Karin Boye – De diepe cello van de nacht

Een bloemlezing uit de vertaalde poëzie van Uitgeverij P (deel 1)
door Yves Joris
Twee Belgen die in het Frans schreven, een Poolse dichter, een Spaanse winnaar van de Cervantesprijs, een Zweedse dichteres die zelfmoord pleegde in 1941 en een bloemlezing van het beste wat Ierland te bieden heeft op poëtisch gebied. Uitgeverij P bewijst met de nieuwe oogst meer dan ooit oog te hebben voor poëtische pareltjes.

Iedereen kent wel de Lannooreeks De mooiste van … , gebloemleesd door het onuitputtelijke duo Stassijns en Van Strijtem. Frivole pareltjes die op menig nachtkastje wachten om samen de nacht door te brengen. Hölderlin, Brecht, Neruda en andere grote dichters delen hun verzen in de gewijde stilte van Morpheus’ domein. Van bovengenoemde frivoliteit vind je weinig terug bij de tweetalige bloemlezingen van Uitgeverij P. Strakke lay-out en tweekleurendruk op de cover laten weinig ruimte tot wegdromen. Gelukkig doet de inhoud dat wel. In zes recensies maak je kennis met de oorspronkelijke poëzie en vertaling van (minder) bekende dichters. Met De diepe cello van de nacht van de Zweedse dichteres Karin Boye bijt vertaalster Anke van den Bremt de spits af.

Kroniek van een aangekondigde dood?
‘Erg donker en met grote ogen.’ Zo luidt de beschrijving van Karin Boye, wanneer ze op 23 april 1943 als vermist gemeld wordt op de radio. De inleiding die deze anthologie voorafgaat, laat geen twijfel over de aangekondigde tragedie. Enkele dagen later wordt de dichteres dood teruggevonden op een idyllische plek in een bos: een overdosis slaappillen of de nachtelijke vrieskou? Eerdere zelfmoordpogingen doen het eerste vermoeden. De oorlogsgruwel en het trieste lot van haar aan kanker stervende (onbeantwoorde) liefde Anita Nathorst waren te veel geworden. Zelfmoord verleent dichters een mythische glans. Denken we dichter bij huis maar aan Jotie T’Hooft. Deze glans heeft grote invloed op de interpretatie van haar gedichten. Boye is een van de meest gelezen dichters van Zweden en heeft daarmee een plaatsje verworven naast Tomas Transtömer en Harry Martinson. Een bloemlezing met werk van Martinson verscheen reeds eerder bij Uitgeverij P. Mijn recensie hiervan is terug te vinden bij Urbanmag.

De eeuwige student
Karin Boye werd in 1900 te Göteborg geboren. Ze groeide op in een kunstminnend liberaal gezin waarover de schaduw van een alcoholverslaafde moeder hangt. Boye trekt zich terug in haar eigen fantasiewereld van tekeningen en geschriften en vindt daarnaast ook houvast in het boeddhisme en later ook in het christelijke ideaalbeeld. Dit beeld stuit echter op haar eigen donkere zijde: Boye beseft dat ze niet tot mannen aangetrokken wordt. Tijdens haar lerarenopleiding wordt ze verliefd op een medestudente en maakt daardoor niet alleen een persoonlijke, maar tegelijk ook een religieuze crisis door. Na haar opleiding studeert ze verder aan de universiteit van Uppsala: Grieks, Scandinavische talen en literatuurgeschiedenis. Sporen van deze studies sijpelen door in haar debuutbundel Moln (Wolken) uit 1922.

Inwaarts

Mijn God
en mijn waarheid
zag ik
op een bijzonder moment.
Woorden en bevelen
van de mensen zwegen.
Goed en slecht
vergat mijn ziel.
Mijn God
en mijn waarheid
dronk ik
op het moment van mijn angst.

Mijn god
was zilte duisternis,
mijn waarheid
hard metaal.
Tot diep vanbinnen beefde ik.
Naakt stond ik,
overspoeld door golven
van koude waarheid,
koude, sterke,
verachtelijk waarheid –
mijn Waarheid
en mijn God.

Bovenstaand gedicht maakt duidelijk dat de christelijke inspiratie op dat moment nog niet volledig verdrongen is. Gömda Land (Verborgen landen), de bundel die twee jaar later verscheen, draagt duidelijk sporen van haar Oud-Scandinavische studiën. In het bijzonder de invloed van de Edda treedt meer dan eens op de voorgrond.

(…)
Ik droomde van zwaarden vannacht.
Ik droomde van strijd vannacht.
Ik droomde dat ik streed aan jouw zijde
gewapend en sterk, vannacht.
(uit De Walküre)

Met dergelijke gedichten droeg Boye zelf bij tot haar beeld van amazone, strijdende Walküre.
Tijdens het laatste jaar in Uppsala sluit ze aan bij de Marxistische beweging Clarté. Op dat moment publiceert ze haar derde bundel Härdarna (De haarden), waarmee ze min of meer doorbreekt. Deze bundel bevat het gedicht ‘In beweging’ dat de Clarté-beweging verheft tot poëtische manifest.

In beweging

Tevreden dagen schieten steeds tekort.
De beste dag, dat is een dag van dorst.

‘t Is waar dat onze reis een einddoel heeft –
maar het is de weg zelf die er zin aan geeft.

Een nachtlang rust is wat men best beoogt,
als brood gebroken wordt en vuur gedoofd.

Waar men blijft slapen voor maar één nacht lang
slaapt men het diepst en droomt van zoete zang

Stap op, sta op! Daar komt het ochtenduur.
Oneindig is ons grote avontuur.

Boye studeert vervolgens nog een jaar geschiedenis in Stockholm en trouwt in 1929 met Clarté-aanhanger Leif Björk. Hun appartement wordt het toneel van hoogoplaaiende politieke discussies. Een jaar later keert ze de beweging de rug toe. Nog een jaar later verdwijnt ook Björk uit haar leven.

De doorbraak van het modernisme
In 1931 is Boye een van de oprichters van het tijdschrift Spektrum, dat echter geen lang leven beschoren is. De invloed daarentegen kan niet onderschat worden. Spektrum ligt aan de basis van de doorbraak van het Zweedse modernisme. Uit Boyes poëticale voorkeuren komt de invloed van Freud sterk tot uiting. Wanneer ze in 1932 getroffen wordt door een zware depressie, reist ze naar Berlijn voor een psychoanalytische behandeling . De therapie heeft echter een omgekeerd resultaat. In plaats van te genezen van haar homosexualiteit (in die tijd nog een ziekte), versterkt haar Berlijnse verblijf alleen maar haar lesbische identiteit. In deze periode leert ze haar joods-Duitse levenspartner Margot Hanel kennen. De opkomst van het nazisme doet het koppel uitwijken naar Stockholm. Door haar relatie komt het tot een breuk met haar familie. De schrijfster krijgt de zoveelste emotionele klap te verwerken. De volgende jaren schrijft Boye vooral om den brode. De zwakke gezondheid van haar twaalf jaar jongere levenspartner hangt dreigend boven hun hoofden. Het duurt acht jaar alvorens een vierde bundel het licht ziet. In 1936 verschijnt För trädets skull (Omwille van de boom). De bundel wordt op gemengde gevoelens onthaald. Men verwijt Boye te zijn gezwicht voor de modernistische modestroming ten koste van haar eigen authenticiteit. Desalniettemin bevat deze bundel haar bekendste gedichten. Haar vormvaste gedichten worden vrijer en metaforischer. Ondanks het feit dat haar poëzie hierdoor aan kracht wint, moeten lezers nog wennen aan de nieuwe Boye. De bloemlezing ontleent haar naam aan een van de gedichten uit deze bundel.

De diepe cello van de nacht

De diepe cello van de nacht
slingert zijn donkere jubelzang over de vlaktes.
De nevelbeelden van de dingen verliezen hun vorm
in stromingen van kosmisch licht.
Golven, lang en stralend,
stromen een voor een door nachtblauwe eeuwigheid.
Jij! Jij! Jij!
Hemelse lichte materie, bloeiend schuim van het ritme,
zwevende, zwalpende, droom der dromen,
oogverblindend wit!
Een meeuw ben ik, en op gestrekte vleugels rustend
drink ik zeezoute zaligheid
ver ten oosten van al wat ik weet,
ver ten westen van al wat ik wil,
en raak het hart van de wereld aan –
oogverblindend wit!

De dichteres verpakt inhoudelijke complexiteit en innerlijke twijfel in een haast naïeve directheid. Volgens Van den Bremt is dit wellicht de belangrijkste reden waarom Boye tot op vandaag zoveel lezers aanspreekt. Die grote directheid is een gevolg van het voortdurende streven naar waarheid, volkomenheid en zuiverheid van de schrijfster. Postuum verschijnt in 1941 de onvoltooide gedichtencyclus De sju dödssynderna (De zeven doodzonden) . Haar zelfmoord maakte een abrupt einde aan haar poëzie, maar haar tragische en romantische levenseinde heeft er wellicht ook toe bijgedragen dat ze nog steeds behoort tot de meest gelezen Zweedse dichters.

Geplaatst in Recensies.