Gedichten

Op het plein zweeft een kind
zwiept met zijn hoofd
eet chips uit een zak

achter haar schouder duikt hij op
wil je tikkertje spelen, mevrouw
waar zijn je vriendjes, vraagt ze

dingen doen, zegt het jongetje
hij heeft lichtrood haar, witte knokkels
een blikje cola

heel wit kijkt hij weg

de wind aait
zijn verwoeste oogopslag
zijn wimpers trillen

hij wacht op de genadeslag

aqueduto da esperança

De kleine werkers in het aquaduct
veegden met hun grote vegers
modder en ratten uit de watergeul

veegden elkaar op de hoop
van Aqueduto da Esperança
dronken van zuurstoftekort

bovengronds nuttigde de bourgeoisie
thee met een smaakje –

Ode aan het tapijt

Op het Perzisch tapijt van moeder
vlechten wij elkaars tenen
bouwen ruggengraat
klein en angstaanjagend horden wij

op de smalle baan
van het tapijt dat niet wil geven
wat wij willen: kleurig geknoopt leven
in onze eigen voetafdruk

vader en moeder en ander getouw
hebben ons gemaakt van garen
vroeg gekiemde mazen
in het nokhoge trapezetapijt

springen we vooruit en duwen
vallen af en spuwen
de een haakt de ander nu
vader allang uitgerangeerd en dood

ooit moeders man en judas jazeker
hitste hij ons modderige kinderen op
het is: moeders Perzisch tapijt bezweren
en alle dingen daarop kapot

niet gemakkelijk wegpoetsen

Geplaatst in Gedichten en getagd met .