Yannick Dangre – Met terugwerkende kracht

Een schone verschrikking

door Levity Peters

Indrukwekkend, de bundel Met terugwerkende kracht van Yannick Dangre. Imponerend. Had dat woord maar niet de connotatie van ongewenste, en in dit geval ook ongewilde dominantie.
Dit is poëzie die moeiteloos uit het brein van de dichter lijkt te zijn voortgekomen, met vlekkeloos gemak. Het is alsof de adem van de dichter door de regels heen stroomt, je opneemt in zijn gevoelsstroom, je meeneemt, steeds dieper de ontgoocheling in waar de bundel over handelt.
Voor het laatst kreeg de poëzie van Jehuda Amichai het voor elkaar, dat ik knapte tijdens het lezen van poëzie, en heb zitten huilen. Dat gebeurde in de bundel van Dangre tijdens het lezen van het op een na laatste gedicht van de bundel. Toen volgde nog dat laatste gedicht, als een hoogtepunt direct na een hoogtepunt. Het was teveel bijna. Ik heb echt een tijdje nodig gehad om bij te komen.

Qu’as-tu fait, ô toi que voilà
Pleurant sans cesse,
Dis, qu’as-tu fait, toi que voilà
De ta jeunesse?

Wat heb je gedaan, jij die onophoudelijk huilt, met je jeugd?
Het is het motto van de bundel, een tekst van Verlaine, die met terugwerkende kracht pas zijn lading kreeg. Zoals de bundel in zijn geheel pas na de complete lezing zijn impact krijgt.

De bundel gaat over een stukgelopen relatie. Een onuitputtelijk thema. Wie maakt het niet mee, vroeg of laat. Maar er zijn maar heel weinig schrijvers die de pijn die dat met zich meebrengt tot zijn recht laten komen, zonder te vervallen in clichés.
Beurtelings zijn een man en een vrouw aan het woord.
In de eerste afdeling, ‘Man in the mirror’:

Artis

Hij is negen en wil nog steeds een leeuw
worden. Je probeert hem te vertellen
over uitvinders, Porsches, dichters
die jaren van tevoren hun heldendood
verkochten, maar hij wil het niet.

Dus loop je weer hier en kijkt naar
hoe je zoon zich een weg tussen de tralies
droomt. ‘Kijk, pap, kijk dan,’ kirt hij
en je knikt. Lang geleden stookte ook jij
op je zolderkamer pure levensdrift.

Je zou elke nacht door meisjesharten kruipen
en met pen of patent van je tijdgenoten
wegsluipen. Het werd niets. Geen roem

of poen of Porsche. Alleen een loonstrook
die met je hoogmoed spot en een zoon
die maar geen koning wordt.

Prachtig geeft Dangre het gevoelsdode weer van na de scheiding van een langdurige partner: ‘Kijk pap, kijk dan,’ kirt hij/ en je knikt. Hij zit vol van zijn eigen gevoelens en gedachten, wat het kind vraagt, ervaart hij als teveel.
En hoe verbindt hij de eerste regel met de laatste!
Toch is dit een eenvoudig gedicht. Het is als op de universiteit: alleen de docenten die hun vak werkelijk beheersen, kunnen hun kennis eenvoudig overdragen. Geen woord te weinig of teveel.

In de volgende afdeling, ‘Sagesse’ (wijsheid, deugdzaamheid) is de vrouw aan het woord:

Borsten

Hij kijkt verwonderd naar mijn borsten en ik lach
omdat er zoveel is wat hij nog niet snapt
(menstruatie, afgedragen vaders, buitenspel, buikvel
na de dracht), dus vertel ik hem

dat meisjes, ze zijn dan ongeveer twaalf, hun moeders beginnen
op te rapen. Steeds valt er een stukje van hen af
(in de plaats komt een rimpel, dat is een lijntje inzicht
in hun verdriet) en nemen dochters trots
hun vormen over.

Mijn zoon knikt plechtig, lijkt zelfs even te verstaan
dat ik weer op het schoolplein sta waar iedereen schreeuwde
dat zij de grootste had (niemand wist dat het later,
als je eerste man je inhaalde, ging om wie de hoogste had)

‘En jongens dan?’
‘Van jongens weet ik niets,’ zeg ik
en verder niets. Ik wil niet dat hij zich later verwijt
vaders te begrijpen.

Ook in dit gedicht de twee werelden die door elkaar heen lopen: die van betrokkenheid bij het kind, en de innerlijke wereld van de vrouw die door haar zoontje wordt opgeroepen. Ook wordt het verschil tussen de werelden van zijn vader en moeder duidelijk. Toch is hier overduidelijk dezelfde dichter aan het woord, met zijn ‘afgedragen vaders’.

Ze mag ogenschijnlijk helder zijn, deze poëzie, arm is zij nooit:

(..)
Er hangt ons iets boven het hoofd
en wij wisselen wijsgerige blikken,
genegenheid die knippert
als een kapotte lamp

(uit: ‘Sotto voce (met ingehouden stem) 1)

nr. 3 gaat zo:

Loden lippen. Weer een avond
op de klippen, we liggen er
maar wat bij en kijken naar elkaar
als naar nog door te slikken pillen.

Ik en jij en wij, drie stenen aapjes
met afgeknotte grillen.

Onze ogen staren naar het monddode
plafond:

Geen horizon. Geen koepel.

Alleen het wachten tot we
onszelf naar de haaien
slapen, toch weer ontwaken
en rouwen om het vertrouwde
van ons vel.

Geen vooruitzicht. Geen bescherming. Je voelt bijna de ingehouden adem waarmee de deelnemers aan dit drama het onheil afwachten dat hen boven het hoofd hangt. Het onheil dat zij voor elkaar zijn: de nog te slikken pillen.

Ik zit vol. Ik kan bijna geen gedicht meer lezen zonder vol te schieten. Wat zijn ze mooi en goed en krachtig, deze gedichten; wat zijn ze verschrikkelijk, deze liefdevol geschreven, ons meedogenloos met onze persoonlijke onmacht confronterende gedichten. Elk gedicht opnieuw een afschrift van hopeloos verlangen. Elk gedicht ook een bewijs van de schoonheid die voort kan komen uit pijn, uit lijden – schoonheid die het leven waarde geeft, en (op wat littekens na) herstelt.
Dat zulks niet altijd het geval is vertelt ‘CS’, het laatste gedicht, ‘al capo al fine’ (herhalingen moeten achterwege blijven). Met terugwerkende kracht krijgen alle gedichten een impact die je niet snel zal vergeten. De rugtekst spreekt over ‘nagalmen’. Nazinderen zou ik zeggen; galm is wat deze gedichten juist niet hebben, goddank. Het is lang geleden dat ik zo onder de indruk was van poëzie, dat ik er zo diep door werd geraakt.

Ik wil toch nog één gedicht citeren uit ‘Sagesse 3’:

Later

als ik een lelijk en teder hoopje as zal zijn
en jullie met natte vingers
de richting van het verdriet staan te gissen bid dan niet

maar staar lachend naar jullie hoofd
ik zit er nog vloekend op sudoku’s
etend de planten water gevend

omdat hij het weer eens vergat en alleen bezig was
een natuurwet te worden al heeft hij nooit ontdekt welke
behalve dat ze krachtig was

zorg goed voor mijn kind ook als hij dertig is en ik
samen met zijn vader nog steeds zijn gebreken bepaal
weet ook dat we de kwaadsten niet waren hoogstens wisten we niet
wat er zo vreemd was aan elkaar

dat we ons zo nodig moesten bewaren
tot de tijd mijn vel in de aanbieding zette en hij zichzelf
naar zijn verleden begon te wenken tot ook ik geen andere keuze meer
had dan ten koste van alles een voorsprong te nemen dus vergeef me
dat ik net als jullie een knoop in mijn kind heb gelegd om mezelf
niet te vergeten

Het einde van de bundel laat zich raden.

***
Yannick Dangre (Roosendaal, 1988) studeerde Nederlandse en Franse literatuur en schreef de romans Vulkaanvrucht en Maartse kamers. Hij debuteerde in 2011 als dichter met Meisje dat ik nog moet (nominatie C. Buddingh-prijs, winnaar Herman De Coninckprijs).

 

Geplaatst in Recensies.