LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Albertina Soepboer – bezonken

19 jul, 2014

Hoeveel moet mij invallen om te dansen? 

door Hans Puper

De nieuwe bundel van Albertina Soepboer is mooi, maar weerbarstig. Na iedere lezing dring je verder haar wereld binnen, maar echt kenbaar wordt die nooit. Wat zij beschrijft, de wisselwerking tussen verleden, heden en toekomst, láát zich ook niet geheel kennen, hoogstens aanduiden. Zij gebruikt daarvoor bijzondere beelden van de veranderlijke Waddenzee en het weidse, soms desolate Friese kustlandschap.

De titel is bezonken. Je kunt daarbij denken aan iets wat is bezonken in jezelf. Je kunt ook denken aan helder, niet meer troebel. De betekenissen liggen in elkaars verlengde.
De inhoud is vaak moeilijk te peilen, maar de vorm is zeer strak. Ieder gedicht bestaat uit vijf regels van ongeveer gelijke lengte. Er zijn zes afdelingen van samen zestig gedichten: ‘dieplood’ – ‘kwelwater’, ‘dieplood’ – ‘windstilte’ en ‘dieplood’ – ‘grondstof’. De drie combinaties zijn gescheiden door twee pagina’s wit.
De afdelingen ‘dieplood’ bestaan steeds uit vier gedichten, die uit de andere afdelingen steeds uit zestien, verdeeld in cycli van vier. Aan ieder eerste gedicht van een cyclus gaat een zwart ingevulde cirkel of een niet ingevulde vooraf. Dat gebeurt om en om. Is die strakke vorm een poging tot bezwering? Een suggestie van greep op verleden, heden en toekomst?

Zee en zeezout spelen een belangrijke rol in de bundel. Die staan voor het verleden: het zoute zeewater is immers zo oud als de wereld. Met een dieplood peil je of het schip nog kan doorvaren zonder vast te lopen – op de Waddenzee geen overbodige luxe. En om de Waddenzee gaat het, gezien de beschrijvingen van de kust. Met een dieplood kun je ook grondmonsters nemen; ervaren schippers bepalen daarmee waar zij zich precies bevinden. Als dichter is Soepboer zo’n schipper: zij peilt de toegang tot het verleden en de werking daarvan in het heden en de toekomst. Wat dit laatste betekent, laat zij zien aan het slot van de bundel: je draait je om naar de toekomst en laat het verleden los totdat je het nodig hebt.

ronding

we draaien ons om met dezelfde
schoenen die verderop schuifelen
de smaak van zout houd ik achter
de hand, een wending in de wind
een weten dat met de grond groeit

Op de achterkant van de bundel staat over de dichter onder andere: ‘Aan haar geestesoog trekt het verleden van een dorp aan zee voorbij. Dan begint ze deel te worden van de grote onderstroom.’ Dat blijkt bijvoorbeeld uit de titel van de afdeling ‘kwelwater’. Dat  sijpelt onder de zeedijk door en komt op het land aan de oppervlakte.

De balans tussen verleden, heden en toekomst lijkt zij te willen bereiken door middel van haar gedichten. Dat lukt niet altijd: het heden blijkt dominant en ze vraagt zich af hoeveel poëzie nodig is om dat gelukkig makend evenwicht te bereiken. Het eerste gedicht:

lijn

op de dijk sjokt een schaap de einder in
mijn pen kan het hier zo puntgaaf maken
maar de autoweg naast mij is een liniaal
naar mijn huis, altijd dezelfde beweging
hoeveel moet mij invallen om te dansen

Soms lukt het:

groen

het is begroeid met overal hetzelfde gras
en zelden regent het, ik zoek naar de boter
bloemen, mijn vette herinnering aan toen
ik mis mijn bus, ik trek twee schoenen uit
ik dans, en het stof stuift het zout achterna

De eerste drie regels lees ik als een geromantiseerd verleden; de laatste twee als een gelukkig heden. Ik baseer dat op het tweede deel van de laatste regel: stof als heden, zout als verleden.

Je leest de gedichten in cycli van vier. Om een indruk te geven, laat ik zo’n cyclus in zijn geheel volgen. Die is tevens exemplarisch voor de raadselachtigheid, die mij stimuleert tot herhaalde lezing.

gebed

achter de kerk staat de vrouw, ze verdraagt
doffe haren op vette kleren, een hond blaft
eenzaam, traag loopt oud water de kraan uit
dit beeld wilde ik vasthouden en uitzetten
voordat de engel van zijn ladder afdaalde

Verdraagt die vrouw haar eigen doffe haren op vette kleren? Of die van een ander? Wie is zij? Wacht ze op een geliefde, is zij een prostituee? Stroomt dit beeld als oud water de kraan uit en gaat het dus om het verleden? En hoezo vasthouden en uitzetten? Waarom zou je een beeld willen vasthouden om het vervolgens uit te zetten, te laten verdwijnen? Of moet ik uitzetten lezen als verspreiden? Of bezweren? En die engel op zijn ladder: verwijst die naar de jakobsladder? Dat zou kunnen. Zo’n dalende engel wordt ook wel geïnterpreteerd als een afdalen in jezelf, jezelf leren kennen voordat je verder kunt. Of, in religieuze termen: de ontmoeting met god gaat via de ontmoeting met jezelf. Opvallend is ook de verleden tijd van de laatste twee regels. Heeft die afdaling al plaatsgevonden en suggereert de dichter dat het vasthouden en uitzetten niet is gelukt? Dat poëzie ontoereikend was?

In de cyclus lijkt het om een liefdesgeschiedenis te gaan. Ik kan op de volgende twee gedichten net zoveel vragen loslaten als op het vorige gedicht, maar echt greep krijg ik er niet op. Toch vind ik ze aantrekkelijk. Opvallend zijn de Bijbelse begrippen: brood, het woord roept vlees af – god is mens geworden in christus –, de visser. Opvallend is, dat er niet staat: het woord is vlees geworden, maar het woord roept vlees af.  Ik denk daarom ook aan het tot leven wekken van personen door poëzie.

brood

maar laat de bakker het vuur en zijn hand
waarmee hij het deeg slaat en de koffierand
rond zijn mond als hij de ladder ontwaart als
hij voelt de wapperende haren, zware storm
in zijn ledematen, het woord roept vlees af

 

vangst

genoeg voor iedereen denkt de visser achter
het beslagen raam, zout in zijn mond, trilt
zijn verlangen de haven binnen, een bakker
drijvend op zijn rug, haar lippen bloedrood
waarom hij door zijn benen zakt, en bidt

In laatste gedicht van de cyclus zie je de sterke uitwerking van het verleden op de dichter, in tegenstelling tot de mensen die vergeten. ‘Braken’ kun je zowel lezen als verleden als tegenwoordige tijd. In het laatste geval komt het verleden wel heel heftig naar boven.

zee

en vergeten, de wolken krijgen een stompe
rand, wit spint zich uit, de mensen vergeten
de zee is een zwijgende verstaander, lucht
drijft het dorp over, hoeveel weet ik toch
keer op keer braken de golven naar boven

In ‘windstilte’ legt Soepboer het accent op het heden. Het volgende gedicht speelt niet in het dorp (ik denk daarbij aan Holwerd, het geboortedorp van de dichter) maar waarschijnlijk in Harlingen, haar huidige woonplaats. Leuk om te weten en de sfeer te proeven, maar die namen doen er niet echt toe: haar thematiek is van alle tijden en plaatsen.

slaap

wakker zijn, boven de stad klokken
een regenbui en een kom met melk
niet de fluistering van wind hoor je
maar het langdurige zuchten van wat
onderhuids vuur vasthield, oppookte

In bezonken klinkt de echo door van twee andere zeedichters: Slauerhoff en Adriaan Roland Holst. Tussen Roland Holsts Een winter aan zee en bezonken bestaan sterke verschillen, maar ook overeenkomsten: de zandbanken, de meeuwen, het voortdurend veranderende licht, het verleden – bij de oude bard de mythische voorwereld  – , het heden, de toekomst en, qua vorm, de regelmatige bouw: Roland Holst schreef achtregelige gedichten. Ze is verwant met Slauerhoff in de storm die in hun poëzie op kan steken – bij Slauerhoff vaker dan bij Soepboer. Die echo’s lijken me geen toeval; misschien gaat het een om een bewust eerbetoon aan beide dichters, net als deze recensie dat is aan Albertina Soepboer.
***
Albertina Soepboer (Holwerd, 1969) is schrijver en dichter. Ze is tweetalig en publiceert in het Nederlands en het Fries. Zij debuteerde in 1995 met Gearslach en daarna verschenen o.a. De hengstenvrouw (1997), Het nachtland/De knotwilg (2003), Zone (2005) en De trektocht (2010)

 

     Andere berichten