Een zinkend vlot op volle zee

De Poolse poëzie geldt op wereldniveau als één van de rijkste van de laatste zeventig jaar. Naast Nobelprijswinnaars Czesław Miłosz en Wisława Szymborska zijn er nog tal van andere boeiende dichters in het land te vinden. Een van hen is Józef Baran (1947). Sander de Vaan spr@k met hem en vertaalde meerdere gedichten.

Wat betekent poëzie voor u?
In het gedicht ‘Eerste trede’ van de Griek Kavafis beklaagt een jonge dichter zich bij een oude dichter dat de treden van de Parnassus zo hoog zijn en dat hij op de eerste traptrede al moe en uitgeput is. Daarop antwoordt de oude dichter: ‘Vergeet niet dat het reeds alle lof verdient wanneer je op de eerste trede staat, want daar verhef je je al boven de gewone wereld.’
Ik ben het met Kavafis eens: poëzie is sowieso al ‘iets’, laat staan poëzie van de hoogste trede, want die doet de lezer op vleugels van metaforen en briljante associaties boven de prozaïsche voetgangers zweven. Het gaat er in de dichtkunst om dat je geroerd wordt, door een origineel idee, een unieke verwoording, nieuwe beelden en, vooral, door authenticiteit.
Wanneer achter de woorden het ware gezicht van een mens zichtbaar wordt (en niet een conventioneel masker), dan weet ik dat de dichter iets interessants, iets ‘nieuws’ te vertellen heeft. Ik krijg dan kippenvel, omdat ik doordring tot de innerlijke waarheid, het intieme levensgeheim van de auteur, vol pijn, vreugde, inzicht, verblinding en verrassingen… Dit kun je niet met een camera, krant, computer of tv tonen, maar enkel met de al duizenden jaren oude taal van de poëzie. Verder kan deze innerlijke waarheid enkel in de woorden van de dichter zelf worden uitgedrukt en niet in een taal die ontleend is aan anderen. Iedere ware gebeurtenis vereist een unieke vorm. Dan wordt het pas ‘echt’ in de poëzie.

Maakt deze ‘innerlijke waarheid’ het verschil tussen een goed gedicht en een wondermooi gedicht?
Ja. Het gaat er niet alleen om of iets goed gemaakt en gekruid, literair efficiënt, formeel opmerkelijk of rijk aan ideeën is. Minstens even belangrijk is dat een gedicht deze innerlijke waarheid van de auteur bevat. Wanneer ik zo’n gedicht lees, vertoef ik in zijn innerlijke wereld en vertrouw ik erop dat hij geloofwaardig en eerlijk is. Men kan ieder woord van de dichter vertrouwen, omdat het in een pure, eenmalige toon vervat is. Zo’n gedicht lijkt op een vogel, die in de fantasie van de lezer rondvliegt. Maar wanneer het enkel een vogel is die correct, volgens de normen en modes van het moment vervaardigd werd, dan is het weliswaar een vogel met alle ‘onderdelen’, zoals een snavel, vleugels en veren, maar hij vliegt niet of fladdert maar wat over de grond… Zo gaat het tenminste in mijn lezersfantasie.

Waar is uw plaats in de Poolse poëzie, in vergelijking met bijvoorbeeld Czesław Miłosz en Wisława Szymborska?

Miłosz en Szymborska hebben beiden (en niet alleen vanwege de Nobelprijs) een groot plein in de ‘Poolse Poëziestad’. Op het Miłoszplein staat een groot bronzen standbeeld van de dichter, met de volle, voorname wenkbrauwen van een profeet. Op dit plein bevindt zich een belangrijk kruispunt en het wordt drukbezocht door toeristen en schoolklassen. Het wemelt er van de mensen en auto’s, compleet met getoeter en uitlaatgassen, net als op het Szymborskaplein, dat wat kleiner is omdat zij minder gepubliceerd heeft.

Ik denk dat mijn poëzie in deze Literatuurstad eveneens een plek heeft: een schilderachtige straat aan de rand van de stad, weg van de drukte en omgeven door een mooi heuvellandschap. Dat wil echter niet zeggen dat daar geen voorbijgangers gesignaleerd worden, of liefhebbers van rust en vrede, mensen die even willen bekomen van de stadsherrie. Het is dus geen hoofdstraat, maar er komen regelmatig mensen die gek op dit straatje zijn en er zijn er zelfs die beweren dat dit hun lievelingsplek in deze stad is.

Welke dichters hebben u beïnvloed?
Ik zoek tegenwoordig ook naar poëzie in proza. Ik ben bijvoorbeeld zeer onder de indruk van het proza van de Hongaar Sándor Márai. In mijn jeugd was ik dol op het werk van de Russische dichter Jesienin en van Reiner Maria Rilke. Verder is er Edgar Lee Masters, de Amerikaan die bekend werd door zijn bundel Spoon River Anthology. Wat betreft Poolse dichters, lees ik graag de originele, zinnelijke gedichten uit het begin van de twintigste eeuw van Bolesław Leśmian. Verder zijn de gedichten van Zbigniew Herbert, Jan Twardowski en Jerzy Harasymowicz heel boeiend. En zo zijn er nog veel meer Poolse dichters.
Als schrijver heb je in de loop van je leven verschillende fascinaties en je zoekt steeds weer nieuwe ‘lezers-vitaminen’ die je kracht geven en fris houden. Als je ouder wordt, word je overigens wel kieskeuriger en raak je niet zo makkelijk meer in de ban van iets nieuws. Sommige belangrijke schrijvers raken op hoge leeftijd zelfs het geloof in de literatuur kwijt. Ik houd me echter aan dat geloof vast als betrof het een zinkend vlot op volle zee.

En wat vindt u van Anna Świrszczyńska? Ze is minder bekend, hoewel een tijdje geleden een zeer boeiende bundel van haar in het Nederlands is vertaald.
Świrszczyńska woonde in Krakau. We kenden elkaar en ik heb haar ooit geïnterviewd voor een boek. Haar gedichten lees ik graag, omdat ze net als mijn eigen teksten dicht bij het leven staan, ze betrappen het leven als het ware ‘op heterdaad’. Ze schreef geen formele kunststukjes, maar wilde met haar onsentimentele lyriek iets belangrijks over zichzelf doorgeven. Ze streed voor de rechten van eenvoudige vrouwen uit de provincie, die vernederd en onder druk van hun echtgenoten moesten leven. Ze was een fervent tegenstandster van de tragische opstand in het Ghetto van Warschau in 1944, waarbij tweehonderdduizend inwoners omkwamen. Maar ze schoot de opstandelingen wél te hulp en beschreef in haar gedichten-reportages het enorme leed dat de militaire bevelhebbers met hun onbezonnen optreden onder de inwoners veroorzaakten.
In Krakau raakte ze bevriend met bedelaressen en daklozen. Ze stond altijd aan de kant van degenen die mishandeld en vernederd werden. Als een van de eerste vrouwen in Krakau deed ze aan yoga. Anna was een moedige, onconventionele vrouw die door enkelen voor gek versleten werd, een vrouw die een jager op straat staande hield om hem te zeggen dat het belachelijk was dat hij op jacht ging.
Haar sociaal geëngageerde poëzie spreekt mij minder aan dan haar miniaturen uit de bundels Wind en Gelukkig als een hondenstaart, omdat die teksten eenvoudig, scherp, geraffineerd en existentialistisch zijn. Vandaag de dag is zij in Polen wat in de vergetelheid geraakt, hoewel Miłosz haar altijd heeft verdedigd en haar als dichteres nog hoger inschatte dan Szymborska.

Hoe ontstaat normaliter een gedicht van u?
Ik schrijf een gedicht in vijf minuten, maar put daarbij uit mijn complete levenservaring. Sommige teksten ontstaan heel snel, maar vaak corrigeer ik ze nog regelmatig. Ik ben een ‘beeldmens’. Vaak ga ik uit van een concrete situatie, een beeld waarin de kiem van de hele compositie schuilt. Daarbij gaat het ook om een verrassende gedachte, een oorspronkelijke benadering van het thema. Verder hecht ik belang aan de klank, muzikaliteit, ritme en sfeer van het gedicht. Én ik houd van onnauwkeurig rijm en assonanties.
Mijn beste gedichten zijn ontstaan uit een diepgaande, soms door de vorm gecamoufleerde emotionele gebeurtenis. Zonder deze unieke belevenis, zonder die gevoeligheid, zou het slechts een droog, doorwrocht poëtisch bericht zijn, dat niemand raakt. Net als bij andere kunstwerken moet een gedicht zowel op emotioneel als intellectueel niveau werken, op het hart en de geest, het onderbewustzijn en bewustzijn. Een gedicht moet léven en niet alleen op papier bestaan… Het mooiste moment is wanneer een gedicht als een vliegtuig opstijgt vanuit die concrete aardse situatie en begint te vliegen en hoog in de lucht verwordt tot visioen.

Mij bevalt het gedicht ‘Sprookje over sterren’ zeer. Het leest alsof het inderdaad in vijf minuten geschreven werd. Klopt dat?
Dat zou best kunnen, maar ik weet het niet meer precies. Het gedicht is gewijd aan Anna Dymna en Jerzy Trela, twee belangrijke Poolse toneelspelers en filmsterren. Ze hebben mij vaak begeleid op mijn voorleesavonden en weten mijn poëzie heel adequaat te interpreteren. Het ‘Sprookje over sterren’ heeft betrekking op hun privéleven, maar tegelijkertijd heeft het ook te maken met de echte sterren aan de hemel. Zoals ieder goed gedicht kan het op meerdere wijzen gelezen worden. Het bevat ook een metafysische kern.

U zei eerder dat u in uw gedichten tracht het leven ‘op heterdaad’ te betrappen. Biedt het schrijven ook troost of een diepere verklaring voor het leven in religieus of filosofisch opzicht?
Met ‘het leven op heterdaad betrappen’ bedoel ik allerminst dat ik afzie van het ‘eeuwige moment’ dat in een ogenblik kan schuilen. Parafraserend op de spreuk ‘Carpe Diem!’ en de woorden uit Faust: ‘Sta even stil. Je bent zo mooi’ zou de dichter kunnen zeggen: ‘Sta eeuwig stil bij het tot poëzie omgetoverde moment!’ Poëzie kan namelijk troost bieden: één van de belangrijkste Poolse dichters uit de zestiende eeuw, Jan Kochanowski, beklaagde zich in zijn ‘Complainte’ over de dood van zijn dochter en legde het moment van zijn pijn en rouw vast. Dat moment in zijn gedichten blijft actueel, hoewel er sinds die gebeurtenis al vijfhonderd jaar verstreken zijn.
Verder zeg ik in een van mijn gedichten: ‘Wanneer wij als een blind kuiken een graankorrel gevonden hebben, het lot uit de materieloterij – het ongelooflijke wonder van de geboorte – waarom zouden we dan niet kunnen blijven dromen, zélfs van het wonder van een eeuwig bestaan?’ Ik koester deze poëtische troost, die alles mogelijk maakt. En ik denk aan deze verzen wanneer ik de vergankelijkheid van het leven voel… Poëzie kan dus een therapeutische rol vervullen, maar hoewel poëtisch denken verwant is aan religie en filosofie, is het toch een ander, individueler pad dat vaak ergens in de wildernis uitkomt, in het spoor van intuïtie en vol vluchtige, onduidelijke, irrationele gevoelens.

Wat zou u als dichter nog graag willen bereiken?
Sommige dichters hebben hun mooiste gedichten op latere leeftijd geschreven, maar ik vind het al goed wanneer mijn teksten er niet slechter op worden. Het is geen kunst om in je jeugd dichter te zijn, want in die periode is iedere mens – ook als hij niet schrijft – een dichter. Maar in de leeftijdscategorie van vijftig jaar zijn er nog maar weinig dichters over. En wanneer iemand op leeftijd nog probeert vleugels te scheppen om de zwaartekracht op te heffen, hebben we met een gek van doen, óf met een echte dichter in Gods genade.

Geplaatst in Interviews.