Klassieker 195: Rutger Kopland – De laatste bevindingen

door Eric van Loo

Meander Klassieker 195

Eric van Loo, in het dagelijks leven werkzaam als neuropsycholoog, bespreekt ‘De laatste bevindingen’ van dichter-psychiater Rutger Kopland. Een buitengewoon actueel gedicht, dat subtiel kanttekeningen plaatst bij het opkomende neurodeterministische denken.

De laatste bevindingen

Er waren zoals we dachten te weten twee werelden –
de echte en die andere

dit onderscheid is onlangs bij nader onderzoek
een overbodige illusie gebleken: deskundigen
hebben in menselijke hersenen gezocht
en geen verschillen gehoord of gezien

integendeel, wat zij vonden was met geen pen
te beschrijven, zo ongelooflijk eenvoudig
zo mooi

zij noteerden:

‘De nacht viel in de ramen van ons instituut,
maanlicht streek over de jonge borsten
van onze vrouwelijke proefpersoon

en ja, de door haar hersencellen aangedreven apparaten
zuchtten en in onze microscopen zagen we
in haar moleculen melkwegen van verlangen.

Wij zoeken nog koortsachtig naar formules.’

Aldus enkele opgetogen, onbedoeld lyrische citaten
uit hun verslag


Rutger Kopland (1934-2012)
Uit: Tot het ons loslaat
Uitgever: G.A. van Oorschot, Amsterdam,1997

Inleiding
Rudi van den Hoofdakker (1934-2012) heeft zich als psychiater vooral gericht op de biologische psychiatrie. Van 1981 tot 1995 was hij hoogleraar biologische psychiatrie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Als psychiater en onderzoeker verrichtte hij baanbrekend werk op het gebied van depressiebestrijding door lichttherapie en slaapverschuiving.
Het werk van de psychiater Van den Hoofdakker dringt opvallend weinig door in de poëzie van zijn alias Rutger Kopland. In zijn tweede bundel (Het orgeltje van yesterday, 1968) treffen we nog twee portretten aan van patiënten: ‘Juffrouw A’ en ‘Meneer K’, maar verder vertoont de thematiek in zijn poëzie weinig overeenkomsten met zijn professionele werk. Het hier besproken gedicht vormt hierop een uitzondering. Het verscheen in 1997 in de bundel Tot het ons loslaat, die bekroond werd met de VSB Poëzieprijs. Twee jaar na zijn emeritaat als hoogleraar aan de RUG voelde hij zich misschien vrij genoeg om zich in zijn poëzie uit te spreken over ontwikkelingen in de medische wetenschap, al komt de psychiatrie ook in zijn latere werk verder weinig terug.

Aanleiding
‘De laatste bevindingen’ is een buitengewoon actueel gedicht. In mijn ogen is het een nog altijd verfrissend geluid tegen het opkomende neurodeterministische denken, zowel in de wetenschap (Swaab [1] , Lamme [2]) als in het publieke domein. Als voorbeeld van dit laatste mag een passage uit Alles wat er was (2013) van Hanna Bervoets [3] dienen.

Je ziet een ander, in je brein komen neurotransmitters vrij. Vind je die ander bijzonder aantrekkelijk, aardig of geil, dan zullen de bewuste neurotransmitters waarschijnlijk fenylethylamine en noradrenaline zijn. Dat voelt fijn. Vindt de ander jou op zijn beurt ook bijzonder aantrekkelijk, aardig of geil, dan zal hij geneigd zijn je aan te raken, waardoor jouw brein nog meer neurotransmitters zal aanmaken en jij de ander ook zal aanraken, waardoor zijn brein nog meer neurotransmitters  gaat maken tot jullie er allebei aan verslaafd zijn (…).

Deze passage vormt een forse stijlbreuk in het boek. Het lijkt of de schrijfster bij monde van haar hoofdpersoon Merel een proefballonnetje met ideeën oplaat, waarop zij later haar roman Efter zal baseren. Liefde gereduceerd tot hersenactiviteit, verliefdheid beschouwd als verslaving. Zonder Hanna Bervoets te noemen illustreerde prof. Erik Scherder in de thema-uitzending ‘Liefde is de baas’ van DWDD 22 mei 2015 dezelfde gedachtegang aan de hand van enkele afbeeldingen van gebieden in de hersenen die actief zijn bij verliefdheid.

De laatste bevindingen
De titel van het gedicht is dubbelzinnig. Gaat het om de ‘meest recente’ of om de ‘uiteindelijke’ bevindingen (Engels ‘latest’ versus ‘last’). Ik vermoed dat de tweede interpretatie het meest aansluit bij Koplands ironische toon: het raadsel eindelijk ontsluierd.
Mooi is de formulering ‘zoals we dachten te weten’. Er staat niet ‘zoals we dachten’ of ‘zoals we wisten’. Nee, Kopland wijst ons er fijntjes op dat ook ons weten van tijdelijke aard is, niets is voor altijd zeker. Wat bedoelt de schrijver met ‘de echte en die andere’?
In de tweede strofe wordt duidelijk dat het moderne hersenonderzoek het eigenlijke onderwerp van het gedicht is, waarbij het onderscheid tussen de twee werelden zoals we die vroeger onderkenden achterhaald blijkt te zijn. Hij doelt hierbij dus op het onderscheid tussen buitenwereld en binnenwereld, op de klassieke tegenstelling lichaam-geest.
Ondertussen wordt de ironische toon sterker aangezet. Pas op als Kopland het over ‘deskundigen’ heeft. Dat de schrijver een zekere afstand heeft tot deze deskundigen blijkt ook uit het taalgebruik. Aan een cliché als ‘met geen pen te beschrijven’ zou hij zich anders nooit bezondigen. Mooi is de korte laatste regel van de derde strofe, alsof de onderzoekers van pure emotie niet meer uit hun woorden komen en stilvallen.
Wanneer Kopland in volgende strofes de fictieve onderzoekers letterlijk citeert gaat hij helemaal los. Door de toepassing van de hyperbool verliezen de onderzoekers hun objectieve houding, beginnen zelfs apparaten te ‘zuchten’ (een woord dat je verder bij Kopland niet snel zal tegenkomen) en wordt ook de taal met zijn sterke alliteraties steeds poëtischer. Met koortsachtig wordt gesuggereerd, dat zij niet alleen ijverig naar formules zoeken, maar ook zelf door koorts bevangen zijn geraakt.
Maar wat gebeurt er nu werkelijk in dit laboratorium? Gezien de nachtelijke setting lijkt sprake van een slaapregistratie. Een vrouwelijke proefpersoon ligt aangesloten op allerhande apparatuur, waarmee haar hersenactiviteit tijdens slapen en dromen in beeld wordt gebracht. En ja, als zij droomt slaan bepaalde wijzertjes uit. Maar de onderzoekers zien meer: in haar moleculen zien zij ‘melkwegen van verlangen’. Nog los van het feit, dat bij dergelijke onderzoeken geen hersenweefsel onder de microscoop wordt gelegd, laat Kopland zien hoe de onderzoekers slachtoffer worden van projectie, een fenomeen dat zij sinds zij Freud naar de vuilnisbelt hebben verwezen waarschijnlijk nauwelijks onderkennen.
In de laatste strofe komt de verteller weer aan het woord. De ‘onbedoeld lyrische’ stijl van de citaten heeft een mooie dubbele bodem: enerzijds wordt aangegeven dat de deskundigen tijdens hun nachtelijke onderzoek de objectiviteit uit het oog zijn verloren, anderzijds zijn de lyrische citaten door de schrijver nadrukkelijk in het gedicht vormgegeven.
De laatste regel houdt abrupt op, alsof het verslag nog verder gaat. Hierbij treedt parallellie met het einde van de derde strofe op. Ook valt op, dat alleen in de passage tussen aanhalingstekens punten en komma’s worden gehanteerd, om het verschil in stijl te benadrukken. In veel van Koplands latere gedichten ontbreekt de interpunctie volledig.

Strekking
Waar bestaan nu de laatste bevindingen uit? Het laat zich moeilijk in een paar woorden vatten. Als ik de beschrijving van de onderzoekers in het instituut op me in laat werken lees ik: ja, natuurlijk is er hersenactiviteit meetbaar wanneer we iemand die slaapt of droomt observeren. Er is immers geen onafhankelijke geest die droomt. Tegelijkertijd onttrekt de inhoud van de droom zich aan onze waarnemingen, en zegt de uitslag van de apparaten weinig over wat zich in de beleving van de proefpersoon afspeelt. De onderzoekers zagen slechts iemand die sliep, en meetbare hersenactiviteit op apparaten. Zij vonden geen ‘ziel’ of innerlijke waarnemer (homunculus), het was eigenlijk allemaal ‘ongelooflijk eenvoudig’.
Maar niet zo eenvoudig dat hiermee ook een oorzaak-gevolgrelatie gegeven is. Droomt de proefpersoon omdat er hersenactiviteit is, of is er hersenactiviteit omdat zij droomt? In de eerder geciteerde passage uit het boek van Hanna Bervoets wordt deze causaliteit wel verondersteld. Er wordt uitgelegd dat je verliefd wordt omdat er bepaalde neurotransmitters vrijkomen. Waarmee natuurlijk geenszins verklaard wordt waarom je juist op die ene persoon en niet op iemand anders verliefd wordt. Omdat wanneer je die andere persoon ziet deze neurotransmitters niet vrijkomen? Dat is een cirkelredenering waartegen ‘De laatste bevindingen’ zich in alle eenvoud lijkt te verzetten.
Bij het analyseren van het gedicht moest ik sterk denken aan de tien jaar later verschenen gedichtencyclus ‘Aan het grensland’ [4] waarin Kopland Oscar Wilde citeert: ‘Het geheim van de wereld is het zichtbare/ niet het onzichtbare’. In dezelfde cyclus schrijft hij: ‘je leest bij Pessoa: het is vreemder dan alles/ wat vreemd is dat de dingen werkelijk zijn/ wat ze lijken te zijn en dat er niets/ valt te begrijpen’. Kopland wil met ons de verwondering delen over de wereld, over de mens, zonder dingen te reduceren of vertekenen in onze poging ze te begrijpen.

Nawoord
De lezer vraagt zich misschien af waarom Kopland de draak steekt met hersenonderzoek terwijl hij zich als hoogleraar biologische psychiatrie op hetzelfde terrein begaf. Zo speelde hij een belangrijke rol in het onderzoek naar de elektroconvulsietherapie (ECT), beter bekend als de elektroshock. Hiermee droeg hij bij aan de herwaardering en herintroductie (in aangepaste vorm) van de elektroshock. Dit was controversieel, aangezien de elektroshock sinds de opkomst van de antipsychiatrie in de jaren zeventig, en niet in de laatste plaats door boek (1962) en film (1975) One flew over the cuckoo’s nest, bij het grote publiek in een kwaad daglicht stond.
Aan de andere kant had Van den Hoofdakker zich al eerder een zeer kritisch arts getoond, getuige bijvoorbeeld zijn in 1970 gepubliceerde pamflet Het bolwerk van de beterweters [5], waarin hij scherpe kritiek uit op de pretenties van de medische stand. Hierdoor werd hij zelfs een boegbeeld van de antiautoritaire zienswijze op de psychiatrie.
Voor Van den Hoofdakker zijn deze zeer verschillende activiteiten niet tegenstrijdig. Je zou kunnen zeggen dat hij biologisch psychiater is geworden om te onderzoeken in hoeverre bestudering en beïnvloeding van lichamelijke processen kan helpen om het psychisch lijden van mensen te verlichten. Daarbij helpt het niet om het menselijke denken en voelen tot deze lichamelijke processen te reduceren. Of zoals hij het zelf verwoordde: ‘De mens leeft niet in een psychologisch of sociaal vacuüm, maar in een context’ en: ‘Gedrag wordt niet door hersenen geproduceerd, het wordt door hersenen mogelijk gemaakt.’ [6] Daarom heeft de hersenwetenschap niet het laatste woord en zal er in die zin nooit sprake zijn van ‘laatste bevindingen’.


Eric van Loo

De auteur is dichter en in het dagelijks leven werkzaam als neuropsycholoog.

____

[1] D.F. Swaab – Wij zijn ons brein. Van baarmoeder tot Alzheimer. Atlas Contact, Amsterdam 2010.
[2] Victor Lamm e – De vrije wil bestaat niet. Over wie er echt de baas is in het brein.Bert Bakker, Amsterdam 2010.
[3] Hanna Bervo ets – Alles wat er was. Atlas Contact, Amsterdam 2013; p.237
[4] in: Rutger Kop land – Toen ik dit zag. Van Oorschot, Amsterdam 2008.
[5] R.H. van den H oofdakker – Het bolwerk van de beterweters. Over de medische ethiek en de status quo. Van Gennep, Amsterdam 1970.
[6] beide citaten uit R.H. van den Hoofdakker – ‘De mens als speelgoed’. Trimbos lezing voor het Nederlands Centrum voor de Geestelijke Volksgezondheid, 1995. Opgenomen in: Rutger Kopland & R.H. van den Hoofdakker – Twee ambachten. Van Oorschot, Amsterdam 2003.

Geplaatst in Klassiekers.