Elly de Waard – In die tijd die

Rationele poëzie in een te strak jasje

door Eric van Loo

Elly de Waard (1940) maakte in de jaren zeventig en tachtig naam als popcriticus. Twintig jaar lang schreef zij interviews en artikelen over popmuziek voor de Volkskrant en Vrij Nederland. Vorig jaar verscheen Het jasje van David Bowie, een bloemlezing van haar werk als popjournalist. Als dichter debuteerde zij in 1978 met de bundel Afstand. In de jaren tachtig werd zij actief in de vrouwenbeweging, en leidde zij een poëzieworkshop waaruit de groep ‘De Nieuwe Wilden’ ontstond. Tevens nam zij het initiatief tot de instelling van de Anna Bijns Prijs, de tweejaarlijkse onderscheiding voor het vrouwelijke geluid in de literatuur. Begin jaren negentig verscheen haar monumentale Eenzang-trilogie, waarvan Eenzang Twee (1993) genomineerd werd voor de VSB-prijs 1994. Nadien lijkt haar poëzie minder in de belangstelling te staan.
Haar jongste bundel wordt op de achterflap weinig bescheiden neergezet: ‘In die tijd die overspant de ruimte van het heelal tot aan het bolletje van de konijnenkeutel, de tijdsperiode van de naaste toekomst tot aan de Tempel van Poseidon, zesentwintig eeuwen geleden; en van de Tweede Wereldoorlog tot de aanstaande. Dit alles in versvormen van hymne tot en met rap.’
Afgezien van de titel van één van de gedichten wordt deze laatste belofte niet nagekomen. De gedichten ogen traditioneel, met vaak regelmatige strofeopbouw, en zijn veelal ingehouden van toon. Het gedicht ‘Van rap tot hymne’ zelf is noch een rap noch een hymne: ‘Als wij aannemen dat het heelal een / gesloten systeem is, bepaald door zijn / oneindigheid, dan zal het, zoals alle / gesloten systemen, onderhevig zijn / aan de wet van het behoud van energie (…)’. Let op de superieure enjambementen in de opening van dit gedicht. In een interview over een vorige bundel, In het halogeen, licht zij haar vakmanschap toe: ‘Wat ik zelf eigenlijk het mooiste vind en waar ik naar mijn gevoel steeds meer in slaag is om ogenschijnlijk heel gewone regels te schrijven, die dus dichtbij de denk- en spreektaal staan, maar die toch ten hoogste poëzie zijn. En dat komt doordat ik inwendig technische regels van gedichten zoals metrum, het ritme en de verdeling over de regels, een steeds andere verdeling van het ritme en de afbreking van de regels [beheers], als je daarvan enigszins op de hoogte bent dan kun je dit doen.’ Dan kun je dit rationeel geopende gedicht afsluiten met lyrische regels over de wind: ‘die vooral zichzelf / verandert en in vele gedaanten tegelijk / kan bestaan in de quantumverstrengeling / van zijn superpositie, multilokaal en / onsterfelijk: de wind’.

In die tijd die kent vier afdelingen: ‘Tijd, ruimte’, ‘Materie, aarde’, ‘Slaap, evenwicht’ en ’Oorlogscyclus’. Grote onderwerpen, hoge verwachtingen. Evenals in het zojuist geciteerde gedicht deinst de dichter er niet voor terug haar kennis te etaleren. Direct al in het eerste gedicht (‘Triniteit van pi’) poneert zij pontificaal: ‘Achter het leesteken slingeren / al sinds het ontstaan van het heelal / de decimalen zich de ruimte in.’ Al sinds het ontstaan van het heelal? De decimalen achter de komma (het ‘leesteken’, wat een vondst) horen bij het decimale stelstel, een menselijke, dus vrij recente vinding. Pi is bovendien een abstractie, die in zekere zin los van tijd en ruimte bestaat. Vijf van de zeven gedichten van de eerste afdeling ‘Tijd, ruimte’ ademen dezelfde sfeer van verbazing over de kosmos, gelardeerd met feiten. Alleen in het vierde en vijfde gedicht kunnen we even op adem komen. Dan schrijft De Waard over haar andere passie:

In our time of living

Het is muziek, muziek
die de tijd draagt, elke tijd –
meer dan ooit die wij leefden

Ik luisterde naar wat
een halve eeuw geleden
ik bij mij droeg – hervoelde

de vervoering die
gelaagdheid gaf aan wie ik was
Door ruimten met een wormgat

als een keel stroomde en
echode de zang, die aangekleefd
door woorden en de hoor

en wederhoor van koren
ons stuwde uit onszelf, op weg
op weg, naar het geheel!

De derde afdeling is de meest persoonlijke van de bundel: ‘Slaap, evenwicht’. De dichter buigt zich hier over haar bewustzijn en verwondert zich over de verschillende toestanden daarvan: ‘Altijd is er wel één / stuk dat aan je ontsnapt en wakker blijft’. De gedichten zijn zeer uiteenlopend van toon. Zwaarmoedige overwegingen (‘Wat is er in de lichtheid / van mijn leven overdag / dat het betaald moet worden / met de zwaarte van de nacht?’), humoristische anekdotiek (‘De kappertjes zijn / eigenlijk wel erg groot – het zal hier / toch geen dierenhumor betreffen?’) en moderne cultuurkritiek (‘Nu iedereen zelf kan drukken / vrijwel niemand meer kan schrijven’). Bijzonder is de vertaling van een gedicht van de Kroatische dichter Slavko Mihalič. In de aantekeningen biecht zij zonder blikken of blozen op: ‘Ik vertaalde het tijdens een Poetry International via een Engelse versie waarover ik niet meer beschik’.

In het maanlicht

Ook al weet je dat de Maan
maar een lelijke, dorre tand is
die verdomd precies draait
om de schuimende aardwoestijnen

ook al voel je wel dat je zo ontzettend
sterfelijk bent alsof je niet eens
geboren was en dat ik een schaduw
ben van iets dat al weg is voor het

is aangekomen, ben je toch zo mooi

Geheel duidelijk is dit gedicht niet, misschien omdat het over twee schijven vertaald is. Is ‘ik’ een uitgedoofde ster, waarvan het licht ons jaren na zijn dood toch nog bereikt? En wie is ‘je’ in de laatste regel? Slaat ‘ben je toch zo mooi’ op de maan, als tegenstelling van ‘lelijke, dorre tand’? Dan is de laatste ‘je’ niet dezelfde als in het begin van het gedicht. Misschien moeten we er niet zo veel achter zoeken, en is ‘ben je toch zo mooi’ slechts een romantische uitroep aan het einde van een kosmisch geïnspireerd gedicht.

In de laatste afdeling buigt de dichter zich over de bedreigingen van het huidige tijdsgewricht. ‘Ooit werd ik in een oorlog geboren / Aan het eind kleurt de wereld opnieuw in bloed // In de tijd daartussen had ik het goed’. Maar liefst vier gedichten wijdt zij aan de ramp van de MH17. Indringend is het portret ‘De jongen die viel’: ‘Wie was ik voor ik viel? Mijn voet / verloor, mijn hart, mijn oor / wie was ik dan hiervoor?’ In het laatste gedicht van de bundel identificeert zij zich met een mythologische zieneres:

Als Cassandra

Wie is er geen Cassandra in een tijd
waarin je zonder visionair te zijn
kunt zien dat Troje zal gaan branden?

Aan rafelranden van de stad en in
de buitenwijken smeult het al –
Luister, het is de wind niet, blijf niet doof

en blind, het zijn miljoenen naderende
voeten, aanschuifelend tot een storm
die weinig overeind zal laten staan

Berg je nu het nog kan, want wie gesteld
is boven ons is machteloos en arrogant
en zal alleen zichzelf trachten te redden

Hier laat de dichter een krachtige stem horen, al weet ik niet goed hoe ik ‘Berg je nu het nog kan’ moet opvatten. Als geheel is In die tijd die echter een wisselvallige, pretentieuze bundel. Tijd, ruimte, materie, aarde – we belanden soms ongewild in een encyclopedie. Het enige verschil met Wikipedia is dat in deze bundel de zinnen vaak op volstrekt willekeurige plaatsen afgebroken zijn. Daarbij gaat in veel van de gedichten de gedachte nadrukkelijk aan het gedicht vooraf. En dat is geen goed recept voor poëzie.

Geplaatst in Recensies.