H.H. ter Balkt – Hee hoor mij Ho simultaan

Druipend van inkt als de inktzwam

door Joop Leibbrand

‘Achttienhonderd pagina’s poëtisch avontuur, stilistische brille, weerbarstige vitaliteit, provocerende stellingname. Een monument voor een monumentale dichter’, juicht de flaptekst van Hee hoor mij Ho simultaan op de brandtorens, de mooie uitgave – dundruk, dubbel leeslint! – van de verzamelde gedichten van H.H. ter Balkt. Er is geen woord van gelogen, het is het volstrekt unieke werk van de meest eigenzinnige dichter die Nederland kent, een dichter ook die zich graag in een uitzonderingspositie plaatst, als de eenling die boven de anderen uittorent en ziet wat anderen niet zien. Die als de met bijzonder talent begiftigde schaker of dammer simultaan op vele borden tegelijk acteert, evenzeer een vóór allen als een tégen allen, maar dat absolute meteen met de nodige zelfspot – Hee hoor mij Ho – relativeert.

Hee hoor mij Ho simultaan op de brandtorens bevat naast de eenentwintig regulier uitgegeven bundels (de eerste zeven, van Boerengedichten uit 1969 tot Helgeel landjuweel uit 1977 nog als Habakuk II de Balker) ook de gedichten uit de liefst 28 bibliofiele uitgaven en – heel bijzonder – de nooit eerder gepubliceerde vroege bundel Elektronen, die stamt uit de jaren 1953-1954, werk dus van een vijftien- à zestienjarige. Het zijn bijna honderd gedichten, sommige getuigend van een opmerkelijke rijpheid, maar qua toon nog niet voorzien van dat specifieke Ter Balkt-register. Ze zijn sterk ik-gericht, vaak puberaal romantisch en er klinken luide echo’s van Marsman, Achterberg, de Vries en zelfs van Van Ostaijen. Maar niets om je voor te schamen en waarom zou je ook als je je leven lang trouw bent gebleven aan wat je in december 1953 schreef:

TANGO

Ik ben een tango
en vul mijn danszaal
met eigen klanken
en dans op eigen muziek
door eigen lichaam
door eigen heelal.

(blz. 10)

Omdat Ter Balkt een notoire herschrijver is, circuleren er van veel gedichten verschillende versies. Gelet op de omvang van de bundel konden redacteuren W. Hansen en Vincent Schmitz die onmogelijk allemaal opnemen. Als de nieuwe versie stamt uit een bundelherdruk of een bloemlezing uit eigen werk vervangt deze in de VG het origineel; kreeg een gedicht een nieuwe versie in een nieuwe bundel, werd het alleen in de laatste opgenomen en verdween het in de VG uit de oorspronkelijke. Een vorm van geschiedvervalsing, oordeelde Piet Gerbrandy in zijn bespreking in NRC Handelsblad, en dat is het ook. In de uitgave van de Laaglandse hymnen I-III van 2003 zijn de afzonderlijke bundels gewoon te onderscheiden, maar in Hee hoor worden ze als één geheel gepresenteerd, nu als Laaglandse hymnen (1992-2013). Ten aanzien van de editie 2003 met zestien gedichten uitgebreid en met de motto’s van de delen II en III toegevoegd aan die van het eerste deel. In een onderzoek naar de publicatiegeschiedenis bij Ter Balkt zit een mooi scriptieonderwerp, zoals een onderzoek naar alle varianten en de betekenis ervan wel een promotie waard is.

Nu het totale oeuvre kan worden overzien, blijkt eens te meer wat een overweldigende bundel Boerengedichten (1969) was. Je moet het maar durven, je officiële debuut voorzien van de ondertitel ‘ofwel/ Met de boerenbijl/ bijeengelezen door zijn lintworm// 93 bladzijden verfomfaaid en bespat met/ raadsels en verkrommingen;/ in het groen groen knollenland van de haas.’
En dan vervolgens, na een bijna even krankjorum Duits aftelrijmpje, deze motto’s op te nemen: ‘Ik loop liever door brandnetels dan dat ik poëzie lees, laat staan schrijf. Wie durft dat nog? Dit is dus geen poëzie. Dit is een oorlogsverklaring aan de dichters, de fossielen van een voorbij tijdperk.’ En als tweede: ‘Onder de voet gelopen door boosaardige pennen snikt het papier.’
Hier valt niets anders in te lezen dan dat deze dichter een haat-liefdeverhouding met de poëzie cultiveert. Hij moet het hoe dan ook anders doen, authentiek, eerlijk en zuiver zijn, alleen dan wordt het papier weer tevreden en gelukkig gemaakt. Alsof een misbruikte bodem opnieuw bewerkt gaat worden. Niet voor niets kreeg de eerste serie gedichten de titel ‘Voor het vlieggat’ mee. Wat jarenlang gevoed moet zijn (Ter Balkt was met zijn 31 jaar geen heel jonge debutant meer), voorbereid werd op het uitvliegen, kreeg eindelijk de ruimte, al was het maar om de ‘oude’ poëzie, waaronder ook die van de Vijftigers, weg te vagen: ‘Ik klaag jullie aan zangers van liederen/ mompelaars van spreuken, orakels in de doolhof!’

En wat doet hij zelf? Op volstrekt eigen wijze ogenschijnlijk bizarre liederen zingen, stug spreuken mompelen, met woeste fantasie de werkelijkheid van vroeger en nu onbegrensd en vindingrijk tot raadsel vergroten, daarbij alles in dienst stellend van taal en klank. In de beschrijving van een Scythische stad (het onderwerp alleen al!) staan er regels als ‘De sneeuwjacht roept als de lynx/ de siberische grendel, het krakend/ kleed van de stad’ en ‘Aars vroor aan aars, krakend/ die gelaarsde-kattenavond, ka!’ om te eindigen met ‘Wind wind wind gekrulde wind/ klimt in de windingen/ met oude echo’s hhooooeeeeiiii!/ als een tyfusplaag.’

Ter Balkts taal gromt en knarst, piept en kraakt en als je hem zelf hoort lezen weet je dat hij vanuit de diepte zingt. Op iedere bladzijde hoor je de orgelende stem van de dichter die zich in een orgie van taal vanuit de diepste krochten omhoog moet werken:

Druipend van inkt als de inktzwam
rijdt de dichter op het dood blad
dat neerdwarrelde; rijpt, zaait zijn zaad
Kanker een zaaier ging uit om te zaaien

(Slagvelden 3, blz. 146)

In ‘Achttien Byzantijnse gezegdes uitgespuugd door een vuilnisvat te middernacht op het erf van de coöperatieve maalderij (13 ruiten, 13 treden), in een staat van verval volgens ‘t Babylonische stelsel genummerd’ – ja, dat is de titel! – zegt hij het in een prozagedicht zo:

De spijker steekt uit de muur. De spijker spreekt met stalen stemgeluid, zichzelf begeleidend op zijn kromme snaar: Dichters! En jullie, zangers! En hela, verzenmakers en kruissnavels! Hop! Zijn jullie daar nog altijd? Hebben jullie je hart nog bij jullie? Hebben jullie de taal der wereld hebben afgeschreven, stommelingen?

(blz. 152)

Het is alsof je Lucebert (die Ter Balkt wél waardeert) hoort met zijn banvloek ‘rijmratten, hoon’. Dit is dan weer wat hij zelf doet:

DE VOEDERPLAATS

‘Taal! hoor mij … kreten
strooi ik neer, martelingen
van t hart, komma’s, puin
van sagen, vertellingen, fabels.
Uit de rafels van de dennen
realiteit
kom, steek je eversnuit,
vreet mij met huid en haar.’

(blz. 195)

Behalve ‘sagen, vertellingen, fabels’ strooit Ter Balkt nog wel wat meer over de lezer uit: historische gebeurtenissen en personages, waaronder veel schrijvers en dichters, verwijzingen naar (pop)muziek, kunst en wetenschap, mythologie, de bijbel en de antieken, verre landen en volkeren, maar ook de meest obscure en banale feiten en zaken, alles met de grootst mogelijke vanzelfsprekendheid gepresenteerd, zonder beperkingen van ruimte en tijd.
Het is een kennis die het begrip eruditie overstijgt en waarvan je je verbijsterd afvraagt hoe hij eraan komt. Ieder onderwerp is geschikt, geen woord is taboe. Ik stel me hem voor, alleen, in een Borgesachtige bibliotheek, waar hij niet zoekt, maar door alle stof zelf gevonden wordt om zo gered te worden van de vergetelheid. Als Ter Balkt dat niet doet, wie dan wel?
62 bladzijden met aantekeningen zijn er voor nodig om dat alles te verklaren en toe te lichten, maar hoewel op details soms zeer uitgebreid, zijn die notities eigenlijk nog maar heel summier. Tal van keren vallen verwijzingen en toespelingen op – een dichtregel bijvoorbeeld – waarvan je vermoedt dat niet iedere lezer ze ziet en die dus ook wel hadden mogen worden toegelicht. Aan de andere kant: iedereen kan zo zijn eigen ontdekkingen blijven doen.

‘Schrijven is wat gebeurt in het hart/ van hooibergen en vaalten: vuur maken/ van stille geurige oogsten’, staat er in een vooraf geplaatst gedicht bij Uier van t oosten, de bundel uit 1970. Dat vuur kan bij Ter Balkt ook een diep doorvoelde melancholie zijn, zoals o.a. blijkt uit ‘Roelant’:

[…]
Uit duister gekomen zul je donker zijn,
een dag en je weet dat: droevig is dit
treurig als de dingen die ongewroken
stilletjes heengaan; nu nog stuift de wind
in je voetstap en klapt in de takken,
schiet zijn onschuldige buks leeg op
de fazant, maar de goudverf verwaait,
grimmiger zwaait de houthakker zijn bijl.
[…]

(blz. 242)

Over Ter Balkts poëzie wordt nog wel eens beweerd dat ze te cryptisch en orakelend zou zijn, maar hij is vaak glashelder, zoals bijvoorbeeld in het ‘Requiem voor achterneef O.O.’ (blz. 252). En hij is dat zeker als hij ‘simpelweg’ de dingen beschrijft, zoals ‘Het zuurkoolvat’ (‘Grandioos zijn de dingen! Zij zijn/ goed noch kwaad en kennen geen god.’ – blz. 258, of als hij een ‘Ode aan de gierpomp’ (blz. 272) brengt.
Wel is het zo dat de verteller in Ter Balkt nog wel eens strijd moet leveren met de lyricus. En naarmate hij lyrischer schrijft, is hij als dichter overtuigender, bijvoorbeeld in het al klassiek te noemen ‘Elegie van de varkens’ (blz. 363), of in bijna de gehele bundel Groenboek (1973), waarin dit treft:

DE ZOMER I

Met haar tanden bloot, haar rokken
hoog, in t gele hooi, slaapt de zomer
in haar oksel & kruis wilde zuring en honing.

(blz. 425)

Een constante in Ter Balkts werk is zijn sterke sociale betrokkenheid, een met Anthonis de Roovere gedeelde mens- en maatschappijvisie. ‘In de huizen van de armen/ deelt verstikking het bed met de gram’, schrijft hij in ‘November in de dorpen’ (blz. 436). Regelmatig ook is hij een boeteprediker, die even makkelijk de consumptiemaatschappij aanklaagt als de machthebbers. Er is vaak een nauwelijks te beteugelen woede over deze zo verkeerde wereld, maar hij weet ook: ‘De dichter is maar blinde/ vlier, hij kreunt en zingt/ in de wind die in hem klimt’ (‘China, juni’ – blz. 909).

Je gaat in Hee hoor mij Ho simultaan op de brandtorens van hoogtepunt naar hoogtepunt, zwakke momenten zijn er nauwelijks, of ze zouden bij de lezer moeten liggen, die halverwege alleen al door de veelheid vermoeid raakt, zich al verzadigd voelt. Maar Ter Balkt dicht met zoveel energie door, dat je het niet tegen hem wilt afleggen.

Helgeel landjuweel bij de 400-jarige Herdenking van de Beeldenstorm (1566-1966) uit 1979 zet deels al de toon voor de latere Laaglandse Hymnen, Waar de burchten stonden en de snoek zwom is de eerste bundel zonder het bijbelse pseudoniem, in ‘Zwart marmer’ (uit Aardes deuren, 1987) treft ineens deze perfecte metafoor voor het ware dichterschap, dat als Ter Balkts centrale thema mag worden aangewezen:

ZWART MARMER

De inkt in de vierkant inktpot
is een blok zwart marmer

Erin bevindt zich en vlammen
de handschriften van David en Christus

de tien mooiste gedichten
op aarde, Midnight Blue-Black

Hak haar eruit,
een piëta voor de taal

(blz. 881)

Een schitterend beeld. Maar soms ‘hakt’ Ter Balkt misschien wat al te enthousiast, zoals in de Anti-Canto’s uit 2004, waarin hij vaak moeilijk te volgen is. Het zijn gedichten die in het begin deels reflecteren op Pound, maar verder getriggerd worden door een duizelingwekkend aantal anderen – de veertig zangen vergen twaalf bladzijden aantekeningen ‘wie is wie’ en ‘wat is wat’ – en die voor het merendeel even woorddronken als hermetisch zijn, al geldt dat niet voor het laatste, dat handelt over de Ötziman, die hij ook nog in de Laaglandse hymnen zou beschrijven.

Ankerpunt door de jaren heen is, naast de voortdurende betrokkenheid op landschap en natuur, Usselo, het geboortedorp van de dichter, een buurtschap van Enschede. Tal van keren wordt het genoemd, bijvoorbeeld in ‘Zonderlinge verschijning van de schim van Vladimir Majakovski aan de gierkarrijder Foel Aos op een kruispunt in Usselo, Overijssel’ (blz. 367). (Foel Aos – ‘vuil’, rottend aas (fig. ‘naar, geniepig mannetje’) – is het pseudoniem waaronder Ter Balkt zijn roman Zwijg publiceerde.)
De Twentse bron heeft hem altijd gevoed, al werkte hij al vanaf 1967 als onderwijzer in Nijmegen, een stad die hem toch ook een paar indrukwekkende gedichten opleverde. De bundel Vuur (2008) opent met het knappe ‘Nijmeegse getijden’. Via de Nijmeegse gebroeders Van Limburg en hun Les Belles Heures en Les Très Riches Heures du duc de Berry komt hij bij de Honderdjarige Oorlog, die ‘begon/ … zoals in feite/ die hele, mooie twintigste eeuw van ons/ een Honderdjarige Oorlog was’ en bij de beroemde Slag bij Azincourt (25 oktober 1415), naar aanleiding waarvan hij vaststelt: ‘Oorlog maakt separatorvlees/ van mensen, ze zijn maar vernis/ uit de oorlogsmachinerie’ (blz.1294). En dan maakt hij, na diverse andere uitweidingen, de stap naar het verschrikkelijke bombardement van Nijmegen op 22 februari 1944:

Inktkokers vol vuur
stortten neer op de stad
Een ander evangelie
dat van de Brandstapels
schreven de ijzeren adelaars in februari ’44
Angstzaaiers zaaiden angst

(blz. 1297)

‘o jij, poëzie/ arbeidt met lichtsnelheid, brokstukken/ van alfabetten zwerven om de aarde…’ lezen we in ‘Onder de bladerkronen’ (blz. 1376), waarin ook: ‘Toen de geest ineenzonk, bleven wij stof/ en de klokken sloegen stoftijd en schemer’.
Het zijn de polen waartussen de poëzie van Ter Balkt zich beweegt.

Een andere constante wordt gevormd door de vele raven, kraaien, kauwen en eksters die in de gedichten rondvliegen. ‘Een vliegende kraai vangt altijd wat’, luidt het gezegde en in Ter Balkts geval is dat zeker waar. Het zijn intelligente rovers, deze vogels, alleseters bovendien, zoals hijzelf een literaire omnivoor is. Na de Laaglandse hymnen, die fabelachtige cultuurgeschiedenis van steentijd tot heden die de uitgave besluit, veroorlooft de dichter het zich na de aantekeningen het allerlaatste woord te geven aan Corvus Corone, de zwarte kraai, die onder de bescherming van de Egyptische moedergodin Hathor schrijft:

AAN DE PUS DIE KERKERT

Zoals de avondwind lieflijk gutst
de lelieknoppen en de leliebladeren
– dat zij openen, opengaan en springen,
guts jij dan, grotere adem, jij die
zelfs muren en steden heenzendt en
de mongoolse steppen doet verstommen
– guts het abces, dat vertrekt en gaat,
dat weggeslingerd wordt het verraad
– als ruiterlegers tegen de hemelen –
dat gejonast door de weg de pus afreist

Hals- und Beinbruch am Rathausplatz

De taal (het abc) als abces, een levenslange wond, die eenmaal opengesprongen nooit meer genas. Ziehier het schrijverschap van Herman Hendrik ter Balkt.

Geplaatst in Recensies.