Poëzie Kort maart 2016

Romain John van de Maele en Hans Puper

Nanne Nauta, Moralen

Door Hans Puper

Op 21 februari was het 113 jaar geleden dat Raymond Queneau werd geboren en daarom was er op 28 februari jongstleden een Queneau-herdenkingsdag in Utrecht – geheel in overeenstemming met de ontregeling die hem kenmerkte. Organisator was de dichter Nanne Nauta. Ter gelegenheid van de herdenkingsdag schreef hij de bundel Moralen.
De 51 gedichten zijn geschreven in de vorm van de ‘morale élémentaire’, die is bedacht door Queneau. Ieder gedicht van Nauta heet ‘De moraal van de dag’, gevolgd door de datum. In eerste instantie lijkt het om willekeurige data te gaan, maar dat is niet zo. Tussen ieder gedicht zit een week tussenruimte; alle moralen spelen zich af op woensdag.
In zijn woord vooraf schrijft Nauta dat een ‘morale élémentaire’ bestaat uit ‘3 x 3 + 1 woordparen die gevormd worden door een zelfstandig naamwoord voorafgegaan door een bijvoeglijk naamwoord, dit alles voorzien van herhaling, rijm, alliteratie en vrije associaties. Dan volgt er een tussenstuk van 7 regels met een verslengte ven 1 – 5 lettergrepen (het Franse vers werkt niet met voeten maar met lettergrepen). Het geheel wordt afgesloten met 3 + 1 woordparen. Als basis voor het schrijven van een morale élémentaire gebruikte Queneau een bestaande tekst zoals een roman of een gedicht om daarmee die bron samen te vatten en/of van een bepaald gezichtspunt te voorzien. Latere auteurs gebruikten andere bronnen zoals films of kranten.’

Nauta doet dat laatste. De gedichten moeten voldoende houvast geven, want geen lezer weet meer wat er op iedere woensdag van 2015 is gebeurd. Die houvast geven ze. Neem ‘De moraal van de dag 1 april 2015’:

 

1 april moest erin, denk ik. Misschien heeft Nauta daarom voor woensdagen gekozen. Het gaat tenslotte om Queneau en die hield wel van wat opwekkende flauwekul tussendoor – en dat is beslist geen afwijzend kwaliteitsoordeel.
Hoe lees je zo’n gedicht? Horizontaal, dus ‘Digitale …’, ‘Slimme …’ ‘Ondergrondse …’? Of ‘Digitale …’, ‘Slimme … / Beste …’ ‘Ondergrondse … ? Of drie kolommen verticaal? Of alle drie? Het is aan de lezer.

Het is een amusante bundel. Een tweede zou meer van hetzelfde betekenen, maar die komt er hoogstwaarschijnlijk niet: daarvoor is Nauta te veelzijdig.

Nanne Nauta (2016). Moralen. Uitgeverij crU, 60 blz. € 14,95

*

Tim Pardijs, Dromen die aarde openbreken

door Hans Puper

Dromen die aarde openbreken , de tweede bundel van Tim Pardijs, heeft een ongebruikelijke inhoud: het leven in een Vinex-wijk, ideeën van architecten, de gang van zaken in bouwputten. Een deel van de gedichten is in opdracht geschreven, onder andere van het Jaar van de Ruimte, de tijdelijke netwerkorganisatie van instellingen en personen die met nieuwbouw te maken hebben.
Je zou kunnen denken dat dit oninteressante poëzie oplevert, maar dat is beslist niet zo. Dat komt in de eerste plaats door zijn invalshoek. In het nawoord schrijft Pieter Hoexum, auteur van Kleine filosofie van het rijtjeshuis, dat je veel moois ontgaat door gewenning aan je woonomgeving. Kunst die zowel herkenbaar als vervreemdend is kan je op die alledaagse, maar bijzondere dingen opmerkzaam maken. Hoexum pleit voor ‘onpoëtische poëzie, waarin de dichter zich houdt aan de opdracht van K. Schippers: ‘Doe maar gewoon, dan doe je al poëtisch genoeg.”
Ook als je zulke ‘gewone’ poëzie maakt, moet je wel een vaardig dichter zijn en dat is Pardijs. Neem het weemoedige sonnet ‘Nieuwbouw’, herkenbaar voor iedereen die betekenisvolle plaatsten uit zijn jeugd heeft zien vervangen door nieuwbouw – in dit geval nog niet meer dan een met hekken afgeschermde bouwplaats die je niet zonder helm mag betreden. Het is eerder gepubliceerd in Meander: https://meandermagazine.nl/2014/04/gedichten-236
De samenvoeging van heden en verleden in het hoofd van de dichter maken het onherroepelijke verlies – het schoolplein van spel, strijd en eerste liefde – schrijnend duidelijk: ‘om de ruimte in mijn hoofd staan hekken in de wind / te rammelen’. Mooi.
Humoristisch is hij ook. ‘Of het mogelijk is daar een dezer dagen iets aan te doen’ zou een titelgedicht kunnen zijn voor het programma De rijdende rechter. En met een lichtvoetige beschrijving van de condition humaine heeft hij geen moeite. ‘Als huizen afbranden, bouwen jullie / ze weer op, gaan terug in holen als / konijnen, als geiten achter hekken’ laat hij een vogel zeggen in ‘Dierenpark’.
En waartoe dromen kunnen leiden laat Pardijs zien in het gedicht dat direct aansluit bij de titel van de bundel. Wie herkent in de hoekige spreker nog de jongen die hij was?

EEN DAG IS PAS GESLAAGD ALS JE THUIS COMMENTAAR OP JE KLEREN KRIJGT

Terwijl zijn stem in de microfoon zinnen van
beton en papier maakt, ziet hij over open-
gebroken aarde een jongen de bouw uit rijden.
Zijn hoofdhuid prikt in de warme stralen licht,

er kriebelt iets in zijn onderbroek, zijn shirt plakt
op zijn rug. Hij schikt zijn overhemd onder zijn colbert,
ruikt zijn deodorant. Hij ademt alsof hij kilometers
door rul zand heeft gefietst, stopt. Glimlacht. Buigt.

Het applaus klinkt als brullende shovels, kiepauto’s
onder pluimen grijze rook. Om hem heen de geur van
diesel, vochtige aarde en als hij zich omdraait, zich met

gespreide armen acht erover laat vallen, denkt hij aan
de vlekken in zijn broek die morgen tonen dat hij neer-
komt op een grote bult zacht zand, daar uren speelt.

Een aantrekkelijke bundel.

Tim Pardijs (2015). Dromen die aarde openbreken. In eigen beheer (www.timpardijs.nl), 44 blz. € 14,95

*

Hans Franse, De tarantella van Pulcinella

door Romain John van de Maele

Voor wie regelmatig Meander leest, is Hans Franse (1940) geen onbekende. Hij laat nu en dan zijn kritische blik vallen op nieuwe bundels. Hij schrijft echter ook artikelen voor Den Haag Direct, en publiceerde in 2013 Van nieuwe truffels en oude heiligen. Onder die titel heeft hij indrukken uit Italië gebundeld. Hans Franse woont afwisselend in Nederland en Italië. In 2010 verscheen zijn terugblik op het leven met een ‘foute’ vader: In naam van de vader en de zoon. Kind tussen waarheid en schaamte. Het is maar een greep uit de bibliografie van de vroegere schouwburgdirecteur, die ook onder het pseudoniem Jan van Frankrijk van zich liet horen.

De tarantella van Pulcinella is een soort lofzang op het zuiderse straattheater en bestaat uit eigenzinnige sonnetten, die aan de regels van het sonnet voorbijgaan. Op het achterplat wordt uitgelegd hoe en waar Franses liefde voor de harlekijn, een figuur uit de commedia dell’arte, is ontstaan, en in een voorwoord legt de dichter de geschiedenis van het sonnet uit. Naast elk gedicht staat een illustratie uit Masques et bouffons (1860) van Maurice Sand (1823-1889). Toen ik voor het eerst het voorplat zag, dacht ik spontaan aan de stangpoppen van het poesjenellentheater in Antwerpen en Brussel. Poesjenel – in het Brusselse Frans een pouchinelle – is een verbastering van Pulcinella. Door de lange tekst op het achterplat, de inleiding en de illustraties heeft de bundel een didactisch karakter gekregen. Het is jammer dat in de inleiding niet naar het onderscheid tussen het Italiaanse (petrarcaanse) en het Engelse (shakespeariaanse) sonnet wordt verwezen, en dat ook het begrip sonnettenkrans (vermeld op het achterplat) niet wordt toegelicht. Franses bundel bevat, zoals het in een sonnettenkrans de regel is, wel vijftien sonnetten, maar het werk beantwoordt niet aan de strenge eisen van het genre. Ik vermeld slechts één vereiste: de slotregel van het eerste gedicht is gelijk aan de beginregel van het tweede gedicht. Op het achterplat wordt naar het ‘sociale sonnet’ verwezen, en ook dat begrip wordt niet toegelicht.

Wat de opbouw betreft, maakt Franse meestal gebruik van twee kwatrijnen gevolgd door twee terzinen. Soms worden de terzinen samengevoegd tot één strofe, soms bestaat een gedicht uit slechts twee strofen. Het gedicht ‘Cornuto?’ bestaat uit een octaaf en een sextet. Laat me even het zoeklicht op het eerste gedicht richten. ‘Pulcinella in Napels’ (p. 11) – let op de assonantie en de alliteratie – bestaat uit drie kwatrijnen en een distichon, en het is precies het distichon dat naar het sociale karakter van het straattoneel verwijst en zelf een uiting is van sociale poëzie: ‘De arme die de harde wereld kent / lacht en deelt zelfs zijn laatste stuk brood.’ Het straattoneel is een uitnodiging tot solidariteit. Het laatste gedicht, ‘Pulcinella en ik’, is een variant op een versregel van Vondel: ‘De wereld is een schouwtoneel, elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel.’ Aan het strand in Scheveningen blikt Hans Franse terug op zijn eigen leven en hij vraagt zich af of ook hij een masker heeft gedragen, hij speelde immers al zijn hele leven mee. In het afsluitende sextet vat hij de uitkomst samen:

Het einde van alles: een onthullend demasqué
voert mij tot aan mijn eigen grens: mijn winterzee
is het eindpunt van deze harlequinade;
aan het eind ligt de vergetelheid
het einde van de tijd en de ijdelheid:
het zachte slot van elke maskerade. (p. 39)

De dichter herinnert aan het vanitasmotief en de onuitgesproken oude wijsheid ‘memento mori’. Hij beseft dat hij geen plaats zal krijgen naast Petrarca of Shakespeare, en dat vrijwel alles van voorbijgaande aard is.

Hans Franse (2015). De tarantella van Pulcinella. Uitgeverij Liverse, 40 blz. € 15,95

*

Jacob Peereboom, Rood Zwart Rood

 Door Hans Puper

Laatst sprak ik met Nol Krentsch, dichter en beeldend kunstenaar, over de bundel Rood Zwart Rood van de gekwelde dichter Jacob Peereboom (1904 – 1944). Hij had het omslagontwerp gemaakt. Ik vroeg hem waarom op het voorplat ‘Zwart Rood Zwart’ stond en op de titelpagina ‘Rood Zwart Rood’. Hij kon het me niet vertellen: vreemd genoeg had hij de proefdruk niet ter inzage gekregen. Nog vreemder: de bundel is in het laatste kwartaal van 2015 verschenen en voor zover ik kan nagaan alleen nog tweedehands verkrijgbaar. Gelukkig heeft de uitgever van De Manke God hem ter beschikking gesteld op zijn site: www.demankegod.nl/jacob/files/index.html.
Ik had Peereboom (1904 – 1944) iets beters gegund. Hij vond geen rust, maar niemand wist waarom, niemand zag ‘De schaduw van twee vleugels, die hem joegen / Den fellen klauw in zijn gebogen nek’, om met Bloem te spreken. Zoals bekend, maakte Peereboom een einde aan zijn leven. Een korte biografie is te lezen op de site van het Rob Scholte Museum: robscholtemuseum.nl/kees-engelhart-verdrinken-in-een-gele-of-zoutgrijze-oceaan/
Volgens Du Perron schreef Peereboom poëzie ‘buiten de gangbare orde om.’ Ik ben het met hem eens. De minachting voor wat de dichter zag als gevaarlijke domheid, leidde soms tot een vernietigende ironie. Sinds het onderstaande gedicht in december 1933 werd gepubliceerd in Forum is van de extreem-rechtse Stephan Bodijkat nooit meer iets vernomen.

HET VERTROUWEN IN DE SALON VAN DE TEN KORTENAERS

1

De salon van de Ten Kortenaers
Mijn God de salon van de Ten Kortenaers
Die daar komen
De goden die daar komen
Geef ze absolute macht
Zij zullen de wereld veranderen

In de salon van de Ten Kortenaers
Spreekt men van eilanden in het luchtruim
Om het gepeupel op te bergen

Excuseert u mij mijn naam is van geen belang
Maar desondanks Stephan Bodijkat

Ook delibereert
Men onder het genot van een drankje zeer
Beslist over het lot van de kippen en hoeren

Jacob Peereboom (2015), Rood Zwart Rood. Uitgeefhuis De Manke God, 37 blz. € 7,00

Geplaatst in Recensies.