Klassieker 178: Leo Vroman – Een klein draadje

door Wim Kleisen

Meander Klassieker 178

Hoewel er al vijf gedichten van Leo Vroman als klassieker besproken waren, achtte Wim Kleisen het passend er bij wijze van in memoriam een zesde aan toe te voegen. Vroman was 45 jaar oud toen hij ‘Een klein draadje’ publiceerde, een gedicht waarin hij zijn angst uitspreekt voor geestelijke aftakeling. Hoewel Vroman nog ruim een halve eeuw zou leven, bleef hij tot kort voor zijn dood scherp. En dichten.

Een klein draadje

Met dat hoofd gebeurt nog eens wat.
Het gelaat ligt me al te plat
op de vette hersenkast.
Er gebeurt vast wat.

O, als ooit dit peinskistje splijt
als een vrij eetbare brei
verschijnt dan dit brein van mij
en bevlekt met gedachten de grond
maar de dood verzegelt mijn mond,
en minder dood dan wel veilig
sterft het schijnheilig.

Door de dood word ik graag overmand.
Ik vrees meer mijn gezond verstand.

Ik vrees dat leger van spinnen –
– de zenuwcellen daarbinnen.

Dat vreselijk web vol webben
kan ik eigenlijk niet goed hebben.

Wat zou er b.v. gebeuren
als twee draadjes zouden scheuren
en contact maken met elkaar
onzichtbaar, diep onder mijn haar,
terwijl ik uitwendig zo
maar in een winkel bezig ben
groenten en vlees te ko-
pen…

Er knetteren geen vlammen en vonken.
Iemand zegt: is hij dronken?

Opeens zit ik voor ons huis op de stoep
met zesduizend blikken soep.

En zegt mijn tedere vrouw:
lieverd, wat doe je nou?
dan zeg ik: nu gaan we eten,
o nee, ik ben de soep vergeten.

Gebeurt het onder het dichten,
wie purp publiek dan inlichten
dat dit geen genialiteit
maar een purpje los is, of kwijt?

Een draadje dat stroom opslurpt
van murp gedachtengurpt.

En kurpsluiting leidt tot brurp –
Brarp! Hurp! Hurp!


Leo Vroman (1915 – 2014)

Uit: De ontvachting en andere gedichten (1960)
Uitgever: Querido

Vooraf
Nu Leo Vroman is overleden, verschijnen er vele In Memoriams en zien we in tv-programma’s mensen die wat te melden hebben over deze dichter. Zijn dood hoeft ons niet te schokken. Hij leefde met de dood en naar zijn dood toe. Dat konden we onder meer lezen in de gedichten van zijn hand die Hollands Maandblad regelmatig publiceerde. Ik noem een voorbeeld uit aflevering 2013-12, een gedicht met de aanduiding ‘dinsdag 3 december 2013’:

(…)
maar geen zorgen, want
als het aarzelend naschuren
van een stervende hand

komt het eeuwig naduren
van watervallen en uren
tot stilstand

Een bespreking van een van z’n gedichten lijkt ons gerechtvaardigd. Het is het bovenstaande gedicht geworden. Dat wordt dan de zesde bespreking van Vroman op deze site, een aantal dat hem toekomt.

Vorm
Vroman is niet een dichter bij wie we van vormvaste gedichten kunnen genieten. Dat paste ook niet bij zijn generatie. We zien dat het aantal verzen in een strofe niet bepaald wordt door vormkenmerken, maar door inhoudelijke aspecten. Als gevolg daarvan is de strofevorm geheel onregelmatig. Een metrum ontbreekt. Wel zien we per vers twee of drie heffingen, waardoor er toch een zeker ritme ontstaat. Het is bij uitstek een spreekritme. Vroman dicht alsof hij met je zit te praten, het is spreekpoëzie, poésie parlante, om die term nog eens te gebruiken.
Merkwaardig en aardig is dat hij wel rijm toepast in zijn gedichten. In zijn jonge jaren ook nog wel in een strikt schema. Zijn gedicht ‘Wandeling’ uit Gedichten vroegere en latere (1930-1940) heeft bijvoorbeeld het volgende schema:

hand – avondlicht – land – ligt: a-b-a-b
weg – benen – leg – verdwenen: c-d-c-d
dood – zieletogen – avondrood – ogen: e-f-e-f

Daarbij zien we dan een eveneens strikte indeling in vier kwatrijnen. Die striktheid raakt hij al heel snel kwijt. Al in dezelfde bundel staan gedichten die zijn kenmerkende onregelmatige strofevorm vertonen. Maar hij heeft blijkbaar altijd belang aan rijm gehecht, al was hij hierin beslist niet consequent. Ook in dit gedicht treffen we rijmende verzen aan, maar het lijkt me beter om de bespreking ervan te betrekken bij de inhoudelijke bespreking.

Inhoudelijk 
De discipline van een bioloog bestaat uit observeren. Dat is dan ook wat Vroman in de eerste strofe doet. Hij ziet het gezichtsgedeelte als heel ‘plat’ liggen op de rest van het hoofd. De hersenkas is vele malen groter en heeft ook driedimensionale afmetingen, wat de dichter met ‘vette’, zo iets als ‘grote’ weergeeft. Ik heb een van afkomst Groningse eens over een ‘vette auto’ horen spreken. Dat gezichtsgedeelte is daardoor kwetsbaar. Kwetsbaarheid is een thema dat Vroman vaker aan de orde stelt, lees er ‘Mens’ (‘Mens is een zachte machine’) maar eens op na. Het rijm is hier vrijwel dat van een knittelvers, alle vier de strofen eindigen op woorden met dezelfde klinker: a. het gekke is dat dit hier niet onbeholpen aandoet, maar dat het past in Vromans spreekstijl.
Ook in de tweede strofe is dit het geval, al verschijnen er in deze op een na langste strofe wel meer rijmklanken. Vroman werkt hier de kwetsbaarheid van het hoofd uit in een voorbeeld: het hoofd splijt, de hersenen bevuilen de grond. Voor Vroman hebben hersenen ook een gedachte-inhoud, de grond wordt met gedachten bevlekt. Dat is natuurlijk niet vleiend voor de persoon, wiens hoofd dit is geweest, zijn/haar gedachten waren niet zuiver op de graat. Hier komt Vromans humor naar voren, ook iets waar we in veel gedichten van hebben kunnen genieten. In het vijfde vers van deze strofe heeft de dichter het ineens over ‘mijn mond’, het is dus Vromans eigen hoofd dat hij als voorbeeld heeft gekozen. Maar hij is dood, dus we zullen zijn smerige gedachten nooit meer kunnen vernemen. In ‘minder dood dan wel veilig’ lijkt hij haast te zeggen dat hij op tijd is omgekomen: we hebben nu alleen maar goede herinneringen aan hem, voor ons is hij heilig, al was hij naar eigen mening ‘schijnheilig’, gezien zijn vuile gedachten. Let eens op de eerste twee verzen van deze strofe, hoe de ei/ij-klank zowel als binnen- dan wel als eindrijm voorkomen. Vroman was speels, hij speelde met vorm en inhoud.
Dan komt de kern van het gedicht met drie strofen van elk twee verzen. Vroman zet zijn gedachtegang na dit voorbeeld voort. Het gepaarde rijm geeft aan dat elke strofe een afzonderlijke eenheid vormt. Het staat er een beetje vreemd: ‘Door de dood word ik graag overmand’. Was Vroman toen levensmoe? Wat hij naar mijn mening bedoelt, is dat hij liever dood zou zijn dan gek. Hij zet de tegenstelling scherp aan. Het gevaar ligt in zijn gezonde verstand. Er volgt een mooie metafoor: de zenuwcellen als spinnendraden vol spinnen. Dat zit (volgende strofe) zo ingewikkeld in elkaar, dat Vroman het niet kan overzien en dat ergert hem, hij kan het niet goed hebben.
De zesde strofe bevat weer een voorbeeld. Wij mochten in schoolopstellen nooit woorden afkorten, wat de schoolmeester verbood, had nog meer geldingskracht dan wat God verbood. Vroman trekt zich er niets van aan, is blijkbaar wars van dit soort schoolmeesterregeltjes. Ook dit voorbeeld betrekt hij op zijn eigen hoofd. In je hoofd kan van alles gebeuren, zonder dat het voor anderen zichtbaar is. Je kunt bijvoorbeeld een TIA krijgen, dat ziet niemand. Hier gebeurt wat anders. Twee zenuwcellen scheuren los en raken elkaar. Als het om elektriciteit gaat, noemen we dat kortsluiting. Vroman loopt in een supermarkt en wat voor anderen niet zichtbaar is, blijkt wel uit wat hij doet. Maar ook in de rijmvorm gebeurt iets geks. Het rijm is keurig gepaard, maar als het ongeluk is gebeurd, wordt het, wat buitenstaanders zouden noemen ‘knullig’: zo – ben – ko- -pen. Het rijmt inderdaad, maar daartoe is het laatste woord van de zin apart gezet en afgebroken.
Toch is er voor mensen uiterlijk wel iets zichtbaar, iemand vraagt zich af of Vroman dronken is. Vroman breekt de metafoor van de kortsluiting abrupt af: er knetteren geen vlammen en vonken. Maar vreemd is het wel, hij was vertrokken met de boodschap dat hij groenten en vlees zou kopen en verschijnt nu met de ongehoorde hoeveelheid van zes duizend blikken soep – hoe heeft hij die in vredesnaam mee kunnen nemen?
In de volgende strofe is zijn vrouw eerst aan het woord. Wat we hier zien, is ook weer kenmerkend voor Vroman: de verhouding met Tineke, zijn vrouw, wordt als uiterst teder beschreven. Zij maakt hem geen verwijten, maar spreekt hem aan met “lieverd”. Die tederheid is weer een thema dat we in alle jaren van Vromans lange leven door, hebben kunnen lezen. In dit huwelijk is nooit iets als verveling of sleur opgetreden. Het is een heel ontroerende kant van Vromans dichterschap. Vroman is helemaal de kluts kwijt, hij denkt dat hij de soep, die hij niet had moeten kopen, is vergeten.
In de volgende strofe een derde voorbeeld. Vroman is aan het dichten. Dan gebeurt hetzelfde als in het tweede voorbeeld, twee draadjes raken los. Wat gebeurt er dan? Bernlef fragmenteert in het slot van Hersenschimmen de taal van de hoofdpersoon. Er komt geen zinnig woord meer uit. Vroman doet iets dergelijks. In het hoofd van de getroffen dichter zijn de juiste woorden niet meer voorradig. Er verschijnen woorden die sterk doen denken aan sommige gedichten van Cees Buddingh’, zoals ‘De Blauwbilgorgel’. Maar dat waren speelse gedichten en hier is het bittere ernst.
In de voorlaatste strofe wordt de catastrofe metaforisch beschreven in het eerste vers, waarna de dichter geen zinnig woord meer kan uitbrengen. In de laatste strofe zien we dat in het eerste vers een conclusie van de beschrijving wordt gegeven, het laatste min of meer herkenbare woord is ‘kurpsluiting’. In het laatste vers wordt de beschrijving beëindigd, de ramp voltrekt zich in alle werkelijkheid, wat hoorbaar is in ‘Brarp!’. De korte a schildert de felheid van het knappen. De dichter roept nog ‘Hulp! Hulp!’, althans dat wil hij, maar de vervanging van maar één medeklinker maakt het woord onbegrijpelijk.

Tot slot
Voor mijn gevoel is dit gedicht kenmerkend voor de poëzie van Leo Vroman. De mengeling van – soms grillige – speelsheid en ernst, het ook al speelse rijm, de grenzeloze verbeelding, de tederheid tussen hem en zijn vrouw, zijn biologische achtergrond, het negeren van regeltjes, we zien het allemaal in ‘Een klein draadje’. Vroman is dood. Wat ons rest, is zijn gedichten in dankbare herinnering lezen.

____

Wim Kleisen

Geplaatst in Klassiekers.