Klassieker 165: Hans Faverey – Alsof zij daar ligt, nu

door Ton Naaijkens

Meander Klassieker 165

De poëzie van Hans Faverey heeft een groot stempel gedrukt op de Nederlandse naoorlogse literatuur. Stuitte zijn werk aanvankelijk op tegenstand, langzamerhand kregen critici en lezers oog voor deze poëzie. Ton Naaijkens ontsluit voor ons één van zijn gedichten.

*

Alsof zij daar ligt, nu
hier is gaan liggen, en aanbiedt
wat zij onthult: een duin, blakend

op haar zij, een waarsprekende
waaier, de rilling die mij opricht;

en geur, ooit zo doorhuifd als alleen
verbeelding het wil, opdat zij uitmaakt
hoe het is. Niet hier immers, door mijn
ogen niet, is zij opgewekt om toen
daar te gaan liggen, zich te doen
zoals het wordt.


Hans Faverey (1933-1990)

Uit: Tegen het vergeten (1988)
In: Gedichten 1962-1990 (ed. Marita Mathijsen) (2010)
Uitgever: De Bezige Bij

Over de gedichten van Hans Faverey is veel geschreven via filters. Vaak waren die filters gewoon mensen, bijvoorbeeld bevoorrechte lezers als Rein Bloem, Paul Claes en Piet Gerbrandy, of nauwgezette vertalers als Francis Jones. Als filters fungeerden ook enkele interviews die de dichter gegeven heeft, o.a. met Tom van Deel in De Revisor.

De meest concrete filters zijn geen mensen, maar woorden, meer in het bijzonder aanwijzingen in de gedichten waaraan een bekend verhaal kan worden opgehangen. Woorden die naar andere woorden en naar andere teksten verwijzen, naar mythologieën, filosofieën, namen etc. Intertekstualiteit vaststellen, citaten herkennen, geschiedenissen beseffen: het is natuurlijk een dankbare ervaring, een die ook houvast geeft bij het lezen van gedichten die vaak als ingewikkeld gelden. Zo komt in de bundel Tegen het vergeten Persephone voor, en het is goed om te weten dat deze vrouw volgens de mythe meegetroond is naar het dodenrijk maar jaarlijks weer opstaat uit de dood, ter viering van nieuw leven en de aanbrekende lente. Dat verhaal past haarfijn in het werk van Faverey, die om met Gerbrandy te spreken in elk gedicht ‘de dood op afstand wil houden’ [De Groene, 25 oktober 2010, p. 47] en dat in het besef dat hij daar niet in zal slagen.

Rein Bloem noemde dat zoeken naar houvast ooit het ‘uitnodigende’ en ‘stimulerende’ van Faverey’s gedichten: ‘zoek eens iets op, echt nodig is het niet, maar je weet maar nooit wat je gebruiken kunt. Op die manier wordt de lezer een strandjutter en het geheim van de voorwerpen die teruggevonden worden, blijft dan dat hun combinatie onvoorspelbaar is en open staat voor allerlei duidingen die er niet veel toe doen’ [in Lees dat, p. 13].
Nu weet ik van reacties op het werk van de Duitstalige dichter Paul Celan (1920-1970) dat de impuls om je als lezer even encyclopedisch op te stellen als de auteur, vaak gezien wordt als pressie, als een dwangmiddel. Wat weer niet goed is voor het gedicht, hoe onterecht het bezwaar ook is. Waarom zou je als lezer niet evenveel moeite doen als de maker van het gedicht? Maar soms is het ook goed om een tegengif te gebruiken en de gedichten filterloos te lezen – zonder het [door ons wetenschappers] zo geliefde want makkelijke houvast van de verwijzingen.
Direct lezen, niet via de omweg van kennis elders. Dat moet te proberen zijn. Zeker in het geval van Faverey, die soms een gedicht gewoon ‘een versje’ noemde [interview Van Deel], met niet veel meer bedoeling dan om ‘de tijd te stoppen’.


Dat speels eenvoudige, dat beheerst terloopse van Faverey, dat komt eigenlijk het best tot zijn recht in de vele gedichten waar je met geen mogelijkheid kunt terugvallen op het verhaal dat er mogelijkerwijs aan ten grondslag ligt of op de naam die een bepaalde betekenislaag opdiept. Faverey mikt er in veel gedichten ook op, de gedichten worden gezegd zoals ze worden gezegd, meer is er niet; de neiging om er iets achter te zoeken kan beter onderdrukt worden. Het volstaat de gedichten te tonen, in al hun lijfelijkheid, als beeldende kunst als het ware. Hoe dan erover praten? (1) Ik probeer het met ‘Alsof ze daar ligt, nu’ uit de bundel Tegen het vergeten(1988).

Het is een gedicht met een structuur die we van Faverey herkennen, in vele variaties, hier 3-2-6-regelig. Een gedicht dat je als doorgewinterde, dat wil zeggen 21ste-eeuwse poëzielezer meteen kunt lezen als een tekst die verwijst naar zichzelf: alsof de vrouw die daar ligt het gedicht zelf is en zich uiteindelijk precies zo aanbiedt ‘zoals het’ – in de laatste regel – ‘wordt’. ‘Zoals het geworden is’, ben je geneigd te denken, geneigd te schrijven: dat is ook precies de kloof tussen het schrijven en het lezen, de tijd die eroverheen is gegaan, tussen toen en nu. En dat dan met een gedicht dat in de tegenwoordige tijd staat en met tegenwoordige deelwoorden werkt. Het gedicht moet aanwezig zijn in het nu, vandaar het ‘blaken’ en ‘waarspreken’ dat nu plaatsvindt. Vandaar dat bepalen van ‘hoe het is’. Het is zo. Er is een gedicht gemaakt.


Maar daar ligt geen gedicht maar een vrouw (2).  Weliswaar als het ware (‘alsof’), maar toch, of niet ‘niet hier immers’. En het is niet de enige vrouw die in Faverey’s gedichten ‘ligt’, ‘languit in haar bad’ bij voorbeeld [660, 652] (3), een vrouw laat zich neervallen op haar bed ‘zoals zij daar neer viel’ [652, 644], een vrouw die ‘eerst haar haar / voorover schudt, het bijeen neemt – met beide handen, en het dan al // haast naar achteren gooide’ [592/ 584] of de vrouw zoals zij zich soms ‘geeft, of niet geeft’, en ook een vrouw die tegelijk ‘een roodharige blonde brunette’ [645/ 637] kan zijn. Dat liggende is wel essentieel, denk ik, alsof je een horizontale lijn kunt trekken door dat wat verder een groot gewelf is, een streep door een cirkel, dat wat in Faverey’s late poëzie ‘het omringende’ heet [645/ 637] of ‘het zijnde’ waarover een huif gaat [646/ 638], ‘het aanwezige’ [582/ 574], de nacht ‘al maar omgaand in zijn rondte’ [645/ 637]. De lijn die de cirkel ‘doorhuift’. Zulke gewelven ken ik uit de gedichten van Ernst Meister (1911-1979). Meister spreekt ook van ‘het zijnde’, ook van ‘de leegte’ of van de ‘wandloze ruimte’. Maar ik zie ineens het verschil: diens gedichten gaan eerder alleen de kant van de filosofische doorgronding op, bij Faverey is het andersom. Niet het omringende is te doorgronden, maar de aardse lijnen die erin getrokken worden. Dat maakt zijn poëzie heideggerloos en meer oosters, taoïstisch, dichter bij de ervaring van de natuur, hier in de vorm van een vrouw.


De natuur in de vorm van een vrouw. En de vrouw verandert in de illusie dat zij er is (‘alsof zij daar ligt, nu’). In een ander gedicht wordt ze een esdoornblad en vervolgens een waterdruppel, in dit gedicht wordt ze een duin, een waaier en een geur. De vrouw als duinlandschap bevestigt het denken in contouren, de grote cirkel en de lijn die het doorbreekt, goed voor een ‘rilling die mij opricht’. Dat is de verbeelding die het gedicht uittekent. In lijnen en een geur. En het is mooi te zien in dit gedicht dat dit behalve op een bepaalde plaats ook plaatsvindt in een bestek van tijd, in een ‘nu’ dat op het laatst’ en binnen acht regels ‘toen’ heet, ‘om toen / daar te gaan liggen’, waardoor je meteen beseft dat er aan het nu van regel 1 een tijd voorafgaat, waarin de vrouw blijkbaar stond of liep; en dat er na het liggen nog een tijd volgt, in een toekomst, ‘zoals het [in de laatste regel] wordt’.
Ik kan nu niet meer direct lezen, want misschien is dat opduiken van die vrouw in het duinlandschap, de vrouw die ‘opgewekt’ is als Lazarus, wel een soort Persephone. Het zou de rilling verklaren die er bij de ik voor zorgt dat hij zich ‘opricht’, als gevolg van liefde en verlangen en de behoefte haar weer te zien. Lente, lichamelijke lente. De beelden gaan in elkaar over, van vrouw in duin in waaier in geur, dusdanig dat ze als geheel de ruimte innemen die ze nodig hebben: ze overwelven alles en doordringen alles, vandaar dat aparte nieuwe woord ‘doorhuifd’. En net als de beelden vloeien ook de handelingen in elkaar over – aanbieden, onthullen, waarspreken, uitmaken en dan ten slotte wederom een apart nieuw werkwoord ‘zich doen’. Ik lees dat als het inslikken van het woordje ‘voor’ van ‘zich voordoen’. Zo wordt de illusie waarmee je het gedicht bent binnengekomen, ‘alsof zij daar ligt, nu’, omgedraaid – van illusie naar realiteit [ten positieve gekeerde desillusie], een aanbod en een onthulling. Ze doet zich niet voor, ze doet.


‘Een ontstaan en een verdwijnen, waarschijnlijk,’ luidde Faverey’s antwoord op de vraag van Tom van Deel wat er in een gedicht van hem eigenlijk gebeurt. ‘Een dergelijke exercitie in verdwijnen en verschijnen kun je, als je wilt, in elk gedicht herkennen, nog voor je dat gedicht hebt gelezen. Wat er dan precies verschijnt en verdwijnt, en waarom, blijft in het midden’. Dit is zo’n eenvoudig gedicht, dat tot de rust leidt die gelegen is in dat wat zich voordoet. Toch wordt de schildering wel heel erg apart op het doek gezet, omgekeerd, alsof het duin de ronde heup van de vrouw is, en met een flinke verrekking van de grammatica, die eigenlijk nauwelijks opvalt (een waaier die waarspreekt? een duin die blaakt? een geur die doorhuifd is? een vrouw die zich doet? Het zijn woorden uit verschillende velden, verbogen voor de gelegenheid, iets dat Faverey vaker doet (4).
Hier sluipt het ongemerkt binnen in een eenvoudig beeld, waarin een vrouw opgaat in natuur, haar ‘ik’ zich met ‘zich’ verstrengelt (5). ’M’illumino / d’immenso’ schrijft Giuseppe Ungaretti in de bundel L’Allegria (1931), ‘mij verlicht / het onmetelijke’. Hij schrijft dit handjevol woorden op 26 januari 1917 in Santa Maria La Longa, in de Eerste Wereldoorlog, in de loopgraven aan het Isonzo-front. De kosmische koepel wordt ook hier doorbroken door een liggende lijn, de loopgraaf, de soldaat die daar gelegen is. De vrouw van Faverey is talloze malen abstracter, ‘niet hier immers’, maar ook talloze malen echter want zijn gedicht heeft geen historische tijd nodig, het heeft genoeg aan zichzelf.

Maar meer dan Ungaretti of andere gedichten speelt de poëzie van Stéphane Mallarmé een rol in dit gedicht, en de aanwijzing hier zit in de ‘waaier’. Het is goed denkbaar dat de ‘waarsprekende waaier’ de plaats is waar de vrouw en het duin onthuld worden: alsof zij erop afgebeeld staan en zichtbaar worden zodra de waaier opengeslagen wordt. In Mallarmé’s befaamde sonnet ‘Éventail’ wordt een waaier met een vleugel vergeleken en het opengaan ervan met het ontstaan van een gedicht. Ook daar is het opengaan van de plooien van de waaier geërotiseerd en wordt verwezen met een vrouw die zich aanbiedt.
Rein Bloem legde ooit een verband tussen Mallarmé en drie of vier waaiergedichten van Faverey, waaronder ‘Alsof zij daar ligt, nu’. ‘In de bundel Tegen het vergeten (die oorspronkelijk Tegen het vergeten en de dood zou heten) wordt de poëzie als overlevingskans benut. Wat in de realiteit niet mogelijk is, komt hier tot stand. Elk tijdbesef valt weg, er is geen dood op komst maar leven, de wind laat verstek gaan, het zicht is onbeperkt, want de waaier schermt niet af maar valt samen met de vrouw. (…) Er is geen verschil meer tussen bewegen en stilstand, “alles schwebt”, zou Anton Webern zeggen. Geen verschil tussen warmte (blakend) en kou (rilling). Uitersten zijn ineen geklonken, zo lang als het duurt. De waaier is de verte nabij. Je tast met verre vingers naar de naakte waarheid, belichaamd in de volop aanwezige, onplooibare vrouw als een landschap aan zee, eventueel met zicht op van alles en niets.’ (6)

____

Ton Naaijkens

 

1) Er is nog een tweede neiging, die om de gedichten uit te leggen met de woorden die uit de gedichten zelf komen – alsof het inderdaad de enige manier is waarop wat gezegd moest worden gezegd kan worden. De dichter zal het begroeten, maar dat is dan wel buiten de lezer gerekend die wil uitdrukken wat hem bewogen heeft bij het lezen ervan.
2) En ze ligt er ‘nu’ – en dat betekent ‘naakt’ in het Frans.
3) Vrouw in de badkuip nogmaals [535]. De cijfers tussen […] verwijzen naar de paginanummers in de uitgave Gedichten 1962-1990 (2010)
4) Ongrammaticaal ook: ‘werd ik verdwenen’, ‘zich een aap laten geworden’ 351, ‘de zich geopende mond’ [371], ‘ten dinge gekeerd’ 396, ‘hoe het is zich vernietst’ [487].
5) [344] ‘die ik met zich had verstrengeld’, opgaan in iets anders, natuur, jezelf, een ander [vgl. ‘juist zij is het // die afkomstig is uit zichzelf’].
6) ‘Eventueel’ in: Filter, tijdschrift voor vertaalwetenschap, jg. 1, nr. 1 (1994), p. 48-52. Daarin ook een tekst van Tonnus Oosterhoff: ‘Eventuele’, p. 59: ‘Is Madame gekleed in gene zijde? Het is alles moeilijk te zien.’

Geplaatst in Klassiekers.