Annemarie Estor – Dit is geen theater meer

De zuivere honger om het vuil

door Levity Peters

Dit is geen theater meer luidt de titel van de nieuwe dichtbundel van Annemarie Estor. Voor mij klinkt dat als de uitroep: Dit is niet leuk meer! Het was mijn eerste associatie toen ik de bundel in handen had. Een associatie die mede werd veroorzaakt door de afbeelding op de omslag: op bijna gelijke afstand van elkaar zie je drie figuren bovenop een rotswand staan. Wie stellen zij voor? Wat doen ze daar? Op wat voor orde duidt die symmetrie?

Je kent het vast wel: je bent net wakker, hebt een vreemde droom gehad, die je net verteld hebt aan je nog half slapende partner, als die, popelend, ook begint een net beleefde droom te vertellen. Zo enthousiast!
Beleefd, om de haverklap geeuwend, luister je, reageert van tijd tot tijd met een opmerking, een vraag – Maar wat is het vervelend om andermans droom aan te horen! Het is bijna net zo vervelend als het verslag van een film die je niet gezien hebt, en die je na het verslag niet meer wilt zien ook. De emotionele impact van iets wat je meemaakt, dat je ondergaan hebt, is ontzettend moeilijk over te brengen.
Niet voor Annemarie Estor. De dichtbundel Dit is geen theater meer heb ik ademloos uitgelezen. En direct nog een keer. Ik heb vrij veel surrealistische poëzie gelezen, ook Nederlandstalige, maar zelden was ik daarvan zo onder de indruk als van het werk van Estor. Niet in de laatste plaats, omdat haar poëzie zo goed geschreven is.
Het eerste gedicht van de titelreeks gaat zo:

Niemand is thuis, alleen zwaarlijvige planten
en een gladde bewonderaar.

Ik sta met cognac voor het raam.
Zelfs dit hemdje drukt mij de keel dicht.

In de nachtval staan de villa’s van de buren
overeind als decors in het theater.

Als tanden in een muil.

Ik zou door ze heen willen kijken
naar wat zich elders voltrekt, in een andere tijd.

Dan, in het donkerpaars, verschuiven de panelen,
en schijnen twintig manen vol in mijn gezicht.

Of het dromen zijn die zij beschrijft, of dat zij die als uitgangspunt neemt, of dat het haar levendige verbeelding is, doet feitelijk niet ter zake. Heel sterk is het gevoel dat zij mee geeft, dat de werkelijkheid gevormd wordt door haar denken, al heeft dat blijkbaar de touwtjes niet volledig in handen: de villa’s van de buren worden decor, maar zij onthullen, als de panelen verschuiven geen andere werkelijkheid in een andere tijd, maar twintig manen. Mijn associatie was met toneellichten, maar Estors werkelijkheid is een andere, nogal verontrustende. Donkerpaars, roept dat geen reminiscenties op met religie of zelfs met rouw? Niets is wat het lijkt. We zijn ons houvast kwijt.

Estor roept met haar vervreemdende beelden wel een werkelijkheid op die gelinkt lijkt aan de harde werkelijkheid van de wereld waarin wij nu leven, en die voor mij ook op de door haar geschilderde omslag prijkt: misschien toont zij slechts toeristen die vanaf de rand van een rots naar de zee kijken, maar ik zie IS-strijders voor mij die net een aantal ongelovigen hebben vermoord. Het rituele ervan, de symmetrie, als werd er gehoorzaamd aan een hogere macht, onpersoonlijk bijna. De daders onherkenbaar, uniform: een kenmerk van elke vorm van fascisme…

En ook wij, lezers zoeken naar een vorm van orde, een handvat; vertalen elke regel, of proberen hem zo te vertalen, in een poging om ons, al is het maar een klein beetje, thuis te voelen. Alsof het theater is.
In een theater kunnen de verschrikkelijkste dingen over je worden uitgestort, je kunt volledig in de ban raken van wat zich voor je ogen afspeelt, je kunt vergeten dat je naar een toneel zit te kijken, je kunt tot tranen toe geroerd raken, wat je ziet kan samenvloeien met wat je eerder zelf beleefd hebt, de diepste wanhoop kan even wakker geroepen worden; maar goddank laat je het opgelucht in het theater achter. Als schoongewassen ga je weer naar huis, opgefrist, verkwikt, bevrijd. Catharsis.

‘Dit is geen theater meer’, schrijft Annemarie Estor. En ze houdt ons koel, beheerst in haar nachtmerries vast, alsof we er aan gewend zijn , alsof zij ons een wereld voorhoudt waarmee wij, net als zij, in het reine moeten zien te komen:

Kamers zonder ramen

Ik zit geknield in een kamer zonder ramen
en ruik hoe regens vreten aan de muur.

Een bui dringt door het dak,
druipt langs de wand.

Na jaren hoor ik een mens,
pantoffels sloffen op het zeil.
Jassen strijken langs kozijnen.
‘Ach, zijt ge hier?’

De oude houdt een vlam voor mijn gezicht.
In de stroompjes langs de muren schittert vuur.
Midden in een woestenij van rimpels
twinkelen twee ogen, oud als Ethiopië.

‘Ge weet het toch?’ vraagt hij,
‘Ge kon vertrekken, nu, en alle dagen.’

Maar de muren zijn gemaakt van wil,
het is de mijne.

Zij schrijft met de natuurlijkheid waarmee een droom zich voltrekt, maar ik vermoed dat ze eigenlijk openhartige zelfportretten schrijft.
Geknield in een ruimte zonder ramen, tussen muren gemaakt van wil. Ze kan/kon vertrekken, maar ging niet, en waarom zou ze? In haar ervaring is zoveel schoonheid… ‘Want het schone is niets/ dan het nog net door ons te verdragen/ begin der verschrikking’, schreef Rilke in de eerste elegie van Duino.

In ‘Het dunste vlies 3’ schrijft Estor:

Het verlangen tilde ons op
tot ver boven de straatstenen.

Voeten van het dek gelaten,
geketend bij de vleugels en de nek.

Wij kenden het goed. Het was bij machte
alles te verbreken. Alles te verstieren
wat verzameld was.

En elk woord werd een leugen, elke belofte.
De letters, de zinnen werden slaven
van het verraderlijke verlangen
dat zich telkens vermomde.

Soms verlangden wij het lam te zijn
geofferd in het hemelstralen,
dan werden wij de pooier
aan de ingang van de martelkamer.

Wisten wij maar wat zou blijven:
De wens om zuiverder te worden,
of de honger om het vuil.

Wisten wij maar wat de doorslag gaf.

De stenen bleven ondoorzichtig
tot de doodslag kwam.

Een gedicht als dit is een kleine wonderkamer. Er is zoveel in uitgestald dat er telkens wel iets is dat verrast. Dat komt mede doordat Estor heel goed weet hoe taal werkt: je leest in eerste instantie de clichés die doorgaans worden gebruikt, en dan pas wat zij met de woorden, de zinnetjes heeft gedaan, en opent daarmee reeksen van associaties. Voeten van het dek gelaten, staat er, maar we blijven aan de grond gebonden: we kunnen niet vliegen en we komen niet weg van de muur. Waarom de honger óm het vuil? Het ene moment offeren we ons op, en het volgende trekken wij profijt van het lijden van anderen. Hemelstralen, martelkamer; rijmen ze niet in de verte op elkaar? Verstieren ken ik slechts als versjteren, maar roept bij mij direct een andere associatie op. Terecht? Vreemd?

Wat ik persoonlijk het belangrijkste kenmerk vind van deze poëzie, is dat ze je geest in beweging brengt. Ze zet je aan het werk, trekt je naar binnen. Of je wilt of niet.
Maar is dat niet het doel van elke vorm van kunst? Dat ze je een spiegel voorhoudt? Wat voor zin heeft het wanneer dat niet het geval is? Er zijn gemakkelijker vormen van vermaak, die beter in staat zijn om je te amuseren. Poëzie, die belachelijke vorm van literatuur, vraagt inspanning, maar kan rijker zijn dan proza dat je vooral leest om het verhaal. Poëzie biedt je ook beelden, klanken, ritme, dynamiek; alles om iets op te roepen dat wel de naam ‘ziel’ heeft gekregen, dat ondefinieerbaar levende waarvan de herkenning als voedsel werkt voor je innerlijk. Het lijkt belachelijk dat we ons om kunst, om poëzie bekommeren, maar toch bieden ze ons iets waar goddank nogal wat mensen werkelijk naar hongeren. Het diepst menselijke waarin iedereen zich zou moeten kunnen herkennen, het intiemste theater, waarvan Annemarie Estor zegt: Dit is geen theater meer.

***
Van Annemarie Estor (1973) verschenen eerder Vuurdoorn me (Herman de Coninckprijs voor het beste debuut 2011), De oksels van de bok (Herman de Coninckprijs voor de beste dichtbundel 2013) en Het boek Hauser (2013), een beeldverhaal dat ze schreef samen met Lies Van Gasse.

Geplaatst in Recensies.