LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Jeanet van Omme – Ik en het gedicht

15 mei, 2018

Over beginnen, twijfelen, schrappen en herschrijven

door Eric van Loo

Jeanet van Omme is schrijfdocent en richtte in 2001 het Schrijfatelier op. In 2014 schreef zij De Aap en het Alfabet, een bundel van 26 columns over de lespraktijk van het Schrijfatelier. Ik en het gedicht is haar tweede uitgave, inmiddels ondergebracht bij Schrijfatelier Uitgeverij, dat zij oprichtte uit de behoefte om haar vakinhoudelijke ervaring vast te leggen en uit te dragen. In de inleiding schrijft ze dat dit boek ‘is geschreven voor alle poëzieliefhebbers’, zowel docenten, dichters als lezers.
Het boek bevat gesprekken met de dichters Sasja Janssen, Floor Buschenhenke en Anne van Amstel, die allen ook als docent betrokken zijn bij het Schrijfatelier. Van Omme legde hen ieder vier vragen voor, waarop zij steeds reageerden met een eigen gedicht. ‘Hoe begin je een gedicht?’, ‘Herschrijven, hoe werkt dat?’, ‘Wanneer besluit je dat een gedicht af is?’ en tot slot: ‘Hoe ga je om met reacties uit de buitenwereld?’
Het boek is mooi uitgegeven, met een intrigerende voorkant. De titel ‘Ik en het gedicht’ is ontstaan als stiftgedicht uit de zin ‘Ik begin, twijfel, schrap en herschrijf tot het gedicht af is’. Een leuke binnenkomer. Na een enthousiaste inleiding van Bas Kwakman, directeur Poetry International, volgt een tweede inleiding van Jeanet van Omme zelf. Daarin vertelt ze niet alleen over de achtergrond en opzet van het boek, maar presenteert ze ook de belangrijkste conclusies, gelardeerd met fragmenten uit de gesprekken. Eigenlijk een soort samenvatting vooraf. Dit komt een beetje dubbelop of prematuur over. De stappen die iedere dichter zet om tot een nieuw gedicht te komen zijn: ‘Maak tijd en val stil’, ‘Ontwikkel een schrijversoog’, ‘Zet het gedicht op eigen benen’, ‘Geef taal de hoofdrol’ en ‘Vertrouw de lezer’.
Drie dichters en vier vragen levert dus twaalf hoofdstukken op. Elk hoofdstuk opent met een gedicht van de betreffende dichter, dat bij de vraag betrokken wordt. Opmerkelijk is, dat de dichters telkens zelf het gesprek beginnen. Vervolgens babbelt Van Omme wat mee, stelt wat voorzichtige vragen zonder ooit kritisch te worden. Elk gesprek eindigt met een schrijfopdracht en leestips. De leestips zijn interessant, en laten iets van de bagage van de betrokken dichters zien. De schrijfopdracht is vaak direct uit het gesprek afgeleid, en komt dan neer op ‘probeer wat ik gedaan heb zelf ook een keer te doen’.
Als dichter en lezer was ik het meest geïnteresseerd in het hoofdstuk ‘Herschrijven’. Anne van Amstel kiest voor haar gedicht ‘Hoop’ uit Geef me nu ik wil (2016), en presenteert daarbij een oerversie uit 2010. De twee versies verschillen sterk: geen regel is hetzelfde. Van Amstel had het gedicht terzijde gelegd na kritiek van collega’s. Een paar jaar later blies ze het nieuw leven in, omdat de gedachte over de kwetsbare hertshoornvaren goed paste bij de cyclus in haar nieuwe bundel. In het gesprek gaat ze vooral in op de inhoud van het gedicht, en minder op het specifieke proces van het herschrijven.
Het hoofdstuk van Sasja Janssen over herschrijven is een stuk lastiger. Ze vertelt, dat ze het gedicht ‘Flatterzunge’ schreef toen ze hoorde dat ze kanker had. Van Omme: “Heb je de kanker bewust weer uit het gedicht gehaald?” Janssen: “Ik vind het een mooi woord, kanker. Jammer dat het er niet meer in staat. (…)” Van Omme: “Waarom ging het eruit?” Janssen: “Het gedicht dicteert waar het over gaat. Er komen zinnen en die gaan die kant op. Die volg ik dan. Dan stroomt het. Het ging me niet meer om de ziekte, het ging om het uitverkoren zijn.” Als dichter en lezer heb ik hier heel weinig aan. De volgende vragen/opmerkingen van Van Omme leiden niet echt tot meer duidelijkheid over het schrijven: “Het gedicht heeft de jij-vorm”, “Hoe kwam je op die Flatterzunge?”, “Je legt het nergens uit. Je dóet het gewoon.” Nergens een zweem van kritiek of confrontatie. Terwijl toch de volgende uitspraak van Janssen bij mij veel vragen oproept: “Ik wilde iets doen met het feit dat ik kanker kreeg. Ik begon met het gouden kalf. Via het beeld van een messias kwam ik daarop.” Messias en uitverkoren, die snap ik nog wel. Maar het gouden kalf? Dat is toch een heel ander verhaal? Dat afgodsbeeld uit het Oude Testament heeft niets met uitverkoren zijn te maken, noch met de messias, behalve dat het beide Bijbelse begrippen zijn.
Floor Buschenhenke maakt het nog bonter. Over haar gedicht ‘Niet gebruiken in geval van nood’ zegt ze: “Van gedicht 1 naar gedicht 2 was best een heftige herschrijving. Het moest over geloof in verhalen gaan en het moest eindigen met: iedereen gaat dood. Want dat is nu eenmaal zo. (…) ‘De lift steigert als een angstig paard’ – dat is nogal een beeld. Nu ik het zo overlees, zou ik de lift eruit halen. Ik zou ‘m schrappen.” Van Omme: “Wat moet er dan steigeren als een paard?” FB: “Niks.” Van Omme: “Gewoon het paard zelf?” FB: “Ja. De enige reden dat die lift erin staat, is dat die in de vorige versie stond. (…) Ik vind die lift overbodig. Totaal overbodig.” Van Omme: “Dit wordt heet-van-de-naald-herschrijven!” Ik deel Van Ommes enthousiasme niet. Sterker nog: ik voel me als lezer opgelicht. Het is precies wat ik vaker ervaar bij een bepaald soort moderne associatieve poëzie. Het komt allemaal zo willekeurig over. Blijkbaar is er door de dichter zo slecht nagedacht over dit gedicht, dat alleen al door erover te praten (Van Omme stelt zich geenszins op als kritische redacteur) er bij Buschenhenke de behoefte ontstaat het gedicht volledig op de schop te gooien. Op zich niets mis mee, maar ik begrijp niet waarom je dit gesprek dan toch in het boek opneemt, in plaats van met een beter voorbeeld te komen van een herschrijving.

Met deze kritisch besproken voorbeelden wil ik niet zeggen, dat Ik en het gedicht geen aardig boek is om te lezen. Zeker voor beginnende dichters staan er veel interessante overwegingen en nuttige aanwijzingen in. We krijgen een levendig beeld van het schrijfproces, met soms interessante achtergronden bij de gepresenteerde gedichten. In de gesprekken en tips is weinig aandacht voor techniek (metrum, assonantie, vorm). Misschien hangt dit samen met de keuze van de geïnterviewde dichters, die in de gepresenteerde gedichten alle drie voornamelijk het vrije vers hanteren. Zeker bij de beantwoording van vraag twee en drie (‘Herschrijven, hoe werkt dat?’, ‘Wanneer besluit je dat een gedicht af is?’) zou meer aandacht voor de ambachtelijke aspecten van het gedicht op zijn plaats geweest zijn. Verder valt op, dat er in de gesprekken tussen Van Omme en de dichters weinig sprake is van distantie. Het boek heeft een hoog ons-kent-ons gehalte, en dat is jammer wanneer het ook voor lezers buiten de cursisten van het Schrijfatelier bedoeld zou zijn.

     Andere berichten