen ander
stempel dragen dan dat van mij. Nee, geen censuur.
Je mag een verstokte huismus blijven, maar ik vraag

je oor voor het verhevene van het meest lege largo,
de lyriek van het scherzo, het strakke van het adagio,
de pathos van de zware finale. Ik ben erg vermoeid.
Ik mag niet weg uit Koejbysjev. Neem wat proviand

en kom me bezoeken. Spreek met mij in elastische,
afgeronde zinnen. Wees kort over de feiten. Je hebt,
net als de zon, je vlekken. We praten over het leven,
over brood en boter, pondappels en wodka, ons pasje,
delicatessen. Zal de tijd ooit verdriet kunnen lessen?

2

De telefoon is de vijand van de brief. Ik houd het kort.
Ik ben beroofd van twee elementaire gemakken, water

en licht. En ik word geconfronteerd met zo vele,
walgelijke debatten, terwijl ik wil schrijven aan een
vioolconcert. Mijn pen beheerst de epistolaire stijl

zo slecht. En bij petroleumlicht kan ik niet schrijven.
Het donker is zenuwslopend en mijn zenuwen zijn
al dolgedraaid. Maar de gebeurtenis is wel gebeurd.
We zijn verhuisd. Wanneer ik me nu nog kan kleden,

ben ik helemaal tevreden. We zijn gezond, we hebben
eten. Wanneer je komt, tracht wodka mee te brengen
om zo de dood van onze geestgenoot Ivan te herdenken.
Ik zal je kip tabaka schenken. Schrijf me. Wat met de pen
geschreven wordt, is met geen bijl meer om te hakken.

3

Al hakken ze mijn beide handen af, ik zal muziek
blijven schrijven. Met de pen in mijn mond. Er is

niets te eten. Katten en honden zijn er niet meer.
Ik heb geen telefoon, geen meubels. Alleen muren.
Wie oren heeft, die hore. Ik schrijf een oratorium.

Svesjnikov repeteert mijn koren. En Sergej slaapt,
terwijl de verliefde lippen nu zo dichtbij zijn.
Kom mijn verjaardag vieren. Breng zalm en paling
mee. Best gerookt. Ik zoek een bemoedigend

woord, voor mij onontbeerlijk, als hars voor elke
strijkstok van de virtuoos. Dans de hopak met me.
Vergeet de toespraken vol huichelarij. De vlaggen,
de leuzen, de spandoeken. De juichkreten ter ere
van het rode vaandel. We moeten patience spelen.

4

Ik ben bang voor de treinreis. Ik wil een hypnotiseur
bezoeken. De vlektyfus heerst. Bind zakjes knoflook

om hals en polsen. Insecten houden niet van die geur.
De zomer is weer voorbij en ik ben ziek geweest. Fout
gerecht gegeten? Maar de muzikale diarree gaat door.

Ik componeer voor mezelf een requiem en vergiet
evenveel tranen als het onbenul urine na zes pullen
bier. Vanochtend vloog een mus de serre binnen en
bevuilde de partituur. Geen verweer tegen het lot?

Ik dwaal in de hoofdstraat van Komarovo, weg van
mijn houten datsja in dat bebost ravijn. Kon jij nu
maar bij me zijn. Luisteren naar Benjamin Britten.
Kijken naar de oerossen, de everzwijnen, de herten.
Ik schrijf met rood. De zwarte pen is helemaal leeg.

5

Ook ik ben leeg. Op mijn vijftigste was ik oud.
Wat had ik al niet? Ik had buiktyfus en ik kreeg

nadien een vervelende en langdurige griep.
Een ware haard in de linkerlong. En difterie,
gezwollen gezicht, en bolle, paarse wangen.

Ik zweet voortdurend en verwissel mijn hemden.
Mijn maag vraagt een dieet. Mijn lever speelt op.
En dan is er mijn rechterhand, mijn scheppend
potentieel. Kan geen jas aan een haakje hangen.

Spelen kan ik pianissimo en ik oefen alle letters.
Masja draagt een jasje. De mens krabt zijn pens.
Ik krijg elke dag drie injecties. Als ik wil kuchen,
schieten de ogen uit mijn kop. Ik slijt, maar aan
alles komt een eind. Wees jij gezond. Rust uit.

Hier is nergens meer sprake van de wijdlopigheid uit Alles bij elkaar . Door bewust te kiezen voor de oervorm van het sonnet dwingt de dichter zichzelf, met succes, in een keurslijf. Iven serveert zijn lezers echter niet het gewone sonnet met 2x 4 regels, volta, 2 x 3 regels. Nee, hij is wel uitgegaan van 14 regels, en dan wel de ene keer/het ene gedicht 2, 3, 4, 5, en het andere 5, 4, 3, 2. Geen eindrijm, maar wel klankherhalingen en –verschuivingen.

Het gedicht zelf ontleent zijn bestaansrecht aan het boek Kroniek van een vriendschap: brieven aan Isaak Glikman (waarvan hier een prachtige recensie te lezen is). Iven toont ons het leven in woord en klank, net zoals de componist Sjostakovitsj het deed. We worden meegezogen in de terreur van het Communisme dat het gelaat van Stalin draagt.
Iven is een kind van zijn tijd. De meeste van zijn gedichten gaan over figuren die zijn denken, wereldbeschouwing en overtuiging beïnvloed hebben. Iven wordt binnenkort 59 jaar. Zijn invloeden situeren zich dan ook in de periode tussen studie en jaren daarna, 1974-1984. De figuren die zijn bundel bevolken zijn elk op hun manier ooit wel eens in aanvaring gekomen met het establishment. Breytenbach en Bessie Head staan voor alles wat het apartheidsregime in Zuid-Afrika heeft aangericht. Pavese was een overtuigde communist die zelfmoord pleegde om wille van een onbeantwoorde liefde. Over wel en wee van Sjostakovitsj viel al in het gedicht hierboven te lezen, …
In Braziliaans Blauw neemt de dichter ons mee in hun wereld, ervaringen, beelden en taal. Als hij in ‘Aantekeningen van James Ensor voor Emile Verhaeren’ schrijft:

Jij weet waar ik ben opgegroeid: in een souvenirwinkel
met schelpen, Chinoiserieën, glazen kralen en sieraden,

poppetjes en opgezette dieren. Driemasters in flessen,
badkarren in miniatuur. Ik ben geboren op de Venusdag.

dan denkt de lezer meteen aan de Belgische kust, Oostende, James Ensor. Iven wil met taal (en beelden) de wereld van een figuur en de figuur zelf oproepen. Dus liet hij hem corresponderen met iemand uit zijn wereld. Sommigen hebben dat echt gedaan, zoals Dimitri Sjostakovitsj en Isaak Babel, Vincent aan Theo van Gogh, Gustav aan Alma Mahler, Robert Lowell aan Elizabeth Bishop; anderen hebben dat nooit gedaan.

Omdat ik zelf geen andere voorbeelden ken van dichters die hun onderwerp in dialoog laten treden met anderen vroeg ik aan de dichter zelf of hij zich liet beïnvloeden door bekende voorbeelden. Zijn antwoord is even simpel als oprecht: ‘Ik ken eigenlijk ook geen voorbeelden van dichters die dergelijke poëzie schrijven. Van opzet is dit een nogal intellectuele bundel; de achterliggende ideeën zijn intellectualistisch, maar de uitwerking is erg concreet en creatief (mag ik hopen). Of: dat was alvast mijn bedoeling.’

Voor mij is Iven zeker in zijn opzet geslaagd. De kiem die in Alles bij elkaar alles dreigde te overwoekeren, is binnen het keurslijf van zijn sonnet opengebloeid tot een poëzie die zowel in woord als beeld het ontdekken waard is.

Geplaatst in Recensies.