Yella Arnouts – Vader. Een lamento

Een kleinood om te koesteren

door Paul Roelofsen

Yella Arnouts (Antwerpen, 1959) studeerde Nederlands en Duits en doceert literaire analyse aan de AP-Hogeschool te Antwerpen. Daarnaast is zij lerares literaire creatie aan de Academie in Burgerhout.
Vader. Een lamento is haar tweede bundel. In 2011 debuteerde zij met Men schort wat op. De gedichten hierin werden positief ontvangen; haar onmiskenbare talent werd direct herkend.

Wat de inhoudsopgave betreft, deze is zeer summier; er worden slechts twee gedichten genoemd, waarvan het eerste tweeëndertig pagina’s telt en het tweede, ‘In memoriam patris’, slechts één; op dit laatste gedicht kom ik later terug.

Het eerste gedicht is de verhalende monoloog van een tot vrouw opgroeiend meisje dat worstelt met de onuitgesproken liefde en het onbegrip tussen haar en haar vader. Zij doet dit in strofen van zeer uiteenlopende lengte afgewisseld met dialogen en enkele pagina’s dichterlijk proza.

Wie aan deze bundel begint krijgt geen gelegenheid even gerieflijk achterover te leunen, Yella stelt je niet op je gemak. Het is meteen raak.
Enkele regels uit de tweede strofe:

Hij staat in het donker op het spoor, ruggelings.
Ik sta schuin achter hem in de berm.
Een goederentrein nadert en toetert schril.
[…]
Hij grijnst, steekt zijn hand op,
spreidt zijn vingers als een waaier,
tot hij zich weer omdraait.
Dan opnieuw, die langgerekte treinkreet.

Hierna volgt een klaagzang in flashbacks van gebeurtenissen en gedachten, waarin de dialogen tussen de vader en zijn dochter expliciet en gedetailleerd aan de orde komen om te illustreren hoe weerbarstig hun relatie is.

Twee stukjes uit twee verschillende dialogen:

Wat zit ge hier nu nog te doen?
Uh, niks.
Hoe, niks?
Nee, niks. Ik zit hier maar wat.
Hebt ge niks beters te doen?
Bwoah, nee.

Zwijg, zeg ik je!
Zwijgen is slapen of dood zijn.
Je gaat pas slapen als je bekent.
Sla me dan .
Zwijg! Ik zeg dat je moet zwijgen.
Ik spreek zo lang en zo veel als ik wil. Hoe ga je me dat beletten?
Komaan, sla me maar, ik zie het, je handen jeuken.
Jij moet zwijgen en doen wat ik zeg.
Jij moet zwijgen en doen wat ik zeg.
Denk maar niet dat je me kunt dwingen .

Hoe herkenbaar voor vele puberende meisjes. Niet eens zo bijzonder dus; de ogenschijnlijk onoverbrugbare kloof tussen ouders en opgroeiende kinderen. Het gedicht bevat bovendien naast deze wanhopige ook warme (‘Maar meiske, toch.’) en zelfs geestige tekstdelen.
De vader is een ongeschoolde fabrieksarbeider, stoer en zwijgzaam als hij in de tuin werkt of met zijn dochter aan de kade van de haven staat. Zij bewondert hem en is, ondanks zijn losse handjes, ‘kolenschoppen die kunnen loeien en bloeien’, loyaal aan hem.
Wat eveneens lucht geeft in dit vers zijn de gedachten van de dochter, wanneer ze even niet aan haar vader, maar seksueel ontwakend, bijvoorbeeld denkt aan de lippen van de buurjongen. Die adem wordt ons overigens spaarzaam gegund, bijna overal en steeds weer is er de vader of de herinnering aan hem. (‘Ik heb hem niet meer mogen zien./ Ik kom hem overal tegen./ En nog kom ik hem tegen.’). Aan het einde van dit cyclische gedicht stelt de dochter zich voor hoe het zou zijn geweest als de dodelijke sprong van de vader niet had plaatsgevonden. Zij ziet hem voor zich als een tachtiger met op zijn borst engelenhaar, die een glas met haar drinkt en een sigaret rookt die niet mag. Een wensdroom.
Dan volgt een herhaling van de strofe die ik deels citeerde aan het begin van deze recensie met even daarvoor de regels: ‘Die man is dood. Al jaren./ Dat is een feit./ Maar in mij is hij onvoltooid/ en altijd ergens tegenwoordig.’

Wat mij tijdens het lezen van dit gedicht bevreemdde is dat de moeder van de dochter nergens, maar dan ook nergens wordt opgevoerd, het woord ‘moeder’ komt er zelfs niet in voor.
Leefde de ik-persoon alleen met haar vader?
Het antwoord hierop blijft een raadsel, maar het tweede gedicht, ‘In memoriam patris’, geeft hierover stof tot nadenken als men weet dat de vader zich in de maand maart van het leven beroofde:

Maart is een vrouw is een moeilijk laken.
Misschien heeft u haar al te goed gekend:
haar vale strepen door de rekeningen,
haar valse streken in herinneringen.
[…]
Heeft ze u nog tot kalmte aangemaand?
Heeft ze met een knipmes naar u uitgehaald?
[…]

Wat deze poëzie bijzonder maakt is behalve het buitengewoon soepele taalgebruik, de bijna speels lichte toon. Het onthutsende drama dat Yella ons voorschotelt zou zich uitstekend voor kitsch lenen, maar daar is dankzij deze kwaliteiten geen sprake van.

Indrukwekkend. Een kleinood om te koesteren.

 

Geplaatst in Recensies.