Gedichten

DENKBEELDEN

Het staat zwart op wit: dit is wat ik denk
hoe ik leef, waarom ik gekomen ben
en weggegaan, wie ik beminde, hoe diep
het verdriet was, hoe zuiver de taal.

Maar het is niet waar, het verliep anders.
Liefde liet zich niet vatten in een gebaar
de woorden dachten niet na, ik kwam aan
en verdween zonder dwingende reden
de zielenpijn was niet te verdrijven met wijsheid
maar onder druk van het lichaam.

Taal van verraad: geheimen geopenbaard,
een oordeel geveld over voorheen
en voortaan, wat duister bleef
met de pen naar het daglicht gehaald,
in inkt te kijk gezet, verklaard.

Maar het is grijs, niet meer dan een veeg
van een penseel, het beweegt
met me mee

heen en weer in de wind
heen en weer in de tijd –

KRINGLOOP (fragment)

(…)

Op de kruising sta je stil. De weerstand heeft je in de greep. Je
wilt blijven wie je bent, zonder verleden, in een zerkenvrij veld.
Maar iets trekt aan je, of roept iemand vanuit de ondergrond van
je bestaan dat je vlakbij de plek bent die je loopt te zoeken met
herfstviooltjes in je hand? Het heden zet een stap opzij en laat je
door: ‘Toe, loop maar, ze verwachten je, je bent hun kind, één
keer per jaar is niet teveel gevraagd, het grint moet nodig schoon,
de koperen namen blinken niet meer, het waxinelichtje moet
opnieuw even branden. Dan kan je weer gaan.’

 

Achter je knarst het hek. Herinneringen lopen het kerkhof op als
de dragers van een baar, onaangedaan, gelijke tred. Een zwerm
vogels strijkt neer in de beuken. De ochtend is jong. Voor de
middag is storm voorspeld. Takken zullen losgerukt worden van
hun stam en de laatste kudde vee zal op drift raken, bliksem in
de kop. De paarden slaan, ieder voor zich, op hol, daar denk je
aan terwijl je een pad achterwaarts naar vroeger baant; ze zullen
rollen met hun ogen, schuim rond de mond, steigeren als aanloop
naar de hordeloop: omheiningen, struikgewas, moddersloot – tot
de waanzin uitputting wordt.

 

Schedel, kaakbeen, neustussenschot. Gebit, wellicht.
Dat is wat overblijft van een gezicht.

(…)

VERGEELDE FOTO

De oorlog is over. Meisje met strik
op een zitje aan het stalen fietsstuur
van vader; vanbinnen raakte hij gewond, toch
zingt hij zichzelf heelhuids, haast hoorbaar
zijn vrijheid in. Zwarte vogel als gids.
Meisje met schrik.

Het pad is rul, een wiel draait vast.
Vanuit de lucht gezien is het parcours vager
dan op de grond, geen rechte lijn van a naar b
maar omweg na omweg. Een zwerfhond zet zijn tanden
in de achterband. De beek is nog steeds hinderlaag
pas op –

Vrijheid lijkt ver, veel onbereikbaarder
dan toen het oorlog was, je fietst
er niet zomaar op af met een strik in je haar
of een wond in je hart, je vecht je er verwoed naartoe
vlucht vooruit met kind en kraai
zo ver je komt, het bos voorbij

voorbij het lot –

Geplaatst in Gedichten.