Ellen Deckwitz – Hogere natuurkunde

Een ontkiemende stilte

door Johan Reijmerink



Thom Hoffman schreef zijn Verborgen geschiedenis (2015), Rémy Limpach zijn wetenschappelijke studie De brandende kampongs van Generaal Spoor (2016) en Alfred Berny De tolk van Java (2017), het zijn enkele aansprekende voorbeelden van boeken waarin onze omstreden geschiedenis met Nederlands-Indië tijdens en na de Tweede Wereldoorlog is beschreven. Wat drijft de naoorlogse generaties om de sporen naar het verleden te volgen? Is er de behoefte aan een schuld te vereffenen of een nieuwe identiteit bloot te leggen? Zelf hebben ze de geschiedenis niet meegemaakt. Dat geldt ook voor Ellen Deckwitz die in haar nieuwe bundel Hogere natuurkunde (2019) de confrontatie aangaat met het levensverhaal van haar grootmoeder. Ze is daarvan als enige op de hoogte. De familie spreekt er onderling niet graag over. De grootmoeder heeft haar moeder als kind niets over de kampervaringen willen vertellen. Deckwitz heeft zich uit de uitlatingen van haar grootouders een beeld van het voormalige Nederlands-Indië gevormd, spreekt met mensen, bezoekt gedenkplaatsen, zoals in Bandung ‘waar nu een easyJet-hotel staat, // hier hurkte mijn kleine mollige overgrootmoeder (1902-1944), / negentien en alleen in een vreemd land toen de vliezen braken’.

De gevolgen van de oorlog in het Verre Oosten werken nog altijd door in duizenden Nederlanders die de mensonterende kampervaringen van hun voorouders met zich meedragen. Het lijkt wel alsof de interesse daarvoor toeneemt nu de allerlaatste overlevenden nog onder ons zijn. Die psychologische overdracht gaat ons verstand te boven. Ze manifesteert zich zonder dat we er enige macht over kunnen uitoefenen. Deckwitz noemt het een hogere natuurkunde die zich aan en in haar voltrekt. In de negende afdeling memoreert ze aan een blokuur natuurkunde op de middelbare school in 1998: ‘iets met decibellen. Soms drong er nog wat door’.  Ze snapte er niet al te veel van, maar wel werd haar duidelijk dat er in Minnesota een dode kamer staat met een geluidssterkte van -9,4 decibel. Het gaat daarbij om de stiltes die zich onder de stilte bevinden. Ze relateert dat aan de oorverdovende stilte die er in haar familie heerst over de oorlog:

ik stam af van de allergrootste dode kamer.
Mijn grootvader absorbeerde talloze verhalen,
ieder geluid dat ze hadden kunnen veroorzaken
werd opgenomen door organen, slijmvlieslagen,
geen vonk ontkwam. Iedereen vond hem een uiterst nette man,

volgens mijn moeder had hij altijd heerlijk warme handen.

Achteraf bleek dat slechts geluid
dat er niet uit kon,
de botten van binnenuit verteerde,

De autopsie na zijn overlijden was een puinhoop:

Al dat lawaai dat er opeens uit kwam:
kasten vielen omver, formaldehyde gutste over de vloer, elektriciteit viel uit,
de patholoog-anatoom had nog wekenlang last van oorsuizen,

Haar moeder legt aan de ik later uit dat er vijf vormen van stilte zijn: saaie, heilzame, agressieve stilte.

De vierde vorm van stilte schemert hierdoorheen,
het is degene die vroeg of laat in iedereen ontkiemt.

‘Aha’ juichte ik. ‘De dood!’

Ze schudde haar hoofd. De dood was de vijfde.’

Deckwitz heeft haar eigen herinneringen aan haar grootouders vermengd met hun frustrerende kampervaringen en heeft ze in vrije verzen opgetekend. De wijze waarop zij haar gedichten heeft geformeerd, doet recht aan de zijdelingse en terloopse wijze waarop de grootmoeder, gekleurd door haar kampervaringen, haar kleindochter van waarschuwingen, raadgevingen en commentaar op de huidige tijd voorziet: ‘(Ieder geluk gaat ten koste van anderen kleintje, / ook jij koopt bij H&M)’. Ze komen in de grootmoeder bij gelegenheid op en worden door de kleindochter soms met tussenruimtes, dan weer links en rechts op de pagina geplaatst, maar vaker tussen haakjes op papier gezet. In deze diverse gescheiden notatie tekent zich de innerlijke dialoog af die de kleindochter voortdurend met haar grootmoeder over heden en verleden voert.

De bundel kent twaalf afdelingen. Hoewel het getal twaalf de volkomenheid symboliseert, manifesteert zich na het overlijden van de grootouders nog altijd de onvolkomenheid in het leven van de kleinkinderen, zoals uit het afsluitend gedicht van de bundel blijkt. Na de opmaat waarin de dood van de grootvader is beschreven, volgen er tien afdelingen waarin vanuit het perspectief van de ik heden en verleden van haar grootmoeder en grootvader, haar moeder en zichzelf worden gevolgd. Haar grootvader grijpt in het eerste gedicht naar zijn borst en roept dat hij wil blijven ademen ‘omdat ze anders hadden gewonnen. […] We vonden je naast het bed, / de bloedvaten compleet verkalkt.’ De Jappen zitten hem nog altijd in het lijf. De kramp, de angst, het verzet in het kamp tegen de ondergang is in hem gebleven.

De eerste vier afdelingen staan in het teken van het verleden waarin ‘alles nog goed was’, maar ook van de zoektocht in het huidige Indonesië naar sporen uit het verleden. De ik verkent op de foto’s het meisje met ‘enorme strik in het haar’, haar grootmoeder uit 1927. De ik ziet beelden uit haar eigen kindertijd voorbijschieten. Heden en verleden lopen dooreen. Toeristen vertellen waarom ze in Indonesië zijn. Er gaat een lokroep van het verleden uit: de kruiden, de voorvader, de sporen van ‘mensen van wie we koosnamen niet kennen’. De ik karakteriseert haar grootmoeder (1921-2014) als een vrouw van staal: ‘borstkas van titanium’. Sterk, trots, muzikaal, niet kapot te krijgen, ‘ook al ging je erop zitten’. Soms hijgde ze van al dat overleven, ‘siste dat ze er ook nooit om had gevraagd’. Ze beschouwde voortplanten als iets onmenselijks. We krijgen een beeld van een vrouw die doodmoe van het leven is. Soms vindt ze mensen ongevaarlijk, ‘zolang ze geen honger hebben.’ Er is bij haar altijd die ondertoon van ironie tot cynisme. Ze is in het kamp zo op afstand gezet van wat menswaardig is dat het haar moeite kostte nog in mensen te geloven. Al die frivole advertentiefolders van nu maakten haar grootmoeder wantrouwend: ‘(Draag altijd een broek, / dan komen ze minder snel / tussen je benen.)’. In Indonesië gaat de ik op zoek naar sporen uit het verleden. Tussendoor flitsen de raadgevingen van grootmoeder die haar wijst op haar blanke huid: ‘(Die tint is een ticket! Een getuigschrift, / dat je binnenkant deugt, / net als bij een banaan!)’

In de vijfde afdeling staat de moeder (1952) centraal: ‘Trommelvliezen van beton, / schouders vol knopen / rug gekromd als een vraagteken, / van het raden naar wat je wordt bespaard / door er niet met je over te praten.’ Uit deze beeldvorming licht een moeder op die lijdt, en zoals even later blijkt, haar echtgenoot eveneens. Het kost haar moeite te bestaan, hoewel hier vrede is. Haar kinderen lijden ook onder de psychische problemen die mede zijn ontstaan door de onuitgesproken kampervaringen van de grootmoeder. Dat vertaalt zich bij hen in agressie, omdat ze er niets van weten en begrijpen. We flitsen weer terug naar Bandung, de plek waar de ik op doorreis aankomt. Het is de plek waar haar overgrootmoeder haar grootmoeder ter wereld brengt. Deze vrouw wist niets van haar lichaam. Er kwam geen dokter maar een kruidenvrouw in ‘een nu uitgeroeide taal’ aan te pas. Een onzalige bevalling vond plaats: ‘Mijn overgrootmoeder telde / teentjes en besloot alles snel te vergeten.’

‘Ik’ (1982) verschijnt in de zevende afdeling zelf ten tonele: ‘In den beginne waren er genen / die in mij galmden.’ Onontkoombaar voelt ze zich verbonden met het voorgeslacht. Grootmoeder speelt in haar jeugd een stuk van Liszt foutloos uit haar hoofd. Het lijkt er nu ‘gewoon uit geslagen’.  Ze lacht ‘steeds harder om het opeten van Liszt’. De muziek klinkt nog in de ik na: ‘Ik denk dat dat de echo van genen is.’ In 1997 ervaart de ik dat het bij wijze van grap een Indiase klasgenote voor dik uitmaken, terwijl de klasgenoten menen dat ze zwart verstaan, onder groepsdruk kan leiden tot een racistische hetze. De spanningen die familiair zijn opgestapeld, uiten zich in het leven van de ik. Het zorgt ervoor dat ze niet in staat is bij een ander te blijven: ‘laat dat mijn vrijheid zijn: / zelf te bepalen hoe ik / word aangetast’. Grootmoeder blijft op de achtergrond in haar bewustzijn meeregeren: ‘(Dit is een wereld voor wespen kleintje, niet voor bijen.)’.

We bevinden ons in de voorlaatste afdeling op de Dam, Dodenherdenking 4 mei 2025. De utopische vraag is of de aanwezigen hetzebestendig zullen zijn. Of we ooit nog een keer in zo’n barbarij als toentertijd zullen ondergaan, is de onderliggende vraag. Kunnen we die twee minuten stilte waarin alle vroegere gruwelen opklinken nog wel doorstaan? Is vaderlandsliefde een infectieziekte? Een denkbeeldige schreeuwer doet paniek op de Dam ontstaan, ook bij de ik. Op deze historische plek breken alle gebroken levens in de herinnering door de stilte heen. De achterkleinkinderen zijn de oorlog ontwend, maar de angst en de vrees ervoor is gebleven.

Deze gedichten dragen het karakter van een flardenbewustzijn. De gedichten zijn per afdeling sprongsgewijs verhalend en doorlopend verbonden. Dat geeft ze een verrassend effect, pulsering en dynamiek. Ze vragen om voordracht, zoals we die van Deckwitz kennen. Ze heeft in deze bundel de ontkiemende stilte in al haar gelaagdheid aansprekend tot leven weten te wekken. Deze hogere natuurkunde heeft ze heel sterk doorleefd in woorden gevat.

____

Ellen Deckwitz (2019). Hogere natuurkunde. Uitgeverij Pluim, 80 blz. ISBN 9789492928054. €21,99

Geplaatst in Recensies.