Peter Prins – contouren voor verderop

Letters voor dichterbij

door Ivan Sacharov

contouren voor verderop, heet de bundel die voor me op tafel ligt. Een poëtische titel, vind ik. Al zegt de kwaliteit van een titel nog niet zoveel over de inhoud, natuurlijk. Het zijn ook maar contouren, de buitenste lijntjes van iets wat je nog in moet vullen. En dat doe je dan verderop in de ruimte, de tijd, of als lezer, verderop in een tekst, stel ik mij voor:

I

verderop, een plaats in een richting, een muur, zo’n geblakerde,
een structuur zonder vorm, de rest van het oorspronkelijke, het raamloze,
een hoofd leunend ertegen,

is het te vertalen: verderop, die afstand,

in die harde taal waarin je thuis bent,

.                              achter zo’n muur is het stil, dat wil zeggen geen geluid,
.                              niet gemaakt door haar of door hem, onbedoeld bedoeld,
.                              of ineens,
.                              er hangt nog wel blad en zo’n lage zon,

verderop, buiten deze kring, je kent dat wel zo’n cirkel,
met ooms en tantes en het idioom, harde taal waarin je thuis bent,

Het eerste gedicht uit de reeks van zeven, die samen het eerste hoofdstuk vormen: ‘contouren voor verderop I’.
Peter Prins (de auteur) schetst een tamelijk conventioneel milieu met al die ooms en tantes en een huiselijke kring, waarin zo nadrukkelijk ‘harde taal’ wordt gebezigd. Het doet mij een beetje denken aan het klimaat van de jaren zestig, zeventig, waarin nog wel eens onbekommerd werd afgegeven op mensen met een andere (buitenlandse) achtergrond, die natuurlijk buiten de cirkel horen. In een ander gedicht ‘verderop’ in het hoofdstuk wordt dat idee een beetje bevestigd doordat de dichter een aantal ‘kleuren’ expliciet benoemd (hoewel niet altijd per se als huidskleur): ‘verderop heeft een kleur, grijs op een regenachtige dag, grijs is een kleur, zwarten en witten hebben die ook’. Ik zet ‘kleuren’ tussen haakjes omdat ik altijd heb geleerd dat zwart en wit geen kleuren zijn.

Misschien is het goed om ons af te vragen wat bedoeld wordt met ‘harde taal’. Gaat het letterlijk om geschreeuw, of – meer subtiel – om (iets te) sterk ingenomen standpunten? Of is het gewoon taal die recht voor zijn raap en duidelijk is? Alleen met dit gedicht in de hand is dat niet te beantwoorden. Maar de laatste twee mogelijkheden lijken me waarschijnlijk.

Elke goed gecomponeerde bundel heeft een kern. Tenzij de dichter zware diarree had en het aan elkaar geregen spaghetti-gezwets is waar een uitgever een draadje door heeft gehaald. Maar dan is er ook geen zinnig woord over te zeggen. Dat is hier niet het geval. Het gaat hier om een heel strak gecomponeerde bundel met een duidelijke structuur en vermoedelijk dus ook een kern. En om een kern te ontsluiten kan een sleutelzin handig zijn. Volgens mij vormen de eerste twee losse regels na de eerste strofe van het boven geciteerde gedicht samen een soort sleutelzin: ‘is het te vertalen: verderop die afstand, in die harde taal waarin je thuis bent’? Het vraagteken is van mij.
Het is een zin met veel mogelijkheden. We kunnen ‘thuis’ bijvoorbeeld niet alleen opvatten als de plaats waar we wonen, maar ook als de tijd waarin we leven (thuis zijn). Het ‘nu’ als onze tijdelijke woning, waarin we alles scherp kunnen zien, in tegenstelling tot de vage contouren van een toekomst ‘verderop’. De moeite die het soms kost om wat als toekomst op ons afkomt te accepteren, laat zien dat de vraag niet academisch is. Maar dat geldt tevens voor een verderop in ruimtelijke zin. Andere landen, andere gewoontes, mogen we zeggen. Gewoontes die hier naartoe kunnen komen, in de vorm van vluchtelingen, ongeveer zoals de toekomst naar het ‘nu’ komt. In deze zin is de schrijver heel actueel. Op het scherpst van de snede behandelt hij één van de hoofdthema’s van onze tijd; en hij zet het vraagstuk op een buitengewoon originele manier neer! Niet alleen als een probleem tussen mensen, maar ook als een probleem ín ieder mens. Ja, hoe is het te vertalen, verderop, die afstand, in de harde taal waarin je thuis bent? Hoe passen onze huidige gewoontes bij iemand die van ver weg komt? Hoe word je die je zult blijven (om Nijhoff maar eens te parafraseren)? En tenslotte, last but not least, voor de lezer, die een afstand in een tekst aflegt: hoe kan hij zichzelf zo veranderen dat hij een tekst (poëzie) die hij (nog) niet begrijpt gaat begrijpen? Onbegrip is misschien wel het grootste obstakel om contouren verderop in te kunnen vullen.

Het tweede hoofdstuk van de bundel is een merkwaardige verzameling prozagedichten, die haast als scènes van een verhaal kunnen worden gelezen. Misschien zijn het reisnotities. Ik zeg dat omdat elk gedicht in dit hoofdstuk een plaats en tijdsbepaling als titel draagt. Het hele hoofdstuk zelf draagt als titel: 52°56’38’’ NB, 4°56’11’’ OL, 08:18 u. Het is ook de titel van het eerste gedicht van dit hoofdstuk (dat te lang is om te citeren). Als voorbeeld citeer ik een korter gedicht uit dit hoofdstuk:

48°50’49’’ NB, 2°19’59’’ OL, 11:51 u,

lief uitzicht

verderop in de verte, armlengten verder dan jij, staat hij op uit de andere stoel, een rode pet op een zwarte huid, die van het hoofd, niet ineengesmolten,

voorbij het perk met de bloemen, het piëdestal waarop het beeld, een massieve kruin houdt het weg van het ogenblik, ook hij, weggehouden door stammen, eeuwenoud, doordat hij opstond uit de stoel waarvan de kleur samenvalt met wat er omheen is, dat heerst,

verderop in de verte, armlengten verder,

Een lezer kan zelf de plaats opzoeken waar dit zich afspeelt (ik denk ergens in Frankrijk, bij Parijs). De tekst lijkt op het eerste gezicht een scène te beschrijven die zich afspeelt in een soort park. Iemand kijkt naar een man met een donkere huid, die opstaat uit een stoel. Maar als we goed lezen staat er meer in deze regels. De rode pet die zo contrasteert met de zwarte huid betekent iets. Alsof die twee – niet ineengesmolten – zaken van origine niet echt bij elkaar horen. De man staat op uit ‘de andere stoel’: dat kan gewoon een andere stoel zijn, maar het woord ‘stoel’ is hier al bijna even beladen als het woord ‘thuis’ in het eerder geciteerde gedicht. Het kan de stoel zijn waar hij ‘hoort te zitten’, ‘weggehouden door stammen, eeuwenoud’ misschien: stammen die vasthouden aan een eigen oude cultuur. Het is ook een stoel waarvan de kleur samenvalt met wat er omheen is: een stoel die dus past bij zijn omgeving. De verte verderop blijkt dubbelzinnig: er gebeurt daar wat, iets maakt zich los.

De bundel blijkt uiteindelijk een soort drieluik. Het derde en laatste hoofdstuk van de bundel heet ‘contouren voor verderop II’, en keert terug naar de sfeer van het eerste hoofdstuk. Deze twee hoofdstukken lijken wat abstracter, wat meer overkoepelend geschreven dan het tweede, centrale hoofdstuk. Ze leveren commentaar. Commentaar misschien, dat de sprankelende, concrete scènes van het tweede hoofdstuk moet omlijsten, alsof het geheel een schilderij is. Een schilderij met een lijst. En zoals het hoort: niet de lijst, het schilderij is het mooist. De lezer kan dat zelf ontdekken, maar de structuur van deze recensie gebiedt mij toch nog een stukje van de lijst te behandelen. Een fragment uit het laatste hoofdstuk:

gedurende de tijd dat een ivoordelver de slagtand uithakt, van zijn ingesneeuwde positie is
gered, van de losgeraakte ijsschots gehaald, heeft de jongen zijn vader overtuigd, loopt de
grijs-blonde vrouw met een losgeraakt nietje tussen duim en wijsvinger richting
prullenmand, blijven de tafels oneven bezet en duiken kleine jungles als herfstkrokussen op, legt zij het nietje terug in de krant, vindt van alle politieke partijen er één dat die anderen gericht zijn op de westerse mens en geld, verkleurt je huid,

De grammaticale formule van dit fragment wordt een aantal keren herhaald: ‘gedurende de tijd dat… verkleurt je huid’. Met telkens iets anders op de plaats van de puntjes. De tendens is wel duidelijk. Het aantal wereldproblemen dat in deze tekst wordt aangestipt is opmerkelijk (van het uitsterven van diersoorten, het milieu, tot migratie toe). Pikant is een zinnetje als: ‘blijven de tafels oneven bezet’, waarin de ongelijkheid van partijen tot uiting komt.
De formule zelf: ‘gedurende de tijd dat… verkleurt je huid’, is zelfs een zeer pikante aangelegenheid. Het is de repliek van de sleutelzin, die ik al eerder heb geciteerd: ‘is het te vertalen, verderop die afstand, in de harde taal waarin je thuis bent’?
Zonder dat we het in de gaten hebben veranderen we, en wordt afstand vertaald! Maar vermoedelijk niet in de harde taal waarin we thuis waren, want we laten die taal onherroepelijk achter ons. Net zoals de vluchtelingen die naar ons toe komen zijn we zelf ook vluchtelingen die alles achter laten, maar dan vluchtelingen uit het verleden, die vluchten naar het grote land waarvan we de contouren al kunnen zien en waarvan we denken (hopen) dat het er beter is: het land dat toekomst heet.

Ik denk aan: ‘On The Border’, liedje van Al Stewart. Heb ik altijd al mooi gevonden…
____

Peter Prins (2019). contouren voor verderop. Uitgeverij CrU, 32 blz. € 15,00. ISBN: 9789079993222

Geplaatst in Recensies.