Gedichten

De logeerbeer

Het is laat als je het uitspreekt: ‘Ik wil het liever geen naam geven.’
Ik herinner me de meester van groep vier, die de klas vroeg of iemand iets kon bedenken dat geen naam had. Ik keek het lokaal rond, naar de logeerbeer waarvan in een kringgesprek was besloten dat iedereen een eigen naam mocht verzinnen. In het bijbehorende dagboek schreven we dingen als ‘in bad geweest met Lola,’ ‘appelcruesli gegeten met Joost’ en ‘over boten gedroomd met Bernhard.’ Daarna dacht ik aan de vissen in onze vijver, die zich voortplantten tot het water oranje zag. Alleen de vader was bij aankoop Sjaak gedoopt.
Ik vertel je niets over de vissen en de beer. Ik zeg enkel dat ik niet weet wat me banger maakt: dat de dingen zonder naam gemaakt zijn om te worden vergeten of dat ik ze stuk voor stuk onthouden heb.

De overblijfkinderen

 

dit is wanneer een kind het toppunt van verveling bereikt:
zodra het te oud is voor vingerverven
en te jong om dat woord dubbelzinnig te noemen

we worden stuurser, zo stuurs
dat we in stuitligging elkaars strot uitkwamen

wij, dat wil zeggen: het meisje
dat van de inhoud van haar neusgaten huizen bouwt
maar dan net niet genoeg overhoudt voor een bed
de jongen die zijn kwijl in zijn mond centrifugeert
en er boterhammen mee belegt

ik snijd een prittstift in partjes en voer hem aan de klassenhamster
juf verbiedt de vingerverf in verband met kans op kanker
maar staat zichzelf nog altijd toe
van onze namen verkleinwoorden te maken

op een dag slaat mijn autistische klasgenoot een ruit in met een hamer
wij zijn aanhangers van conciërgefilosofie: onkwetsbaarheid is een kwestie
van dubbelglas plaatsen

De begrafenis

Het was niet druk op onze begrafenis. Er stond een kringetje mensen om een kuil heen, niet meer dan bij mijn konijntje Pof, dat destijds stierf na een botsing met de tafelpoot. Ze boorden een natte tak de aarde in en wij keken toe terwijl er met viltstift ‘rust in vrede’ op de achterkant van een bol.com-factuur werd geschreven. Er zou niet meer geklaagd worden, dachten ze, over jou en je nieuwe Ikea-bed dat al drie weken onuitgepakt in de gang stond of over mijn middernachtsneurose. Ze zijn naïef geweest. Toen het donker viel en niemand keek, haalde ik de kuil weer open, nam ons mee naar binnen en kroop tegen ons aan in bed. Hoe een mens zich laat begraven in de hoop op een terugkeer naar de natuur, en wij steeds terugkeerden naar ons – nooit eerder waren we zo aangetast geweest.

En of het zo door kan gaan

Het verschil tussen wachten en verwachten leerde je
van een kat  die twee keer van huis liep en maar één keer terugkwam.

Je denkt aan de zuurstoffles die je opa kunstmatig in coma hield.
Of het zo door kon gaan, vroeg een tante steeds, en op Google Maps

heeft zijn fiets nog drie jaar voor de deur gestaan. Daarna was er
S, de man die zei niet met je verder te willen en daarom al die tijd gebleven is.

’s Nachts vertel je hem over de keer dat iemand je uitschold
voor ‘hoer’ omdat je stilstond op een zebrapad.  Alles wat hij zegt

is dat ‘lopen’ in het Russisch twee werkwoordsvormen heeft,
afhankelijk van of men een bestemming heeft of niet. 

Geplaatst in Gedichten.