Harry Vaandrager – Koprot

Een ongemakkelijk boek 

door Joop Leibbrand

Over Harry Vaandragers romandebuut Aan barrels schreef Piet Gerbrandy: ‘De grofheid van de taal, de brute kracht van de beelden en de walging van het bestaan spatten de lezer tegemoet.’
Drie kwalificaties en evenzovele aanbevelingen, zal de uitgever gedacht hebben en hij plaatste de uitspraak op het achterplat van Koprot, de verhalenbundel waarmee Vaandrager de weg die hij met Aan barrels insloeg, vervolgt. Het boek werd voorzien van een donkerrode kaft en diepzwart, vet gedrukt, duidelijk met de bedoeling agressiviteit uit te drukken.

Vijf verhalen bevat Koprot: ‘Het zwart’, ‘Doodloper’, ‘Hatchi Kenatchi’,’Schennis’ en ‘De man van ver. Het is misschien beter te spreken van taalbouwsels, omdat er van verhalen in de gebruikelijke zin van het woord nauwelijks sprake is. Er is geen doorlopende verhaallijn, geen traditionele verteller, een plot ontbreekt, en naast min of meer ‘gewone’ personages met wie er voor de lezer nog enige identificatiemogelijkheid is, wordt ook de gedachtewereld van ‘het zwart’, ‘de wormen’ en zelfs, sprekend namens de dingen, ‘een moker’ opgevoerd. In innerlijke monologen vertellen de teksten zichzelf in een aanhoudende stream of consciousness; staccato, hijgerig, met veel beknopte constructies. Het is een bijna eruptieve manier van schrijven, waarbij er in de stijl – en dat is duidelijk opzettelijk zo bedoeld – voortdurend iets wringt. Steeds is er wel een woord dat binnen de context van het taalveld detoneert en zijn er grammaticale afwijkingen.

Het is niet moeilijk om in dit werk de centrale idee aan te wijzen, want Vaandrager legt dat er dik bovenop: het leven is het resultaat van de spanning tussen doodsdrift en levensdrift en daarom blijkt op vrijwel elke bladzijde een bijna obsessionele preoccupatie met dood en seks. Zo ervaart in het eerste, meest ambitieuze verhaal een gestorvene – nog altijd in het bezit van bewustzijn en waarnemingsvermogen – het rottings- en verteringsproces van de dood:

Als klein jochie zat ik al vol wormen. Spoelwormen. Na iedere pogang liet ik een kluwen wit gekrioel achter. Duurde tot mijn zevende. Ik op de keukentafel geknield, peuterde jij moeder er met wattenstokjes honderden tegelijk uit mijn anus.

Ze kronkelen door me heen. Vreten zich naar binnen, en naar buiten. Vreten me kaal. Kaal, kaler, kaalst. Ik word al snel ge­castreerd. Van mijn pik resteert een lullig strengeltje zaadlei­der. Verder is niet meer te zien dat ik een man ben geweest. Mijn oogkassen waren al na een dag of acht leeg. Ogen, vinden ze overheerlijk de wormen. Op dit moment gaat een kolonie tekeer aan mijn endeldarm. Goddeloos delicaat, enkel karkas te worden. Gescheten. No pain, no gain. Mijn lever is een uit­gespuwde hap bruine bonen. Van mijn nieren is niet veel over. Geldt ook voor blaas, milt en lymfeklieren. Mijn galblaas vin­den ze blijkbaar niet zo kostelijk. Die is nog vrijwel intact. Is het de blues van een bordeel om vier uur ‘s ochtends? Nee, het is groots en meeslepend ontzielen. Dat. Niets minder, veel meer. Mijn botten verdragen geen vlees. Weet ik inmiddels. Ik ben nu zoals ik bedoeld ben. Godverdomme, eindelijk gelukkig. Liederlijk gelukkig. Mijn beste tijd is aanstaande. Het verveeld verleden voorgoed verdwenen. Ataraxie, nu pas. Nooit ben ik zo waarachtig geweest. Ik ga de verloren tijd inhalen. Van mij geen suspiria de profundis. Nee. Ik hoor boven me de ratten rei­dansen. Ze zijn aan het graven. Aan het naaien. Ik herken het geluid. Gekreun van minnen en sneven klinkt hetzelfde.

Het leven, dat heb ik al contant afgerekend. Uit het oog, uit het hart. Na je feitelijke dood, begint het pas werkelijk. De dood is de helderste schittering. Daarom is die voor het laatst bewaard. Blij ik. Kan nu in alle rust haten. Mijn ongeneeslijke haat de vrije loop laten. De wereld. De mensen. God, wat haat ik ze hartgrondelijk. Het zijn allemaal blinden, struikelend over hun stok. Ze zijn geboren in een luier van leugens. En liegen hun hele verdere leven. Vooral tegen zichzelf. Een plejade van zwakzinnigen is het. De hele nepse mikmak draait alleen om zijn eigen as. Een as van domheid en lelijkheid, hebzucht en ijdelheid. Wat een ongemakken. Zo miserabel. Dat moet een ongeborene wel afschrikken om op het toneel te verschijnen. Als ik dit aan wormen vertel, lachen ze zich het schompes.

‘Kunst is niet mogelijk zonder een dans met de dood’, schreef Céline al, en ‘de waarheid is de dood.’ Maar de manier waarop Vaandrager de thematiek behandelt, is van een ongewone heftigheid. ‘Seks is mijn bewijs’, schrijft hij. ‘Het is het graf of de kut. Het graf of de kut. De kut of het graf.’ Veel subtieler wordt het niet.

In Koprot zoekt Vaandrager regelmatig de grenzen op van wat iemand nog wil lezen. Wat daarin regelmatig immoreel lijkt te zijn – want niet ver van het perverse of obscene -, is in werkelijkheid een bijna vanzelfsprekende, bijna nonchalant gebrachte a-morele grondhouding die hem zinnen ingeeft als ‘Verlangen is incest tussen instinct en lafheid. Een verbond tussen driften en teugels.’

Vaandrager laat regelmatig een bekende naam vallen, soms met bijbehorend citaat. Zo komen o.a. Aristophanes, Apollinaire, Beaudelaire, Chlebnikov, Homerus, Machiavelli, Popper en Shakespeare voorbij. Ze getuigen van de ambitie die uit dit werk spreekt. Ook Hoornik wordt geciteerd, en wel met regels uit zijn bekende ‘Op school stonden ze op het bord geschreven,’ waarin het gaat om het fundamentele verschil tussen ‘hebben’ (schijn) en ‘zijn’ (werkelijkheid). Vaandrager vervangt ‘zijn’ door ‘worden’ en zo past het in zijn wereldbeeld, waarin het leven één grote stroom naar het einde is en nog ver daar voorbij.

Een ongemakkelijk boek, dat Koprot. Een prikkelende leeservaring, op zijn minst.

****
Harry Vaandrager (Rotterdam 1955) publiceerde de dichtbundels Langs toendra’s (De Bezige Bij, 1978) en Wat telt is van niets gemaakt (Nijgh & Van Ditmar, 2010). Als prozaïst debuteerde hij met de roman Aan barrels (Nijgh & Van Ditmar / Het Balanseer, 2011). Voor Meander schreef hij enige tijd poëzierecensies.

 

Geplaatst in Recensies.