Inge Tielman – Mozaïek van licht

Een dichteres in het vloedlicht van de herfst

door Romain John van de Maele

Zonder licht is het menselijk leven ondenkbaar. Het is zo fundamenteel dat een lange, donkere winter tot winterblues kan leiden. Licht is als existentieel element ook vaak het kernelement van een gedicht of een hele bundel. Ik denk aan de bundel Aanwezig licht (2011) van Bert Kooijman en aan het licht dat zo veelvuldig in Hans Andreus’ gedichten medebepalend is. In ‘Driemaal leven’ zijn ‘leven en dood en de rest: // bewegingen in het licht.’ Bijna vijftig jaar geleden heeft Ook Inge Tielman (1931) haar relatie met het licht gestalte gegeven in haar tweede bundel: Deelbaar licht (1966). Vijf jaar eerder verscheen haar debuut: Leg je oor aan (1961).

In haar nieuwste bundel, Mozaïek van licht, richt de schrijfster zich opnieuw op het onvatbaar natuurverschijnsel licht. Licht is zoals elektriciteit: we kunnen het effect van licht en elektriciteit waarnemen, maar geen van beide laat zich vatten. Elektriciteit is overigens de onzichtbare bron van veel kunstlicht, een verschijnsel waarmee Inge Tielman wellicht als weinig anderen vertrouwd is. Haar beroepsleven speelde zich voor een groot deel in de theaterwereld af, en daar is licht en belichting essentieel. Theatervoorstellingen in open lucht zijn in het Nederlands taalgebied geen courante praktijk.

Als theaterdirecteur en regisseur is Inge Tielman per definitie vertrouwd met de begrippen tijd en ruimte. Het is jammer dat men bij de opmaak van de bundel geen rekening heeft gehouden met haar ervaring met ruimtelijke effecten. De kortere gedichten bengelen als het ware aan de bovenmarge, en onder de laatste versregel gaapt een groot wit vacuüm. Een goed gedicht moet ook goed gepresenteerd worden om de impliciete inhoud aan de oppervlakte te laten komen.

Niet alleen het leven is zonder licht ondenkbaar. Zoals de mens en andere wezens komen ook kleuren tot leven dankzij licht. Het gebruik van kleuren is relatief beperkt in Mozaïek van licht, hoewel de titel en het voorplat een tegengestelde verwachting oproepen. De gedichten sluiten niet aan bij het omslagontwerp, ze baden niet in theaterlicht. Een gedicht als ‘Avondrood’, een van de kortere gedichten, speelt zich niet tussen muren af:

aanbid het avondrood
ontwaak in de tuin van
het ochtendgloren
bewonder de zee als de liefde
in een zon overgoten hart
terwijl de storm woedt in het brein
alles in één
zwem in de golven van geluk (p. 18)

In dit gedicht, waarin de zon aan de liefde wordt gekoppeld, wordt impliciet liefde als licht ervaren, de tegenstelling van de donkere leegte van het hart. En de dichteres of een aangesproken onzichtbare persoon wordt aangespoord om in ‘golven van geluk’ te zwemmen, want ook de zee wordt met de liefde geassocieerd. In het water wordt het lichaam immers gestreeld zoals nergens anders. Het is een uiting van krachtig vitalisme van een dichteres die in 1931 (!) het licht is binnengetreden. Welke dichter(es) die ouder is dan tachtig getuigt nog met zoveel passie over de relatie van haar lichaam en haar geest met de omgeving? Toch is er in dit gedicht een klank – de lange, weemoedige o – die op spanning wijst, en precies in woorden met een positieve connotatie: ochtendgloren en overgoten (in combinatie) met zon. Het is precies dit soort spanning(en) dat een gedicht boven een gewone mijmering tilt.

Een opvallend gedicht is ‘De Witte Bloem’, waarin de dichteres haar leven samenvat in twee versregels: ‘dus vallen en opstaan vallen en opstaan / dat is wat ik mijn hele leven doe.’ (p. 32) Dat is wat wij allemaal doen. Het is niet de ‘balans’ die van ‘De Witte Bloem’ een opvallend gedicht maakt, het is de prosodie met de vervelende herhalingen van groeien en vernield worden (‘door een hagelbui’) die het gedicht bijzonder maakt. De verwoording wijst erop dat de dichteres – geheel anders dan in ‘Avondrood’ – het leven als een onvoltooibaar streven ervaart. Dit gedicht doet denken aan de mythe van Sisyfus. Anders gezegd, de zin van het leven ligt in het leven, niet in het streven.

‘Het Schilderij’ (p. 35) ligt in de lijn van ‘Avondrood’. Het lyrisch subject – niet één keer is er een ik of een zij/hij aan het woord – lijkt hier de zin van het leven te vinden in het (samen)zijn. Het zijn is nog onbehouwen, verlangend van ‘ontluikende wellust’, en ‘de gloeiende huid brandt de lust / in ruwe onbehouwen variëteit’

in een mantel van genegenheid
wordt de liefde tentoongesteld
innig van weelderig schoon
en ruw van onbehouwenheid
de man de vrouw in diversiteit.

Het leven dient zich in vele vormen aan, belicht of in de schaduw, temperamentvol of aanvaardend… een ervaring die Tielman als volgt heeft verwoord: ‘daarom ben ik anders / maar eigenlijk ben ik steeds die ene ik / steeds dezelfde.’ (p. 38) De dichteres schrijft in het besef van de ‘ewige Wiederkehr des Gleichen’ (Nietzsche). Na de donkere uren is er altijd weer het licht zoals in het gedicht ‘Ochtend’. (p. 44) Wie in dat besef schrijft, heeft een inzicht verworven dat de aarzeling van middeleeuwse monniken – post tenebras spero lucem – naar het vergeetboek verwijst. Mozaïek van licht bevat overtuigende, poëtische gedichten, maar helaas ook teksten die niet boven het anekdotische uitstijgen. De bundel getuigt wel van een bijna onaangetast vitalisme, en dat is geen kleinigheid nu er overal ter wereld dreigende onweerswolken hangen.

Geplaatst in Recensies.