Ton van ‘t Hof – Dingen sluiten nooit helemaal goed aan

Zelfonderzoek en engagement

door Hans Puper

Ton van ’t Hof (1959) gaf zijn tiende bundel Dingen sluiten nooit helemaal goed aan uit bij zijn eigen uitgeverij Stanza, waar lezers exemplaren van de bundel on demand kunnen laten drukken of online bestellen. Ik vermeld dat, omdat dit iets zegt over het dichterschap van Van ‘t Hof. Hij zet zich af tegen de canon van de grote uitgeverijen, die ook de longlist van de VSB prijs domineren, zoals hij op You Tube betoogt. En in zijn gedicht ‘Wie is Roel Richelieu van Londersele?’ schrijft hij: ‘ja er gebeuren gekke dingen / in de literaire wereld (kijk maar naar de VSB Poëzieprijs!)’. Veel experimenten, bijvoorbeeld met computerpoëzie, blijven daardoor onderbelicht.
In zijn vermakelijke openingsgedicht ‘Een kleine gemeenschap’ ironiseert hij die canon. Dichters als Komrij, Slauerhoff, Vasalis en Kopland veegt hij op een hoop met mensen als Bertus Aafjes, Daan Zonderland en Kees Stip. Iedere dichter afzonderlijk noemt hij een genie. ‘Zij zijn onze helden!’ luidt de laatste regel.

Van ’t Hof maakte ‘flarf’ bekend in Nederland, een onzinnaam, net als dada. Je zou het dada 3.0 kunnen noemen: het maken van collages van krantenteksten, zoals Kurt Schwitters wel deed, is in flarf vervangen door google-fragmenten.
Flarf is over zijn hoogtepunt heen, maar computerpoëzie blijft Van ‘t Hof boeien. Van Jezus’ geboorteverhaal volgens het evangelie van Lucas heeft hij twee afzonderlijk bewerkte prozagedichten gemaakt, gevolgd door een pagina waarin hij uitlegt hoe hij dat heeft gedaan: met behulp van een online Markov Generator, gebaseerd op het ‘computer stylistics program’ Travesty.  Op zijn blog 1honderd1 geeft hij eveneens een toelichting. Ik krijg geen greep op de teksten, omdat de bewerkingen een illustratie vormen van Markov’s stelling dat ‘toekomstige toestanden alleen afhankelijk zijn van het heden, en dus onafhankelijk van het verleden.’ Die stelling vind ik heel eigenaardig: er is geen heden, want toekomst en verleden gaan naadloos in elkaar over. Maar goed, we doen in het dagelijkse leven of het wel bestaat. Om welk heden gaat het dan? Dat van het eerste woord van deze zin of dat van het laatste? De toekomstige toestanden gaan kennelijk onophoudelijk over van afhankelijk naar onafhankelijk. De gedichten intrigeren me echter wel en daarom blijf ik ze herlezen in de verwachting dat ik ze ga waarderen.

De rest van de bundel is ‘gewone’ poëzie. Het is een middel tot zelfonderzoek, een manier om jezelf steeds opnieuw te leren kennen:

( …. )
Wat was
en is
mijn relatie met de energie
die het leven is?

En ik greep, na jaren
opnieuw naar

de poëzie

Je verandert voortdurend en dat moet poëzie daarom ook doen:

( … )
ik wil een nieuw leven
ik wil de wereld onder ogen durven zien in de tijd
die mij nog gegeven is

en kan dus niet meer doen wat ik altijd deed
geen gedicht meer schrijven op de wijze als voorheen

waarbij je drommels goed weet
wat je doet
en het tóch doet

tóch doet goddomme

in luxe teren
op wie niks heeft
op deez’ aard
waar Gaea uit oprees

( … )

( In: ‘Ach mens! Kijk naar je eigen! Over de voorbereiding van een gedicht in c-majeur’)

Deze passage is ook een voorbeeld van het engagement van de dichter. Daarin voelt hij zich vaak onmachtig, schuldig en gefrustreerd.

Bij het zelfonderzoek is reflectie op ervaringen essentieel. Ik citeer het gedicht ‘Hoor hier in zijn geheel. Het gaat me nu om de eerste regels; op de rest van het gedicht kom ik later terug.

HOOR HIER

hier. Hoor

hoe ik ervaring omzet

in taal. Iemand plaatst me

op grond van mijn geboortejaar

bij postmodern tuig.

Ik maak een hoop lawaai
zie er woest uit

een lukrake slingering

tussen een vermeend ideaal
en de rommelige realiteit

van smaak, beperkingen, afwijzingen etc.

Dat die ervaringen vaak zijn gebaseerd op zijn deelname als militair aan de Golfoorlog en de acties in Afghanistan, ligt voor de hand: die uitzendingen hebben een onuitwisbare indruk op hem gemaakt. In een prozagedicht schrijft hij:
‘Ze vragen je “maar wat was er dan zo bijzonder” en het bijzondere was, weet ik nu, dat ik niet alleen bij al die anderen maar ook bij mezelf een heimwee bespeur ( … ) naar die vreemde, onuitlegbare tinteling die in de lucht hing, die bijna aanraakbare verwachting, die in de lucht hing, die totale ontroerende openheid van iedereen tegen iedereen, het mengsel van hoop, naïviteit, tactiek en eerlijkheid, alles wat nu, nu de wereld er weer uitziet als de wereld, onzichtbaar is geworden.’

In zijn verantwoording schrijft Van ’t Hof, enigszins ironisch naar ik aanneem: ‘Enige gelijkenis van mijn werk in deze bundel met werk van bijvoorbeeld John Ashbery, Paul Celan, Ed Dorn, Bruno Latour, Jackson Mac Low, Cees Nooteboom, Frank O’Hara, George Oppen of George Steiner berust niet op toeval.’ Kan zijn, maar allusies op zich maken een gedicht niet beter: dat moet ook goed zijn als je die als lezer niet opmerkt. Helaas is dat niet altijd het geval. Soms kan hij clichés niet vermijden, ondanks zijn streven naar passende vormen.  Een uitspraak als ‘We hebben materie / tot onze afgod gemaakt’, zal veel instemmend geknik opleveren, evenals de constatering dat we niet meer kunnen loskomen van ‘een enorm fort van vooroordelen, privileges, bijgeloof, / leugens, misbruiken, gewelddaden, ongelijkheden, duisterheden / en torens van haat.’ Maar grote poëzie is dit niet. Ook woorden als (mijn) ‘passies’ kunnen mij niet bekoren en datzelfde geldt voor frasen als: (ik weet) ‘dat ik geen authentiek innerlijk vertrekpunt heb’ of ‘Ook ik zit tot aan met nek in het gebeuren.’ Of zijn het weloverwogen anti-esthetische formuleringen van een dichter wiens poëzie in dienst staat van zelfonderzoek en engagement? Een afwijzing van de mainstream, van de canon? Op grond van het gedicht ‘Hoor hier’ zou dat kunnen.

Ondanks mijn bezwaren vind ik Van ’t Hof zeker geen slecht dichter. Hij is uitdagend en dat trekt me aan. Bovendien nodigt een aantal gedichten uit tot herlezing.

Geplaatst in Recensies.