Jan Kleefstra – Windtoon

Een eigentijdse Winterreise

door Eric van Loo


De voorkant van de nieuwe bundel van Jan Kleefstra toont een sobere tekening/aquarel in grijstinten van de hand van Christiaan Kuitwaard. Een kale boom, een vennetje, de suggestie van riet, van bomen. Een sobere winterse sfeer, als een Japanse prent. Op p.5 nog een tekening, een dunne ets misschien.

Er wordt in deze bundel een verstild verhaal verteld. Ik voel me bijna bezwaard hier iets over te zeggen, om de stilte te doorbreken. De achterflap vat het als volgt samen: “De aanloop van een ochtend die weet dat ze zich over zal geven, het traag traag aanzwellen van wind, het vanuit de verte naderen van de slaaptrek van duizenden ganzen, de bloei op een plek waar niemand komt, een versleten muziekstuk, de roep om aandacht van een vergeten stuk land in de herinnering van haar die daarboven nog gezongen heeft.” Misschien is dit de verhaallijn. Maar het gaat in deze poëzie natuurlijk niet om het verhaal.

Vang maar eens wind in een toon die van haarzelf is

Het eerste gedicht in de bundel is maar één regel lang. Het klinkt als een verzuchting, alsof de dichter zich voor een onmogelijke taak gesteld ziet. De juiste toon te treffen om iets zinnigs te zeggen over zoiets vluchtigs als de wind in een leeg landschap. In deze korte zin zit ook de titel van de bundel verborgen. De bundel heet Windtoon, en vormt daarmee het resultaat van de opdracht die de dichter zichzelf in de eerste zin gegeven heeft.

De gedichten nemen geleidelijk toe in lengte. Na twee eenregelige gedichten volgen vier disticha en vijf terzinen. Het gedicht op p.13 heeft de eenvoud en zeggingskracht van een haiku:

De verwante bloei
de rug recht

liefde blijft niet fluisteren

Kleefstra varieert telkens in de opbouw van gedichten met eenzelfde regelaantal. Naast bovenstaande opbouw van 2 – 1 gebruikt hij bij de terzinen ook 2 – 1 of een terzine uit één stuk (zonder witregel). De drie kwatrijnen hebben de opbouw 1 – 1 – 1 – 1 of 1 – 2 – 1.  De toename van het aantal regels per gedicht brengt mooi “het traag traag aanzwellen van wind” tot uitdrukking. Er volgen vier kwintetten, en maar liefst negen sextetten. De dichter lijkt geen genoeg te krijgen van de variatiemogelijkheden die deze zes regels bieden. Na vier septetten en acht octaven stopt het zwellen plotseling. Drie losse regels op p.44: ‘Vanwaar een hand vergeven rijp // het strelen van mist // dagen tellen’. En slechts drie woorden op de volgende bladzij: ‘Een dromerig vermoeden’. Is dit een ultrakort gedicht? Of misschien de titel van de tweede afdeling van de bundel? Er volgen veertien relatief lange gedichten, de opbouw in lengte uit het eerste deel van de bundel wordt doorbroken. Vrij plotseling eindigt de bundel, met één losse regel: ‘Omdat het land steeds verder van ons af drijft’. We kunnen de eerste en laatste regel van de bundel onder elkaar plaatsen, als een distichon. Het verdriet om de natuur die ons de rug toekeert, omdat wij haar de rug toekeren.

Bovenstaande rekenkundige benadering doet de gedichten natuurlijk geen recht. Het laat slechts zien, dat deze bundel met veel zorg gecomponeerd is. Misschien is deze bundel eerder een partituur, of nauwkeuriger geformuleerd: het libretto van een muziekstuk. De bundel vraagt erom, zeker de eerste helft, om in één beweging gelezen te worden. Het liefst hardop gelezen. Ik heb dat meermalen gedaan. Een stroom van taal, van beelden. Ik waande mij in een winterlandschap, een kale ongerepte natuur die in Nederland nauwelijks meer te vinden is. Er spreekt eenzaamheid uit de teksten, maar ook een verlangen alleen te zijn met de natuur, één te zijn met de natuur. Een Winterreise. Kleefstra werkt in Piiptsjilling samen met muzikanten, waarbij zijn veelal in het Fries uitgesproken teksten worden uitgesproken tegen de achtergrond van een soundscape, een muzikaal landschap. Op de achterflap lezen we: “De vierde bundel van Jan Kleefstra bij uitgeverij Aspekt. In een compositie vergelijkbaar met die van enkele van zijn favoriete muziekstukken.” Dat woordje ‘favoriete’ is misleidend, alsof het zou gaan om muziek van anderen. Vermoedelijk wordt gedoeld op een compositie in de geest van eerdere muziekstukken, die gedragen worden door de poëzie van Kleefstra. Net zoals de wandelaar wordt de lezer in Windtoon af en toe verrast door vogels. Kleefstra kent de namen. Een fitis, zwartkop, zwaluw en zwarte roodstaart laten van zich horen. Meermalen geeft een leeuwerik acte de présence. En ook zijn geliefde boom kunnen we een paar keer ontwaren:

De berk die spar wil zijn om de zon te zien

van alle zijden ontelbare draden spint
om het licht van de wereld te bewaren

verzet kan zo maar gebroken zijn

De lezer die zijn verzet opgeeft, niet meer probeert om iets te pakken, te begrijpen, en zich overgeeft aan het onbenoembare fluisteren van de natuur en van de wind, heeft met Windtoon een bijzonder boekje in handen. ‘Het blijft leiachtig grijs wind stil’ (p.56). Kleefstra nodigt ons uit die stilte binnen te treden, heeft die stilte en leegte voor ons in stamelende regels gevangen. Misschien schuilt hierin wel een antwoord op de openingsregel: ‘Vang maar eens wind in een toon die van haarzelf is’. Hoe ongrijpbaar de wind ook mag zijn: Kleefstra heeft ons -opnieuw- meegenomen op een bijzondere reis.

____

Jan Kleefstra (2019). Windtoon. Uitgeverij Aspekt, 62 blz. € 12,50. ISBN 9789463385626

Geplaatst in Recensies.