Gedichten

aborg 2

het is bijna zoals italiaanse schilderijen
of flirten in een stomme film:
het gevaar de dingen te noemen

tussen handelspanden verzonken in
tijdloze kronkelstraten schrikt
een man op een stapel perzische tapijten wakker;
hij verontschuldigt zich voor zijn dutje:
‘hoofdpijn’, zegt hij

toen werd ik ziek, het was augustus
en terwijl zij beneden tevergeefs hun kleuren tonen
– paradijsvogels vol ‘origo ik ik ik!’ – plaats ik,
gebogen over scarabee en avondmaal,
een injectie in de bloedbaan van het denken

zij begrijpen niet dat wij niet
naar de woorden luisteren
maar naar hun eelt

daar staat hij, op het grasveld onder mijn raam: wilhelm kostrowicky;
als een kind dat vrienden zoekt om mee te fietsen

zijn snor stijf van de pommade, messen kwetterend in zijn handen
zijn stem een auto-alarm in de stenen nachtlucht

(2015)

la última

nog geen maand geleden staarden we in wijnegem shopping center
in de loop van een politiegeweer
¿qué faré mamma? mio al-habib eštad yana!

we waren met 80.000 op de oevers die zomeravond van 3 juni 1910
‘stuur de honden naar hayırsızada,’ hadden ze gezegd

kuluri en la última in de u-bahn
in het klad van hun gedachten schreeuwen
ze naar elkaar als op de poëziewedstrijd
tijdens de jaarmarkt van ‘ukaz

is dit dan het raadsel van de hoedenmaker?

kuluri en la última worden uitgenodigd in zijn aderen voddenkraam
vluchtelingen op een theepartijtje zonder alice

de hoedenmaker legt hen op de schrijftafel achter in de u-bahn
met een kromme adamsvork prikt hij in hun lichamen
zij: verraden kameleons, bang toekijkend
hoe de snavel daalt als een vraag:

¿qué fareyo au ké serád de mibi?
habibi, non te tuelgaš de mibi!

de u-bahn zwenkt als een oude vis
en de patxarán giert door kuluri heen als een jonge god

ik, kuluri, word een pelikaan, kinderbeul in kladpapier
in het halflicht haal ik mijn borst open
en geef mijn snaterende kuikens bloed te eten

ondertussen neemt voltaire een sabbatjaar en wordt astronaut
op de maan is er tenminste geen verlichting
dag in nacht uit sleept hij puin van hypathia naar rimae guthenberg,
rangschikt de brokken in sierlijke schijngestalten: woorden bijna

kuluri en la última lezen het op het tv’tje in de u-bahn: 
‘rien n’est plus connu que le siège de malte’
dollartekens fonkelen in voltaires ogen

paulus leed hier schipbreuk
in 1565 deden de ottomanen zich te goed
aan harde witte aarde

opnieuw zwenkt de u-bahn als een oude vis
in het donker wordt een juwelendiefje van acht
de lippen dichtgenaaid

¿qué fareyo au ké serád de mibi?
habibi, non te tuelgaš de mibi!
fluistert la última opnieuw, verborgen achter haar krant

werd kuluri doodgeschoten door een afghaanse theejongen?

ondertussen paradeert ibn sana’ al-mulk tussen de weesfietsen
zijn mond een verzopen hond, zijn handen te groot
hij klampt studenten aan om over jarchas te oreren – uitleven in inleven

in de mond van een personage dat niet de dichter is
klinken woorden van vrouwen, knechten, dronkaards
als duiven die koeren tussen de takken
de vergeten stem van een kapperschaar, een helikopter, een theepot

grauwnonnen woonkinderen proefdochters
zoeken een plaats bij de rivier om wol te wassen en linnen te bleken

kuluri is tegelijk de man met het mes en de oranje gevangene
kuluri drinkt kidibul op het kerkplein
kuluri is de likker, de killer met de pruillip
kuluri is de kolibrie in de keel van ibn ‘arabi

als een oude vis zwenkt de u-bahn 

achter de blauwe deur, onder de ribben, kijkt kuluri uit
over het kwartier, de kerk, de kraaien in de kweepeerboom
op het gras stoeien zottinnen met hoeven
onzinnigheden in zonnetijd en hondentong geschreven
zanggodinnen met vingers van honing
hijgen in nog natte volzinnen

samen met de dingen die hij verzonnen heeft
wil kuluri 1 2 3 piano spelen
met de verzen verdwijnen door het afvoerputje
de moshpit midden in het gedicht

la última spreekt tot moeder merrie, tot haar zussen

op de keukentafel wachten brieven met bruine huiden
soms krijgt la última vuurvingers wanneer ze schrijft
maar meestal gebeurt er niets

wat kuluri ervoor overheeft om te stollen tot iets nieuws
als de mooie man met de maan op de rug te sterven aan moeraskoorts
te reïncarneren in de driepotige hond van josé el pepe mujica
eenzame brievenschrijver in de uruguayaanse jungle

ruik ik naar zeep uit europa?

alsa-me min hali
mon hali qad bare!
que faray, ya ‘ummi?
faneq bad levare!

wanneer na de plingplong van het eindstation
kuluri de u-bahn uitstapt, la última
nooit meer ziet en de vis al lang vergeten is
valt de valk aan

en kijk nu toch eens naar dat licht

(2016)

Geplaatst in Gedichten.