De gemeenschappelijke factor in de Rotterdamse poëzie

Het gaat goed met de Rotterdamse poëzie. De directeur van het Poetry International-festival Bas Kwakman spreekt zelfs over poëziestad nummer 1. Ik voel geenszins de noodzaak om die uitspraak te ontzenuwen. En misschien is het waar: Anne Vegter is de Dichter des Vaderlands, Ester Naomi Perquin is de winnaar van de VSB Poëzieprijs 2013 en met Verzamelde Werken komt er een heuse literaire as tot stand in de stad die de krachten van alle literaire organisaties bundelt.

Dat het dus goed gaat met de poëzie staat buiten kijf, maar bestaat er zoiets als een Rotterdamse poëzie? Gerrit Komrij dacht van wel; hij sprak zelfs van een Rotterdamse literatuur. En wederom voel ik geenszins de noodzaak om die uitspraak te ontzenuwen. Wat die Rotterdamse poëzie dan precies is, valt echter veel moeilijker uit te leggen. Ik zou in de welbekende clichés kunnen vervallen met termen als ‘hard’, ‘snel’ en ‘van de straat’. In elk cliché schuilt een grote kern van waarheid, maar met die definitie zou ik toch een hoop dichters uit de stad tekort doen.
Ik zou ook kunnen zeggen: Rotterdam is een stad en in die stad schrijft een aantal dichters hun werk en dat is dan vanzelfsprekend Rotterdamse poëzie. Maar dat is te makkelijk, hoewel er geen speld tussen te krijgen is. Daarbij zegt het niets over inhoudelijke kenmerken die eventueel die poëzie met elkaar gemeen heeft. Want een gemeenschappelijke factor is er wel degelijk. Een factor die verder in de Nederlandse poëzie niet terug te vinden is. Ik ben namelijk van mening dat het simpele feit dat een dichter woont en werkt in Rotterdam een sterke invloed heeft op zijn gedichten. Dat wil niet zeggen dat er slechts eenzelfde soort gedichten wordt geschreven in deze stad, maar de havenmetropool zindert (al dan niet bewust) door de gedichten van de Rotterdamse poëten heen.
De definiëring van de Rotterdamse poëzie zal mijn inziens veel eerder gezocht moeten worden in de underdogpositie die Rotterdammers innemen bij zo’n beetje alles wat zij ondernemen. Die positie zorgt ervoor dat zij het buitenbeentje van Nederland blijven. In alles wat zij doen, voelen zij de neiging om de beste te zijn, dus ook in de poëzie. Er is geen stad in Nederland die daardoor ook zo tragisch kan verliezen als Rotterdam (zie Feyenoord). En zelfs als er wordt gewonnen, is er altijd wel iets dat de overwinningsroes verpest (zie Pim).

Rotterdam is ook een schizofrene stad zonder kern of vaste waarden, zelfs echte wijken met steeds dezelfde soort woningen kent de stad amper. Elke vijf jaar lijkt de stad weer volledig getransformeerd. Deelder schreef in zijn gedicht Rotown magic: ‘De beelden wisselen te snel.’ Dat is zeker waar, én daarbij veranderen ze continu. Van de vijf huizen waar ik inmiddels heb gewoond, staan er nog slechts twee overeind. En ik ben geen uitzondering op de regel. Zo’n beetje alle uitgaansgelegenheden van mijn jeugd zijn voorgoed verdwenen. Alles moet continu groter, hoger, beter. Terwijl de Rotterdammer intussen wel degelijk behept is met een vals sentiment over het verleden van zijn verblijfplaats dat alleen daadwerkelijk ging zoals in het televisieprogramma Toen was geluk nog heel gewoon.
Gelukkig hebben daar voornamelijk bejaarden last van, de jongeren proberen er tenminste nog iets van te maken. Waarbij tussenhaakjes nog opgemerkt dient te worden dat de meerderheid van de jongeren allochtoon is en die demografische kleuring druppelt ook door in de poëziescene van Rotterdam. Daarmee is Rotterdam de eerste stad waar op poëtisch gebied de integratie tenminste gelukt is, maar daar zal ik me verder niet al te veel voor op de borst kloppen, want ik ben per slot van rekening geen Amsterdammer.
Bovendien ontbreekt hier de kritische massa volledig. De stad bestaat voor het overgrote gedeelte uit lageropgeleiden en verder een paar van de allerrijksten, daartussen zit nauwelijks iets. Iedereen die op een gegeven moment een beetje welvaart krijgt en een gezond verstand bezit, verlaat de stad.
Het kan dan ook niet anders of die vervreemdende materie sijpelt door in het werk van de dichters uit die stad. En dan maakt het niet uit of het om spoken word of hermetische verzen gaat. Gelukkig is de Rotterdammer veelal nuchter en behept met de nodige zelfspot, waardoor de gedichten te pruimen blijven.

Helaas ontbreekt praktisch elke vorm van aandacht of (lezers)publiek in de stad, ondanks de infrastructuur die opgezet wordt door Verzamelde Werken, maar dat plan staat dan ook nog in de kinderschoenen. Met als gevolg dat elke dichter voornamelijk voor zichzelf schrijft. En dat is maar goed ook: je zou er tenslotte niet aan moeten denken om voor je collega’s te schrijven, voor je het weet komen ze nog bij je op de koffie. Die particuliere manier van werken in zo’n schizofrene stad levert bij tijd en wijle fantastisch werk op. Daarom gaat het goed met de Rotterdamse poëzie en juist daarom is het aan te bevelen om als dichter in Rotterdam te resideren.

Geplaatst in En verder.