sadà\exposadà – rekonstruktie/konstruktie

Poëzie voor de onderbuik

Ivan Sacharov

Blijkbaar is het scheppen van kunst heel wat anders dan het analyseren ervan. Een conclusie als een open deur die, na het lezen van de bundel rekonstruktie/konstruktie van sadà\exposadà, helaas niet is dichtgegaan voor mij. En hierbij zou ik het willen laten.
Maar dat kan niet, vrees ik. Meander heeft me niet aangenomen om na twee maanden samenwonen (ik neem graag de tijd om te wennen) in een recensie alleen met déze uitspraak aan te komen. Dus zwicht ik voor wat geen verleiding kon zijn en ga iets zeggen over rekonstruktie/konstruktie van sadà\exposadà.

Nieuwsgierig? Okay. De lezer stelle zich direct bloot aan wat de schrijver met zijn diepzinnige inleiding mij mogelijk wilde besparen:

gouddildo

bedien de fontein. drink zon uit water, de hoer is
goud in de fontein. bedien het fonteinkalf. drink de
hoer uit water, het kalf is goud in de fontein.
neem ontvangbad in de hoer. bedien de fonteindildo.
drink het kalf uit water, de vrouwmaker is goud in de
fontein. neem genadebad in de hoer. terug, de fontein
neemt zon. terug, de fontein neemt zaad. wat bezinkt is
koncentreergeur wat bezinkt is koncentreergeur.
het waterkalf slaat het water.

opgemaakte zon, zware hoer, berijdt als mensen
de hoerendoder, opgemaakte zon, zuivere hoer, vindt
in het bloed genade, vindt in het bloed
wijn en zuur.
de waterhoer slaat het water.

Het advies uit de inleiding is om de tekst hardop te lezen en zo de ingewanden mee te laten resoneren. Dit is zintuigelijke poëzie. En voor de duidelijkheid: betekenis doet er niet (echt?) toe. Alleen de rite van de grammatica, de syntaxis: dát. Poëzie is dictie en de dichter is de niet-erkende wetgever van de wereld. Dus geen gezeur over… ja, waarover? Ik kan me niet onttrekken aan de gedachte dat het zelfs voor deze schrijver, of schrijfster (het blijft onduidelijk) wél uitmaakt wat er staat. Wat zijn dat anders voor wetten die een dichter uitschrijft? En een zinsnede als ‘drink zon uit water’ klinkt toch tamelijk begrijpelijk als een aanmoediging om de gespiegelde zon op te nemen. Ook ‘opgemaakte zon, zware hoer’, is niet vrij van betekenisvolle associaties (de zon schminkt zich in zekere zin met de stof waarop ze schijnt). Nog een voorbeeldje?

Uit de gele boeken/zout: XI louteraars: XLIII

drankhuil koortsig over godsbleke kontheuvels, de
stroom over de witkoepel loutergeil.

trek en drankhuil koortsig over bleke kontheuvels,
met koncentrerende tongen koncentrerende neus.

fallusval van de
witkoepelkont.
trek in de
louteraars. louteraars. louteraars. louteraars.

Goed. De schrijver hecht vooral belang aan de klank en het affect (gevoel) dat een tekst oproept. Hij (wiens naam niet genoemd mag worden) haalt uitvoerig Edmund Burke aan, die beweert dat van de drie effecten die woorden in onze hersenen opleveren (klank, beeld en gevoel) het beeld nog de minste impact heeft. Vooral het gevoel (affect) dat een tekst overbrengt steekt zijn kop diep in het onbewuste, dat ‘louter uit voorstellingen bestaat’ en geen uitsluiting kent, geen dit óf dat, zoals het dichotomische denken. Zelfs geen tijd: alles bestaat er broederlijk naast elkaar.
In het onbewuste worden temporele relaties naar ruimtelijke omgezet. Maar het omgekeerde gebeurt ook: wanneer we ons van iets bewust worden, wordt een voorstelling in het onbewuste voor de tweede keer bewerkt tot een proces in de tijd: tot spreken, schrijven, een taalvoorstelling. En deze secundaire bewerking is volgens de schrijver nog doortrokken van het primaire (onbewuste) affect. Woorden, die rare dingen die uiterlijk helemaal niet lijken op wat ze vertegenwoordigen, wekken uiteindelijk bijna hetzelfde affect op als de dingen waarvoor ze (be)staan! Daardoor wordt een nieuw soort ‘tijd’ geschapen: een tijd die de lezer niet zozeer ‘leeft’, als wel ‘leest’; een tijd die hij kan manipuleren door oogbewegingen en oogsprongetjes. Twee pingpongballen die gebroederlijk in hun eigen cadans over een tekst stuiteren scheppen een ‘ruimtelijke tijd’. De lezer wórdt de tijd, de ‘tijdeloze tijd’ zélf.
Teksten moeten de lezer ‘nieuwe ingewanden geven door een zin-zintuiglijke metamorfose’. Een soort gut feeling? Misschien. Maar metamorfose is volgens mij hier het sleutelwoord. Taal zou ons moeten openbreken en veranderen. Niet voor niets haalt de schrijver de mythe van Actaeon erbij. Een jager die met zijn vijftig honden een hert achterna zit. In het woud ziet hij tijdens de jacht als hij wat wil drinken bij een bron de godin Diana – die aan het baden is – per (on)geluk naakt. Diana straft hem daarvoor door hem in een hert te veranderen. De arme jager wordt daarna door zijn eigen honden verscheurd…
We moeten het niet vergeten: een lezer kan worden vergeleken met Actaeon. In het woud van de tekst zitten we als lezers een magisch hert achterna. Diana naakt zien (bij de bron!) is eigenlijk niets anders dan het (onbewust?) gezochte dat deel uitmaakt van onszelf in de bron, de tekst – die een spiegel is – te zien (te aanschouwen). Waarop deze eye opener ons als lezer verandert, en ons als een ‘haunting truth’ verscheurt (iets over jezelf leren is meestal niet leuk). Wat iedere schrijver uiteindelijk wil is zijn lezers veranderen! Lezen als herstructureren van hersenen: rekonstruktie/konstruktie. Poëzie als aanklacht en de lezer als aangeklaagde. Lezen als effect en de tekst als getuige.

Tot zover mijn interpretatie van de inleiding van de schrijver. Om de lezer een idee te geven van de context waarin deze poëzie gepresenteerd wordt. En over context gesproken (ik heb er al op gezinspeeld): sadà\exposadà is géén persoon. De schrijver vertelt dat het de naam is van een ‘corpus van teksten’. Een corpus waarvan de naam blijkbaar is geïnspireerd door (‘geroofd van’, vgl. de inleiding) de film L’ Empire des Sens (het rijk der zinnen) van de Japanse filmregisseur Nagisa Oshima uit 1976. Een hoofdrolspeler heet daar Sadà en heeft een onverzadigbare seksuele obsessie. Ze wil één worden met haar partner, die ze zelfs bereid is daarvoor te vermoorden (afgaande op hoe iemand anders dit beschrijft, want ik heb de film zelf niet gezien).
Binnen dit kader past het dat de teksten obsessief en seksueel getint zijn en ‘zintuiglikke’ effecten proberen na te streven:

         ‘buig  jij  buig  voor  de   pik  buig  de  pik  in   je
volgmond.  buig. buig  de vis de  vogel, verstoort  de
mond het bloed. buig jij  buig  voor  de  pik  buig het
bloed in je volgmondring. buig. buig het speeksel de
wijn, vreet de mond het bloed. voed jij voed voor de
pik voed de pik in je volgmondring.’

Zijn er nog meer redenen te bedenken waarom de schrijver voor seksueel getinte teksten koos? Is het zijn Freudiaanse inslag die hem-het-haar heeft ingegeven? In de inleiding wordt Freud uitgebreid aangehaald. Het is mogelijk. Ik zeg dit omdat de inleiding feitelijk ook voor iedere andere soort poëzie kan worden gebruikt. Er is in wezen niets in het proces waarmee wij taal ondergaan dat voorschrijft hoe poëzie eruit moet zien (of wel?). En bovendien: de schrijver zelf geeft aan dat het belang van betekenis ondergeschikt is: ‘het onder een begrip brengen is irrelevant’!
Misschien is de schrijver zich ervan bewust dat in iedere lezer (en schrijver) een narcist verscholen zit, en geilt hij zichzelf op met zulke teksten (lijkt me niet onwaarschijnlijk hier). Seks is en blijft één van de grootste driften van de mens. Naast de doodsdrift natuurlijk, die in de film L’ Empire des Sens ook aan de orde komt. Is het een combinatie van deze beide driften die ons drijft…  bij lezen, én schrijven? Dat zou dan het sm-sfeertje in sommige teksten kunnen verklaren. De keurige en strakke uitvoering van de bundel en de intelligente inleiding passen daar uitstekend bij. Maar ik ben geen echte kenner dus ik weet het niet… Wat weet ik niet? Nou, voor wie ik deze recensie (deze aanklacht) schrijf. Een beklaagde die ontkent dat hij of zij van vlees en bloed is (want enkel taal) kan eigenlijk geen beklaagde meer zijn; een corpus van teksten maakt van iedere opmerking een boemerang die terugvliegt naar wie hem maakt. En de echte schrijver woont ver weg: onkwetsbaar in het bos, een super-narcist die zich compleet in zijn tekst heeft weggeschreven. Een goede metafoor verduistert, nietwaar? Ach, dát zit mij natuurlijk dwars! Dát (wat ik niet ken). Frustrerend, want

geen vrouw geen vent die ik als recensent
niet gaarne in het hart tref met mijn pen.

***
rekonstruktie/konstruktie bevat de drie boeken die voorafgaan aan de grote middag en de zaal van baards!, te weten: zienerlied-entartet, ON- en de gele boeken/zout. Voor de lezers van het eerdere werk van sadà\exposadà vormt dit boek een onmisbare completering. Voor de eerdere maar zeker voor nieuwe lezers heeft sadà een inleiding geschreven die een goede ingang geeft tot het geheel van dit corpus. (informatie van de website van de uitgever)

Geplaatst in Recensies.