Frank Keizer – Onder normale omstandigheden

Bestaan is meer dan overleven

door Romain John van de Maele

Frank Keizer (1987) trapt in het eerste gedicht van zijn debuutbundel meteen alle illusies weg die hij op zijn pad tegenkomt. ‘Bestaan is overleven’ (6) luidt zijn minimalistische vaststelling. Aan die onderkoelde gedachte koppelt hij de discutabele stellingen: ‘links is dom geworden’ en ‘zonder Europese steun / kan er helemaal niets.’ Links is niet dom geworden. Integendeel, links heeft te veel inzicht verworven en laat zich ‘wiegen’ in de salons van het medebeheer. Dat niets meer kan zonder Europese steun is een te gemakkelijke uitvlucht. De indignados hebben niet gewacht op een Europees fiat.

Het openingsgedicht zet alleszins de toon. De eerste cyclus, ‘mijn problemen’, baadt in een sfeer van defaitisme. Dat Google de dichter in de steek laat wanneer hij een antwoord zoekt op de vraag ‘… hoe het voelt / leven in de eenentwintigste eeuw’ (8), zal geen enkele lezer van mijn leeftijd verwonderen. Wie alle heil verwacht van zoekmachines, heeft niet geleerd hoe echte vragen worden gesteld en, vooral, hoe men zelf op zoek gaat naar antwoorden die niet voorgekauwd zijn. De gedichten in de eerste cyclus hebben iets van protestpoëzie, maar zonder de gedrevenheid van vroegere generaties. Ik denk aan diegenen die zich hebben aangesloten bij de Internationale Brigade en ‘No pasaran’ op de lippen hadden. Keizer trapt wel om zich heen, maar het gebeurt met een tikkeltje te weinig verwachting. Is de generatie die in de jaren ’80 het leven zag dan zo aangeslagen door het fin-de-siècle?

De titel van de tweede cyclus is ook de titel van de bundel. In die reeks definieert Keizer zijn gedichten als ‘poëzie / van de crisis.’ (16) Het jaar waarin hij zevenentwintig werd (2015) verschilt echter weinig van de vorige decennia. Normale omstandigheden zijn al lang vergeten en verdwenen. In België heeft een eerste minister het ooit gepresteerd tien jaar lang te verkondigen dat het einde van tunnel in zicht was, maar om het einde van de tunnel te bereiken, had hij wel volmachten nodig. Nihil novum sub sole. De dichter is wel eerlijk: ‘wat haat ik de meerderheid / toch representeer ik haar.’ (19) Dat hij aan de universiteit niets heeft opgestoken over het leven is vanzelfsprekend. Het leven leert men kennen in en door het leven. Keizers stelling is overigens te eenzijdig en te gechargeerd. Wie verwacht immers dat men in een college literatuurwetenschap – op dat terrein is immers de geviseerde Bart Vervaeck actief – het leven leert kennen? Maar misschien richt de dichter zijn pijlen niet op Vervaeck. De vermelding kan ook gewoon een vorm van name dropping zijn.

In de derde cyclus is het defaitisme nog meer uitgesproken. Verveling, lelijkheid, normativiteit, alledaagsheid, versletenheid, status quo… zijn de kernbegrippen waaraan Keizer zijn gedichten heeft opgehangen. Deze dichter heeft beslist een lange adem. De gedichten nemen vaak twee of drie bladzijden in beslag.

De vierde cyclus heeft de wat vreemde titel ‘de lange eenentwintigste eeuw’ gekregen. De eeuw is nog maar net begonnen. Het komt toekomstige historici toe om op basis van vergelijkend onderzoek te oordelen over de eenentwintigste eeuw. Het eerste gedicht (38-41) bevat wel een rake stelling: ‘Gorter ik denk / dat de scheiding van woorden en daden / ons van beide heeft vervreemd.’ (40) Er bestaan remedies om van geen van beide te vervreemden! Qua lengte wordt het Gortergedicht overtroffen door ‘blauwe arbeid’. (42-46) In dat gedicht kijkt hij Keizer Adorno en Foucault ‘recht in de ogen’ (42), en hij sleurt er ook Hölderlin bij. Inhoudelijk is dat gedicht naar mijn gevoel te eclectisch. In het laatste gedicht van de vierde cyclus word ik voor het eerst het poëtisch vermogen van Keizer gewaar. Dat gedicht eindigt als volgt: ‘in de zomer van 2014 / waarin we zonnebloemen zijn geworden / dor, knisperend / worden we hooi / want zachtheid is gekomen / en zachtheid zal ook weer gaan.’ (46) Voor het eerst is het besef van de eeuwige terugkeer sterker dan de toevalligheid der verschijnselen waar de dichter tegen strijdt.

De bundel wordt afgerond met de cyclus ‘nachtpolitiek’, en precies in die reeks gedichten is Keizer op zijn best. In het eerste gedicht slaat hij een brug tussen zijn eigen ervaring en het leven van de anderen:

Als de avond valt
verlaat ik mijn klasse.
Uit de droevige aaneenschakeling
van werk, ander werk, antiwerk
pak ik wat van mij is.
De nachten zijn niet proletarisch meer
en de segregatie van de maatschappij
kruipt dichterbij
in het masker
van de klasseloosheid.
Ik heb dat masker opgezet
en hoor het blauwe uur slaan
dat mij koud maakt,
mijn ouders schrikken laat. (50)

Ik had meer gedichten van dat niveau en met precies die problematiek willen lezen. Klasseloosheid is ook vandaag nog een illusie. Meer dan ooit heeft een vals klassenbewustzijn de kritische stem verdrongen. In de laatste cyclus heeft Keizer duidelijk aangetoond dat het bestaan meer dan overleven is.

Geplaatst in Recensies.