Margreet Schouwenaar – Waaraan het vlees ontsnapt

Het gegeven heden

door Joop Leibbrand

Amper drie maanden terug verscheen van Margreet Schouwenaar in een bibliofiele uitgave van uitgeverij Kleinood & Grootzeer de bundel Verlies van lief, zestien gedichten met evenzovele foto’s van Mariet Lems.
Mooi werk, vond ik, en dat deed me Waaraan het vlees ontsnapt (dat nu écht de tiende bundel is, eerder telde ik verkeerd) verwachtingsvol openslaan. Er zijn 45 gedichten; één gedicht is apart voorop geplaatst, de rest is ondergebracht in vijf afdelingen.
Vanwege de zeven bijgeplaatste foto’s – wie de eerdere bundel las herkent ze onmiddellijk – gaat de aandacht direct uit naar de cyclus Verlies van lief. Deze blijkt geheel opnieuw geschikt: Schouwenaar schrapte vier gedichten, plaatste er twee in een andere afdeling (die nu hun verband met de oorspronkelijk bijbehorende foto’s onterecht kwijt zijn), veranderde de volgorde en schreef een nieuw gedicht (‘Stabat Mater’) om de nu nog uit elf gedichten bestaan cyclus mee te openen. Daarbij gaf ze vier gedichten ook nog een andere titel. In de toch vrij uitvoerige ‘annotaties’ wordt over die verschillen met geen woord gerept.
In ieder geval geef ik de voorkeur aan de oorspronkelijke uitgave, al zijn sommige gewijzigde titels wel een verbetering en werd ergens een slotregel terecht geschrapt.

De bundel opent met ‘Opgraving’, geschreven naar aanleiding van de vondst van een groot aantal geraamtes bij een archeologische opgraving in Alkmaar. Zo’n vooropgeplaatst gedicht heeft vaak de functie van een soort motto, bepaalt het perspectief van waaruit de bundel beschouwd moet worden. Het is hier niet anders. De oproep tot het bewust ervaren van de continuïteit van de processen van leven en dood, van voortgang, groei en verval en de positie van de ik hierin, echoot door de hele bundel heen.

Opgraving

Maar als ik dan loop,
stevig op de aarde
en huizen bouw
en denk en doe en weet,
en niet weet wie onder
mij, wie draagt, van wie
de hand voorzichtig
vrij gelegd, van wie
de schedel waaraan
het vlees ontsnapt.

Dat het er was en zal
zijn in zand, in steen.
Bot onder mijn been.

Geen taal dan het gebaar
waarin behouden, gehurkt,
gestrekt, zij aan zij. Meester,
minderman, lijftrawat;
weggevaagd, schoongeveegd.
Die waren. Die zijn. Dood
is werkzaam leven.

En als ik dan loop, ga
over vroeger, zie ik
het gegeven heden.

Dat het is en zal zijn
in zand, in steen, gestrekt,
zij aan zij. Bot onder been.

De ‘foto-gedichten’ meegerekend bestaat de bundel voor meer dan de helft uit gelegenheidsgedichten. Schouwenaar is er goed in, ze lijkt ze makkelijk te schrijven. Soms te makkelijk en dan hindert het mij dat ze de gedichten al te moeiteloos laat doorlopen – alsof ze demonstratiemateriaal voor een dichtcursus schrijft. Dat gevoel bekroop me bijvoorbeeld bij de cyclus Lopen over water, gedichten bij de gerestaureerde gewelfschilderingen van Jacob Cornelis van Oostsanen. Op het feit dat de gedichten, gedrukt op enorme doeken, in de Grote Kerk van Alkmaar hangen, mag ze overigens trots zijn. Het eerste gedicht vind ik in zijn directheid het best geslaagd. Ik citeer begin en slot:

Volgens Oostsanen

God waagt niet. Hij kent
de eerste dag en zag
aan de laatste dat het
genoeg was; een vader
weet tot aan de deur.

[…]

Zijn voetvolk strijdt om
zielen. Niemand gaat
verloren. God waagt niet.

Eeuwig branden, eeuwig
loven. Je moet het
zien voor het geloven.

Naast de betrokkenheid op tijd en eeuwigheid valt in de bundel de gerichtheid op taal op, en dat in de ruimste zin. In bijna de helft van de gedichten is er wel sprake van poëzie, gedicht, woorden, taal, bladzijden, boeken, verhaal, pen en papier en ook zonder die directe begrippen wordt de taligheid opgeroepen. Het zal alles te maken hebben met Schouwenaars professie.
Soms heb ik weleens het idee dat zij te veel wil in een gedicht. Als zij die pretentie laat varen en het eenvoudig houdt, is zij op haar best. In het mooie leesbevorderingspleidooi ‘Stromen’ bijvoorbeeld, waarin kinderen ‘stem’ zoeken.

[…]

Wie wat leert stoomt op,
weten verdampt niet,
verovert gebied in het boek
dat openligt, maakt een plan,
stroomt over, voert mee
van hier naar nu; voert uit

tot het boek dichtslaat,
het woord afschudt,
de zin stilstaat.

Hier zingt de koelkast, de ketel,
zoemt het bed, is altijd over;
loop je over. Binnen een tel
begin je waar je bent.

Margreet Schouwenaar schreef met Waaraan het vlees ontsnapt een gevarieerde bundel. Eens te meer toont zij zich een vakvrouw.

***
Margreet Schouwenaar (1955) is dichter, kinderboekenschrijfster, manuscriptbeoordelaar, docente pedagogiek. Zij werd in 1991, nog voor haar bundeldebuut in 1992, genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. In 2009 werd zij benoemd tot stadsdichter van Alkmaar.

 

Geplaatst in Recensies.