André Doms – Tijdelijk verblijf

Een bloemlezing uit de vertaalde poëzie van Uitgeverij P (deel 2)
door Yves Joris
Twee Belgen die in het Frans schreven, een Poolse dichter, een Spaanse winnaar van de Cervantesprijs, een Zweedse dichteres die zelfmoord pleegde in 1941 en een bloemlezing van het beste wat Ierland te bieden heeft op poëtisch gebied. Uitgeverij P bewijst met de nieuwe oogst meer dan ooit oog te hebben voor poëtische pareltjes.

Iedereen kent wel de Lannooreeks De mooiste van … gebloemleesd door het onuitputtelijke duo Stassijns en Van Strijtem. Frivole pareltjes die op menig nachtkastje wachten om samen de nacht door te brengen. Hölderlin, Brecht, Neruda en andere grote dichters delen hun verzen in de gewijde stilte van Morpheus’ domein. Van bovenvernoemde frivoliteit vind je weinig terug bij de tweetalige bloemlezingen van Uitgeverij P. Strakke lay-out en tweekleurendruk op de cover laten weinig ruimte tot wegdromen. Gelukkig doet de inhoud dat wel. In zes recensies maak je kennis met de oorspronkelijke poëzie en vertaling van (minder) bekende dichters.
Met Tijdelijk verblijf van de Belgische dichter André Doms is vertaler Stefaan van den Bremt zeker niet aan zijn proefstuk toe. Meander presenteert u het tweede deel van de vertaalde poëzie van Uitgeverij P.

Een nobele onbekende voor het internet. Zijn lemma op Wikipedia is quasi leeg, een beknopte biografie buiten beschouwing gelaten. De eerste keer dat ik zijn naam tegenkwam was in Ceci n’est pas une poésie, een Belgisch-Franstalige anthologie. Ook hier weinig woorden voor deze dichter die in 1932 te Brussel geboren werd. Een jeugd die sterk getekend werd door christelijke religie, waartegen hij zich later fel zal verzetten. Een voorliefde voor literatuur die ontstond tijdens zijn studie Romaanse filologie aan de Université Libre de Bruxelles. Gedurende bijna 30 jaar docent Frans en Spaans: een leven dat bijna onzichtbaar voorbijgleed tussen de plooien van de geschiedenis.

Materie bewonen

      Ik zwicht voor de parallelle ochtenden en ben vertrouwd met bitterheid. Iets
afdoen aan mezelf, nog slechts leven met wat gaande is. De beweegredenen staan te
dringen en elke dag laat je eenzamer achter.

Erts van gezeefde nachten. Een mooie levenstaak: maangestalten aaneenschake-
len! In alles wilden jullie de hand hebben ten behoeve van ongrijpbare krachten.
Geven jullie geen onderricht in schaduw of stilte? Wat hoop je te kennen of te
meten?

Dit gedicht is kapot: genot past niet in een blauwdruk.

Noodgedwongen blijf ik bij wat waarschijnlijk lijkt. Ik volg mijn bloed dat van
terrassen neerstort in een gedroomde zee. Ik haast me de seizoenen te beleven, de
branding van zon op kalkriffen.

Voor de tijd sla ik in mezelf een bres, steen maakt me vrij. Angst verleer ik.
Materie bewoon ik.

‘Habiter la matière’ verscheen in de bundel Selon plis et reflets (Volgens plooien en reflecties) uit 1974. Het gedicht confronteert de lezer met de hermetische poëzie van Doms. In het essay van Alain Dantinne dat de bloemlezing afsluit verwijst deze naar Paul Celan. (…) Celan zette de klagers over het hermetische karakter van enkele van zijn teksten aan tot lezen, lezen en herlezen, tot ‘er betekenis uit voortspruit’. Dit zou ook het geval moeten zijn met de teksten van Doms. Tot mijn grote spijt lukt het me persoonlijk niet om door deze materie te geraken, de verklaring van Dandinne ten spijt dat André Doms van meet af aan wijst op de inzet van zo’n elementaire poëzie, die teruggrijpt naar de essentie via een denkproces dat vertrekt van een bruto gegeven, van een primitieve, oorspronkelijke materialiteit. Dergelijke zinnen doen de poëzie geen goed. Ze pretenderen meer dan ze inhouden. In elementaire poëzie legt de nietige mens het af tegen de onmetelijke kosmos. Doms blijft te dicht bij de realiteit: hij beschrijft, maar wordt het niet zelf. Ik moet dan denken aan Luceberts ‘kleine revolutie’:

ik draai een kleine revolutie af

ik draai een kleine revolutie af
ik draai een kleine mooie revolutie af
ik ben niet langer van land
ik ben weer water
ik draag schuimende koppen op mijn hoofd
ik draag schietende schimmen in mijn hoofd
op mijn rug rust een zeemeermin
op mijn rug rust de wind
de wind en de zeemeermin zingen
de schuimende koppen ruisen
de schietende schimmen vallen

ik draai een kleine mooie ritselende revolutie af
en ik val en ik ruis en ik zing

Dit is elementaire poëzie. De dichter beschrijft niet alleen de tweedeling, hij wordt er de synthese van. De speelsheid van de woorden staan in schril contrast met de grootsheid van het thema.
Na het einde van zijn onderwijscarrière kiest Doms resoluut voor het grote reisavontuur. Hij trekt het IJzeren Gordijn open en trekt verder richting Oost-Europa. Hij waagt zich in de onbekende Karpaten en knoopt stevige Hongaarse, Servo-Kroatische en andere Oost-Europese vriendschapsbanden aan. Hij verkent het land tot op het bot, leert de taal en vertaalt talrijke lokale dichters. De reizende dichter laat het bombastische keurslijf achter zich. Zijn gedichten worden schraler in woorden en rijker aan inhoud, haikus in XL-formaat:

Hoe te spreken over de rivier?
ik loop erlangs. Wie van beiden
beweegt, wie sleept wat mee?
Voelt ze evenzeer als ik de tijd
aan het werk, het wegen van
schaduwen zodra het oog wegdroomt,
in de war raakt en vreest
de bakens kwijt te raken: haar oevers
op weg naar de monding in zee?

***

Gelukzalig gevoel nog op weg te zijn,
het zeil te kunnen richten naar de wind.
Zal ik uiteindelijk doen wat het leven
nagelaten had me voor te schrijven?
Onvoorspelbaar het vlijmende water,
anders en toch zichzelf gelijk, de vrouw
die me wekt, weer met mezelf
in samenhang, o vluchtige poëzie,
waar strohalmen zonneschijn spelen.

Deze gedichten uit Fleuve (Stroom, 2002) tonen een ingetogen dichter, een man die zich naast een riviertje vlijt en zijn woorden op het ritme van het voorbijvliedende water aan het papier toevertrouwt.
Tijdelijk verblijf is mijn eerste kennismaking met het werk van Doms. Voor mij zal het echter bij een aangename avond blijven. Anderen zullen echter een diepere vriendschap vinden in zijn woorden.

Geplaatst in Recensies.