De schrijver F. B. Hotz zei eens in een interview: ‘Bij mij moet de werkelijkheid niet een verhaal worden, maar het verhaal werkelijkheid.’ Die werkelijkheid schep je in een samenspel van vorm en inhoud en dat geldt evenzeer voor poëzie. Dat boeit me mateloos. Of een gedicht anekdotisch is, irrationeel of dat alle banden met de buitenwereld zijn doorgesneden, doet er daarbij niet toe. In ieder goed gedicht leeft een werkelijkheid – met de nadruk op ‘leeft’.
De alledaagse werkelijkheid is chaotisch, vaak verwarrend. Poëzie kan een manier zijn om door die chaos heen te kijken, een waarheid te ervaren, scherper te zien. Soms gaat het om een illusie van waarheid voor zolang het gedicht duurt, een fascinerend spel. Een mooie uitspraak in dit verband, van Bertus Aafjes: ‘Dichters liegen de waarheid’.
Je moet het wel goed opschrijven allemaal, want ‘Wie zijn denkbeelden in morsig taalvel steekt, / tuimelt in het graf van de gefnuikte zinnen.’ Prachtige regels van H.C. ten Berge. Maar het gaat verder dan dat. Antjie Krog verwoordde in ‘Digter wordende’ wat ik aanvoelde, maar nooit kon formuleren. Ik citeer het gedicht in haar eigen taal, dat kan in dit geval niet anders. De vertaling van Robert Dorsman kunt u lezen in mijn favorieten. Die is heel goed, maar het Zuid-Afrikaans van Krog is niet te evenaren.
Digter wordende
om op ’n oggend wakker te word binne-in klank
met vokaal en klinker en diftong als voelspriet
om met aarselende sorg die effensste roerings
van lig en verlies in klank te kalibreer
om jouself meteens gekniel te vind
bo-oor die hoorbaar kloppende wand
van ‘n woord – soekend daardie presiese
moment wat ’n versreël volloop in klank
wanneer die betekenis van een woord swig,
begin gly en hom eindelik oorgee aan geluid
van dan af smag die bloed na die inkantasie
van taal – die enigste waarheid staan gevél in klank
die digter dig met haar tong
sy haal asem – ja diep uit haar oor
Er is nog veel meer. Schoonheid, de magie, meerduidigheid, het taalsysteem, het geluksgevoel dat je kan overvallen. Ik houd ook van poëzie die niet in dienst staat van religie of ideologie of wat dan ook – iets wat engagement natuurlijk niet uitsluit. Het is een opvatting die al meer dan anderhalve eeuw wordt gehuldigd. Poëzie is nutteloos, zei Baudelaire als hij door moralisten werd bekritiseerd. Van Oscar Wilde is het mooie aforisme ‘All art is quite useless’. Poëzie stijgt boven het nut uit: die opvatting is mij zeer lief.
© Hans Puper