Ester Naomi Perquin – Jij bent de verkeerde

Een voorlopige balans

door Hans Puper

Jij bent de verkeerde bevat de drie tot nu toe verschenen bundels van Ester Naomi Perquin: Servetten halfstok (2007) Namens de ander (2009) en Celinspecties (2012). De lezer krijgt een goed inzicht in haar ontwikkeling als dichter. Het overkoepelende thema is het menselijk tekort: liefdesproblemen, angst voor verlies, de onmacht iets aan belemmerende omstandigheden te veranderen. Toch zijn het geen sombere bundels: daar zijn ze te beweeglijk voor en over het algemeen ondergaan de personen dat tekort niet lijdzaam.

Een van de mooiste gedichten uit de eerste bundel is ‘Meisjes’, waarin zij met weinig woorden een wereld weet op te roepen die herkenbaar zal blijven zolang er meisjes van een jaar of veertien bestaan. Ze liggen ‘zij aan zij’ in de duinen. ‘Duingras kietelt hun benen en hoog / klinkt de pas bedachte lach ( … )’. Al in dit gedicht toont Perquin haar voorkeur voor een spel met woorden en gezegden: ‘Van kop tot teen onaangeraakt / liggen zij, met allemaal dezelfde stem / dezelfde moeder te bespreken.’ Mooi is ‘onaangeraakt’, in beide betekenissen.
Uiteraard ontbreken de jongens niet: reëel of in de verbeelding van de meisjes:

Maar over het zand lijkt een vreemd,
steeds lager grommen aan te zwellen
en jaagt een rilling door de rij.

Elke seconde komen de jongens
op onverbiddelijke brommers
in grote golven dichterbij.

In Servetten halfstok is Perquin nog zoekende en dat zie je in de uitglijders. In ‘Winter’ laat zij de ‘ik’ zeggen dat zij geen lammetjes meer kan verdragen vanwege ‘twee blauwe kinderwantjen naast een wak’; liever heeft zij dat na deze winter nog een winter volgt. Een gruwelijke gebeurtenis, maar door de wijze waarop zij die beschrijft, begeeft zij zich op het randje van de sentimentaliteit. En een enkele keer is de inhoud weinig belangwekkend. In ‘Lea’ bijvoorbeeld beschrijft zij een fragment uit Genesis, waarin niet Rachel, maar haar oudere zus Lea door een list met Jacob trouwt. Zij doet verder weinig met dat gegeven.
In datzelfde gedicht komt een regel voor als: ‘zijn lief, een list? Zij lacht.’ Ze is dan al te kwistig met alliteraties. Haar aandacht voor de vorm is soms zo nadrukkelijk zichtbaar dat het ten koste gaat van de levendigheid en de spontaniteit van haar gedichten. Of liever: de ervaring van spontaniteit, die de dichter oproept door een sterke maar onnadrukkelijke vormbeheersing.

De tweede bundel is aanzienlijk complexer en haar vormbeheersing is gegroeid. Gedichten zijn vaak open: ze laat veel te raden over, waardoor de gedichten uitnodigen tot herlezing.
Het best vind ik de gedichten waarin verschillende interpretaties elkaar aanvullen. In ‘Verbinding’ voeren een man en een vrouw een moeizaam telefoongesprek over een relatie die is stukgelopen. Beide betekenissen van de titel zijn van toepassing: er is zowel sprake van een telefonische als relationele verbinding en beide zijn tijdelijk. De laatste twee strofen:

Als het moet, zei jij, bel ik je morgen weer.
Jij schermt wat met een leegte die zich
eenvoudig laat ontwrichten.

Leg me naast je neer. Soms droom ik
nog kinderen van je, spelenderwijs.
Mooie, betraande gezichten.

In de eerst geciteerde strofe staat tweemaal ‘jij’. Gaat het hier om een of twee personen? Wordt de verteller hier aangesproken (‘ik bel je morgen zo nodig nog een keer, want je schermt nu met een leegte’) of constateert de verteller dat juist haar gesprekspartner schermt met een leegte? Dat kan naast elkaar bestaan: ze kunnen allebei die mening zijn toegedaan. En ‘Leg me naast je neer’: spreekt hier een verlangen uit naar het herstel van de relatie of geeft zij haar gesprekspartner de nuchtere raad: ‘Vergeet mij maar’? Beide. Ze droomt de kinderen, maar wel met betraande gezichten.

Dat ze in beide bundels nog zoekende is, laat ze in Namens de ander op een humoristische wijze zien. ‘Gevolgde adviezen’ bestaat uit twee gedichten. In het eerste stelt ze: ‘Dat het schimmiger moest, ik wist het, verbeet me, / probeerde krampachtig de helderste lijnen // te wissen ( … )’ en in het tweede: ‘Dat het helderder moest, ik begreep het, verbeet me / hervatte gewiste verbanden ( … )’.

Alles valt op zijn plaats in Celinspecties, waarvoor ze de VSB-prijs 2013 kreeg. De bundel heeft een sterke thematische samenhang en gedichten met een knellende vorm staan er niet in. Perquin gebruikt beelden die zowel mooi als huiveringwekkend zijn. Op een schietpartij in een winkelcentrum, die lijkt op die in Alphen aan de Rijn, is een meisje neergeschoten: ‘Ze lachte heel even en daarna / viel ze neer alsof ze een jas was geweest / die ineens van een hangertje gleed.’
Zoals bekend, werkte Perquin enige jaren als cipier en in deze bundel maakt ze gebruik van haar ervaringen, wat uiteraard niet per se betekent dat het hier gaat om één-op-éen-beschrijvingen van de werkelijkheid.
Een gevangenis is een mini-maatschappij die niet principieel verschilt met het leven buiten de poort, maar waarin de machtsverhoudingen onwrikbaar vastliggen en hartstocht, wanhoop, liefde, verdriet en pijn op een veel heftiger en ongepolijster manier naar voren komen. Het is een leven in een hogedrukpan.
Ze beschrijft tien keer een gevangene van binnenuit en groepeert daaromheen enige andere gedichten. Er zitten meesterkrakers tussen, vrouwenmoordenaars, psychopaten. In een paar regels weet ze zo iemand treffend te typeren. Samen met de titel ‘Er is nog heel veel over’ zijn de volgende regels ijzersterk: ‘Aangereden vogels kun je laten liggen, kun je klapwiekend en al / terzijde schuiven, vergeten voor je zelf de straat uit bent’.
Machthebbers – de cipiers in dit geval – blijven niet buiten schot. In de epiloog ‘Lied’ krijgt de aandoenlijke psychisch gestoorde Bennie zijn definitieve straf te horen of tbs opgelegd, waarna hij zelfmoord pleegt. De dichter: ‘Ik kreeg niet de schuld, eiste de schuld ook niet op, de schuld lag / op de vergadertafel voor het grijpen’. Zij en haar collega’s doen er niets mee: gedane zaken nemen geen keer, ze moeten weer aan het werk. Maar ze is er niet klaar mee, want ze hoorde zijn laatste woorden en voelt zich schuldig over haar reactie daarop: ‘mijn laatste adem wil ik graag voor thuis bewaren / en ik lachte om je woorden, lachte even om je Bennie. / Sloot de deur achter je rug.’ Een ontroerend lied, vond ik na de eerste lezing. Bij de tweede vond ik dat Perquin zich hier net als in ‘Winter’ begaf op het randje van sentimentaliteit.

Maar al met al heb ik genoten van Jij bent de verkeerde en ik hoop daarom dat een nieuwe bundel niet lang op zich zal laten wachten. Celinspecties kwam immers al uit in 2012.

***

Ester Naomi Perquin (1980) ontving onder andere de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs 2009 (voor haar beide eerste bundels), de Jo Peters Poëzieprijs 2010 en de J.C. Bloem-poëzieprijs 2011 (beide voor Namens de ander) en De VSB Poëzieprijs 2013 (voor Celinspecties). Van 2011 tot 2013 was zij Stadsdichter van Rotterdam.

Geplaatst in Recensies.