Mark Meekers – uit de volière van mijn hart

Een overvolle kooi

door Maurice Broere

Het formaat van deze bundel (of moet ik van een verzameling spreken) wijkt sterk af van de afmetingen die dichtbundels doorgaans hebben. Op zo ongeveer A4-formaat liggen er 270 bladzijden tekst voor me. De omslag is voorzien van een illustratie van de hand van de schrijver, tevens beeldend kunstenaar onder zijn eigen naam: Marcel Rademakers. De meeste pagina’s bevatten meer gedichten dan gebruikelijk is, soms twee of drie.
De ondertitel is dubbelzinnig: nagelaten gedichten 1958 – 1982. Bij nagelaten gedichten hebben we meestal te maken met verzen die na het overlijden van de dichter tussen zijn paperassen zijn gevonden. Doorgaans is dat van alles wat: eerste versies, afgekeurde zinnen, half-afgemaakte gedichten. Liefhebbers van de literaire held willen vaak het complete oeuvre met elke snipper papier waarop de gewaardeerde zijn pen heeft laten rusten. Als het een gerenommeerde dichter betreft, wordt er meestal een wetenschappelijke uitgave op touw gezet. De bezorger heeft de taak alles bij elkaar te zoeken en voor uitgave gereed te maken. Dat de kwaliteit van het gevonden werk niet altijd even constant is, vormt geen probleem, want het mist de toets der kritiek van de overleden maker. Of toch wel, want het werk is nooit in druk verschenen en dat zou weleens niet voor niets geweest kunnen zijn…

In de bundel uit de volière van mijn hart hebben we te maken met werk dat door de maker zelf is geselecteerd en we zouden mogen hopen dat de kwaliteit er mag zijn in de ogen van de schepper. Mark Meekers is nog springlevend en de gedichten waarover we spreken zijn tot op heden nagelaten te publiceren.

Het boek opent met ‘Woordvoorwoord’, een soort verantwoording van de uitgave, aangevuld met 21 voetnoten. Het lijkt alsof een geoefende lezer deze ‘wetenschappelijke’ aanbeveling met wat hagiografische trekjes heeft geschreven, maar het vreemde is dat de naam van de auteur ontbreekt. Dit doet bij mij het vermoeden rijzen dat de heer Meekers zelf deze verhandeling geschreven heeft. Op zich niets op tegen, maar het had wel zo chique geweest als hij zijn naam eronder had gezet.

Uit de inleiding blijkt dat Meekers in 1958 zijn eerste bundel uitbracht en dat hij zich ontwikkeld heeft mede onder invloed van de stromingen die eind jaren vijftig en begin jaren zestig opkwamen. Hij noemt onder andere Paul Rodenko en Lucebert als voorbeelden. Aan het eind van het betoog zegt hij: ‘De ‘nagelaten’ gedichten in “uit de volière van mijn hart” vormen de onstuimige aanloop naar het latere ‘klassieke’ dichtwerk. Mogelijk is het de moeite waard om deze ‘schat op zolder’ van onder het stof te halen.’ Moesten deze gedichten nog gepubliceerd worden? Voegen ze nog wat toe aan het oeuvre van deze dichter? Dat is, denk ik, de vraag die we moeten beantwoorden.

Het boek is verdeeld in zestien afdelingen, voorzien van een titel en een jaartal. Uit ‘Grenslijn van verveling’:

Ik heb in de nacht

ik heb in de nacht
voor uw koud huis gestaan
liefste
de lichten waren aan

Het spreekt voor zichzelf en zegt veel met weinig woorden. De invloeden van de Vijftigers zijn duidelijk aanwezig, conventies uit vorige eeuwen zijn afwezig: geen eindrijm, geen vaste regellengte, geen ‘poëtisch’ taalgebruik, bijna een readymade. In deze afdeling, maar ook in de rest van de bundel komen nogal wat (bescheiden) typografische grapjes voor zoals we die kennen van het dadaïsme en met name van de illustere landgenoot van Meekers, Paul van Ostaijen. Veel gedichten hebben een wat aforistisch karakter. Uit ‘Een bewoonbaar eiland worden’:

voorwoord

dichten is de bressen dichten
tussen woord en werkelijkheid

Soms komen de gedichten wat clichématig over. Uit ‘Rozelaar van licht’:

wie eenzaam is

wie eenzaam is kan niets meer leren.

van de vogel van de dood hoorde hij
het lied om in te leven
van de vreugde vond hij de stengels in de pijn
zijn zwijgen werd de stilte tussen bloem en vrucht op de aarde

wie eenzaam is draagt sneeuw op het hart
wordt een zeer witte zwaan met een oog voor traan.

Soms gaat overdaad in de richting van kitsch. Uit ‘Retabel van woorden’:

andante

o rozennatuur genotgenoten tover
van tengere stengelstoeiviolen
larikslarghetto’s schone tinnentonen
zwemmend in verrimpelijk regenweenwee

waai ik aan haaien-oever van
de zondezere zwanenavond aan.

Experimenten zijn natuurlijk lovenswaardig binnen het werk van een kunstenaar om de vorm te zoeken. Voor literatuurwetenschappers of liefhebbers die speciaal geïnteresseerd zijn in de werken van Mark Meekers is nagelaten werk een onuitputtelijke bron om in te grasduinen en de ontwikkeling op de voet te volgen. Helaas, in dit geval laat de levende dichter ons dit na en de vraag rijst: wat laat hij nog op de plank liggen? De titel veronderstelt toch wel een selectie op grond van kwaliteit. Alleen siervogels belanden in een volière, zeker als het een kooi betreft die veel betekent voor de eigenaar, zodanig zelfs dat het de volière van het hart genoemd wordt.

Zit de doorsneepoëzielezer te wachten op dit soort werk? Ik denk het niet, al lezend verdrink je in de enorme hoeveelheid die rijp en groen gepresenteerd wordt. Misschien voelde Meekers dit zelf al aan, zoals blijkt uit het volgende:

met de jaren

stijgt de koorts en
poëzie wordt ziekte
waar geen verzekering tegen verzilvert

De dichtkunst kun je als ziekte zien, maar hij had de woekering kunnen stoppen door de verzekering van een kritische blik, waardoor een bloemlezing had kunnen ontstaan met een duidelijke thematiek, overzichtelijk voor de lezer. Hier geldt: niet het vele is goed, maar het goede is veel.

____

Mark Meekers (2018). uit de volière van mijn hart. Artsenicum, 270 blz. € 20,00. ISBN 9789090313924

Geplaatst in Recensies.