Poëzie Kort 2019 / 6

 

Frederik Lucien De Laere, Opabinia

(door Kamiel Choi)

Opabinia, de vijfde dichtbundel van Frederik Lucien de Laere, straalt direct nostalgie uit. Het donkergroene omslag met de mysterieuze illustratie (dit blijkt het diertje Opabinia te zijn); de zorgvuldig gesoigneerde auteursfoto, het crèmekleurige papier. De inhoud is ook nostalgie: in 38 gedichten met de Latijnse namen van uitgestorven diersoorten als titel worden deze dieren herinnerd. Het motto is van de Amerikaanse schrijver en conservationist Stewart Brand: ‘Extinction is a different kind of death. It’s bigger’. Het titelgedicht ‘Opabinia regalis’ beschrijft deze vreemde geleedpotige uit het Cambrium, die in geen enkele categorie is onder te brengen: ‘gij zijt onbegrijpbaar, sinds uw verschijnen / stelt gij voor raadsels en verhult gij geheimen.’

De gedichten zitten vol wetenschappelijke feiten, maar de vorm is persoonlijk: De Laere spreekt de uitgestorven diersoorten persoonlijk aan. Het taalgebruik is ouderwets en bijbels, er staat bijvoorbeeld ‘gij hadt geen angst’, ‘gij werdt’, ‘gij kwaamt’ en ‘gij waart’. Rijm wordt subtiel en effectief ingezet om de taal een gezwollen, nostalgisch effect te geven, bijvoorbeeld in het gedicht over de Dusycon Australis, de in 1876 uitgestorven Falkland-wolf of warrah, die om zijn vel geslacht werd:

Gij werdt gekloot om wie gij waart,
gedood om uw vel. Gij doodde nochtans
geen schapen maar groeft enkel met uw tanden
verloren relicten op
en cirkelde vervaarlijk om soortgenoten.

Een ander voorbeeld van de stijl van deze bundel vinden we in het gedicht ‘Hyracotherium’ (een uitgestorven onevenhoevige uit het vroeg-Eoceen):

(…)
immer op hun hoede
voor verderf en gevaar.
Vandaar: uw briljante zintuigen.

Gij, voorloper en visionair, voorbode
van de goden die bereden uw nazaten
(…)

De gedichten kunnen dus gelezen worden als een creatieve representatie van de feiten en er valt voor de liefhebber in te puzzelen (hoe zijn de feiten over de dieren in de aan hen opgedragen gedichten verwerkt?) Tegelijkertijd is het uiting van verontwaardiging en droefenis, die uitmondt in het laatste gedicht, dat een aanklacht is tegen de diersoort waar wij toe behoren: homo sapiens sapiens:

Gij stinkend dier. Gij stinkdier onwaardig,
gij bevuilt uw nest en gaat ten onder
– andere soorten gingen u voor.

Gij denkt dat gij heer en meester zijt
omdat gij rechtop loopt
maar uw brein is te klein voor de goden.
Gij valt steeds weer op de aarde neer
ondanks verwoede pogingen
met vleugels van was of raketmotoren.
Gij tergt uw soortgenoten keer op keer
tot bloedens toe, gij bouwt toren na toren
en wilt altijd de grootste zijn
maar eindigt in een spraakverwarring.
Gij verdooft uw verstand
met de voorhanden zijnde godsdiensten
of drugs.
Er is geen land met u te bezeilen,
gij rooft zielen en vernietigt
de schoonheid.

Gij zult bakzeil halen.
Uw robotten zullen uit elkaar vallen
Uw stranden zullen worden bevolkt door miljoenen kwallen.
Het is uw eigen schuld, dikke bult.

De bundel heeft rustig toegewerkt naar deze beschrijving van onze eigen op handen zijnde extinctie. De mens wordt beschouwd vanuit het perspectief van iemand die uitgestorven diersoorten persoonlijk aanspreekt, als een tijdloze wijze. Wanneer dit indruk op de lezer weet te maken, is deze bundel geslaagd.

Opabinia is een interessante snuisterij voor mensen met een speelse hang naar nostalgie.

Figure 1: Opabinia

____
Frederik Lucien De Laere (2019). Opabinia. Uitgeverij Vrijdag, 48 blz. € 17,50. ISBN 9789460017315

 

 

Mohammed Chacha, Mimoun el Walid, Fadma el Ouariachi en Ahmed Ziani , Vallende tijd

(door Ernst Jan Peters)

En opeens was het afgelopen met de Berberbibliotheek. Met het tiende en laatste deel wil uitgeverij Jurgen Maas nog één keer laten zien wat de kracht is van poëzie in verdrukking. Vallende tijd is een bloemlezing met het beste werk van de vier dichters Mohammed Chacha, Mimoun el Walid, Fadma el Ouariachi en Ahmed Ziani. Allevier komen zij uit het Rifgebergte, het noordelijk deel van Marokko, waar de bewoners zich regelmatig uitspreken tegen de achterstelling door de regering. Ontwikkelingsgeld gaat niet naar het noorden. Er zijn te weinig ziekenhuizen en universiteiten en de wegen zijn slecht. Sinds 1958 is de Rif een militaire zone met veel checkpoints.

De poëzie van de vier Rifdichters staat vol met protest. Mohammed Chacha schrijft in ‘Een moeder beweent haar zoon’: ‘Mijn zoon heeft nooit de grenzen overschreden, / heeft niets gedaan, noch met de vuist noch met de stok. / Als goed en hartelijk staat hij bekend. / Zeg me dan: waarom werd hij opgepakt? / (…)’. Dit is geen mooischrijverij. Dit komt uit het wanhopige hart en spreekt daardoor de mensen aan die met dezelfde gevoelens worstelen.

Dit soort poëzie is hartstochtelijk, gepassioneerd op een manier die wij in onze gedichten zelden op deze manier tegenkomen. De ‘ik’ in het gedicht ‘Dochter van Amsterdam’ van Ahmed Ziani is helemaal ondersteboven van een Hollandse meid. Overstelpt door rivieren van schoonheid, nee kanalen van schoonheid, wordt hij overvallen door emotie: ‘Je wimpers druppelen hartstocht in het hart / van elk op wie jij je blikken richt. / Maar ik ben aan het verdrinken en wacht op je reddende hand!’

Chacha en Ziani overleden allebei in 2016. De andere twee dichters zijn nog in leven en actief aan het schrijven hoewel Mimoun el Walid is uitgeweken naar Brussel. Fadma el Ouariachi is de enige dame in dit gezelschap en het thema van de emancipatie pakt zij daarom op naast de andere bevrijdingsthematiek. Als illustratie een gedicht van El Ouariachi waaruit duidelijk wordt dat een gedicht in deze bundel geen proeve van esthetiek is of een poging de werkelijkheid te doorgronden maar een wapen in een bittere strijd en een middel voor troost.

Mijn gedicht

Dit is mijn koudvuur
dat door mij op paden wordt geschreven
niet weg is te krijgen, geen macht die
het kan blussen

ik zal het uitstrooien over velden
het zal geplant worden door zaaiers
uit het bereik van adelaars
en de raven

Zij is de morgen
die door de kinderen wordt verwacht
als een maan die het feest aankondigt
waardoor ze allemaal opgetogen en opgewonden raken
waar ze tikkertje kunnen spelen in al die velden
en rond hun huizen, en verstoppertje ook, en
wie haar vindt mag haar houden.

als een droom met geen pen te beschrijven
van alle nachten die nog zullen komen, zal
ik haar optekenen, dit bloed stromend uit mijn hart,
ze zal op handen worden gedragen door meisjes
die hennaversieringen op hun handpalmen hebben gemaakt,
als helend water is het, sproei er maar mee,
opdat het wonden kan helen,
overal,
dit gedicht

____
Mohammed Chacha, Mimoun el Walid, Fadma el Ouariachi en Ahmed Ziani (2019). Vallende tijd. Gedichten. Uitgeverij Jurgen Maas, 96 blz. € 17,95. ISBN 9789491921575

 

 

Joost Wasser, Schraal volk

(door Lennert Ras)

Joost Wasser (1958) debuteerde als achttienjarige met de bundel Een geheim in mijn mondholte met zestig gedichten in vrije versvorm. Daarna namen studie, carrière en gezin hem zodanig in beslag, dat hij niet meer schreef. Joost vervulde meerdere functies binnen de rechterlijke macht en werkt als advocaat. Schraal volk is zijn tweede bundel.

Schraal volk, gedichten leest als een verhaal. De ik-persoon ontvlucht de stad, komt op het platteland terecht en belandt in een jacht. De bundel is onderverdeeld in de afdelingen: ‘de stad uit’, ‘onderweg’, ‘de boerenhoeve’, ‘de vlucht’ en ‘de prooi’.

De uitroep ‘schraal volk’ wordt meerdere malen herhaald in de bundel en geeft de indruk dat de verteller het niet zo hoog op heeft met de mensen. De ik-persoon lijkt onthecht te zijn, of depressief. ‘Weg van waar ik me verscholen hield / in stilte – gesloten voor elk ander’ (p. 9). Hij ontvlucht de stad. ‘Het wordt tijd, ik pak mijn tas,’ (p. 11) ‘ik verlaat het huis. // Laat achter wat me nooit heeft omarmd,’ (p. 13) en ziet een fietser, hij ‘ligt stil, zijn been gebroken.’ (p.14) Het lijkt hier of het niet een ander, een fietser, betreft, maar de vertellende ik-persoon zelf.

In de afdeling ‘De vlucht’ is er sprake van ‘De mannen / gisteren nog dronken zingend bij het haardvuur, / vandaag op niets ontziende jacht.’ (p. 43) De vertellende ik-persoon lijkt eerst zelf de prooi te zijn. Toch schrijft hij ‘Ik was niet de prooi, noch de haas, / niet de geur van dood naast leven’ (p. 49). Later, in de afdeling ‘De prooi’ ontleedt hij zelf de prooi: ‘Ik pak mijn mes / snijd het grote lijf aan stukken en prop mijn zakken vol,’ (p. 58) Daarna is er reflectie:

Ik denk terug aan mijn reis,
de stad, de geur van wonen,
mijn vlucht in het woord van jou,
en krab mijn wonden stuk

(p. 61)

Opnieuw is de verteller gewond en op de vlucht in het woord van jou, die hem misschien nooit heeft omarmd. Je vraagt je ook af: geestelijk verwond. Zoals al gezegd, misschien depressief. De bundel laat zich lezen als een schilderij van Pieter Bruegel de Oude, wellicht Jagers in de sneeuw. Alhoewel er in de bundel geen sprake is van sneeuw.

Er klinkt melancholie in Schraal volk door. Misschien een gemis. Misschien dat het leven de verteller toch niet gaf, wat hij ervan hoopte. Na het lezen van de bundel druipt er wellicht een traan uit het oog van de lezer. De bundel is ingetogen en een beetje zangerig en doet ernaar verlangen ook de stad uit te vluchten.
____
Joost Wasser (2019). Schraal volk. Uitgeverij Anderszins, 66 blz. € 15,00. ISBN 9789492994042

 

 

Edgar Allan Poe e.a. , The Raven. Louter duisternis. Darkness there and nothing more

(door Hans Puper)

Ik heb na jaren The Raven van Edgar Allan Poe herlezen en was opnieuw sterk onder de indruk. Wat een prachtig gedicht! Het is het uitgangspunt van de tweetalige bundel ‘The Raven’. Louter Duisternis. Darkness there and nothing more. Vijfendertig dichters lieten zich door dit gedicht inspireren. De bundel past in een serie met dezelfde opzet, achtereenvolgens gewijd aan Slauerhoff, Baudelaire, Rilke en Marsman. Tot mijn genoegen gaat de volgende over Dèr Mouw. Mereie de Jong en Jos van Hest vormden de redactie, de vertalingen zijn van Laura Vroomen, Mereie de Jong (die ook The Raven vertaalde) en anderen.
In zijn boeiende inleiding refereert Gert de Jager aan de poëtica van Poe: Schoonheid is het hoogste doel in de poëzie en ‘komt het best tot uiting in een sfeer van droefgeestigheid. In haar opperste manifestatie beweegt Schoonheid een gevoelige ziel tot tranen.’ Dat lukt een dichter niet als hij zelf geëmotioneerd is. Het scheppen van Schoonheid vergt zowel qua inhoud als vorm ‘koele, rationele beslissingen van een vakman die leiden tot een geslaagd gedicht dat ook nog origineel is; het is (…) in geen geval een kwestie van intuïtie en inspiratie.’ Poe’s invloed is niet te onderschatten: zonder Poe geen Baudelaire zoals wij die kennen, bijvoorbeeld.

Een gedicht schrijven, geïnspireerd door The Raven, ga er maar aan staan. Gevarieerde slotregels van strofen (zoals in het origineel bijvoorbeeld het krassen van ‘Nevermore’) komen regelmatig voor. Het mooie van het origineel is dat de ‘ik’ is geobsedeerd door het onherroepelijke verlies van Lenore en het krassen van de kraai klinkt voor hem als ‘Nevermore’, hij verbeeldt zich dat. Een enkele keer zie je dat terug.
Enkele dichters veranderen van perspectief. Mattie Goedegebuur schrijft vanuit de raaf, Tonny M. Hollanders vanuit Lenoor. De arme ‘Edgar Allan, mister Poe’ komt er bij haar bekaaid af. Hij is een hypocriete burgerman, die iets heeft te verbergen: ‘De geur van parfum en lichaam bracht uw lust naar boven. / Misschien wilt u van dit genieten niet meer horen / en vooral uw schrijven fatsoeneren voor andermans oren?’
Paul Roelofsen laat zijn kamergeleerde waanzinnig worden en die bekoopt dat met de dood. Het is een van de beste gedichten van de bundel. De eerste strofe:

Wie almaar binnenvet wordt langzaam
langzaam gek; doolt rond, treedt in
waar slechts herinneringen leven
aanstonds treft hem het lot er een te zijn

In het gedicht ‘De raaf’ van Anke Labrie zit de ‘ik’ op een bankje bij het beeld van Anne Frank. Er strijkt een raaf neer op Annes hoofd: ‘Die dag geen warmte en ik rilde / bij het zien van ’t zwarte beest / ontsproten aan Edgar Allan’s geest.’ Geen ‘nimmermeer’ bij deze vogel en de dreiging van een herhaling van de Jodenvervolging wordt voelbaar: ‘Terwijl ik opstond, spreidde hij / tegelijkertijd zijn vleugels / het was geen raaf, zag ik toen pas.’

Het niveau van de gedichten varieert nogal. Wellicht zou de bundel aan kracht hebben gewonnen bij een strengere selectie, maar mislukt is hij zeker niet.

____
Edgar Allan Poe e.a. (2019). The Raven. Louter duisternis. Darkness there and nothing more. Stichting Spleen, 230 blz. € 19.00. ISBN 9789082640649

Geplaatst in Recensies.