Menno Wigman – Verzamelde gedichten

Het verlangen naar eenheid

door Johan Reijmerink

Dorothee Sölle wijst in haar boek Mystiek en verzet (1998) erop dat ‘ons menselijke levensgevoel dat alles in zich opneemt, het ganse licht en de ganse muziek, alle dwaasheden van het denken en alle varianten van de pijn, de volheid van het geheugen en de volheid van de verwachting, (…) slechts voor één ding toegesloten [is]: de eenheid.’ Deze passage lichtte bij mij op toen ik de Verzamelde gedichten (2019) van Menno Wigman (1966-2018) doorlas. Ik lees in zijn poëzie een niet aflatend verlangen naar die allesomvattende eenheid. De omslag waarop Wigman naar een foto kijkt waarop hij zelf is afgebeeld, illustreert dit. Hieruit spreekt een distantie tot zichzelf en tevens een verlangen met zichzelf samen te vallen. Hij kampt met een gevoel van vervreemding en weerzin tegen de menselijke conditie, omdat ze is zoals ze is.

Neeltje Maria Min en Rob Schouten hebben de verzamelbundel samengesteld. Schouten leidt de verzamelbundel in. Naast de vijf bundels zijn er ook nagelaten gedichten in opgenomen die deels goed, deels nog niet goed bevonden waren door Wigman voor publicatie. Schouten opent zijn inleiding met het jeugdgedicht ‘Agonie’ dat het centrale levensgevoel van Wigmans poëzie raakt: vergankelijkheid die zal leiden tot verval en dood. Er klinkt een neerdrukkende vergeefsheid op in dat vers.

In zijn eerste bundel ’s Zomers stinken alle steden (1997) lijdt de ik ongeneeslijk aan het leven en registreert dit met een nietsontziende blik. Ondertussen leidt hij een teruggetrokken bestaan. En toch wil hij zich telkens weer vergrijpen ‘aan een nieuwe levensgloed.’ Lamzalige verdoofde nachten met zijn Laura wier geuren hem zwanger maken, moeten hem enig soelaas bieden: ‘ik ben haar hond, ik kwispel als / zij komt.’ Maar o zo vaak weet hij zich ook ‘in de warme lakens van vergeten / liefdes’ gedreven.’ Als een betrokken buitenstaander dompelt hij zich onder in zijn ingebeelde seksualiteit. Daarnaast ziet de ik dat er van de hemelbestormers in ‘Jeunesse dorée’ in terugblik niet veel is terechtgekomen. Hun ‘dromen tussen boekomslagen en ontwaken’, hun ‘nieuwe dronkenschap’ van woorden en beelden die de wereld op haar heilloze weg zouden kunnen doen omkeren, zijn op niets uitgelopen: ‘Aan geen belofte werd voldaan.’ We leefden onze tijd aan stukken:

De lusten, niet de lasten en de wereld
een matras. En tussen alle kussen door
een stil besef dat dit het was: het zwelgen,
nu en hier, de wijsheid van het dier…

Deze narcisten zijn enkel en alleen met hun eigen lusten en lasten begaan. ‘Vervreemd is alles wat ik zie’, zegt de ik Vasalis na. Uit dit alles blijkt dat de ik ermee worstelt het leven op waarde te schatten, maar hij kent wel

de waarde van de dood,
niet de prijs ,- het gewicht
van een woord, niet dat alles
met de vlakte als ook dit,
mijn haren, mijn nagels, mijn ik.

En altijd maar wonen er hoeren in zijn hoofd. Op zijn denkbeeldige reis begeeft hij zich in de nachttrein die leven heet op weg naar het geluk dat geen adres heeft en waarvoor het eigenlijk niet meer nodig is dat het gedicht geschreven wordt.

In de tweede bundel Zwart als kaviaar (2001) bekommert de ik zich om de betekenis en werking van de poëzie. Poëzie is geen vorm van ‘naastenliefde’, en geen ‘heelkunst’. Hij geringschat zijn eigen hoopje drukwerk. Het is hem een kwelling. Zijn levensloop overziend dringen de ‘feesten, stemmen, angsten, rook’ zich aan hem op, maar ook is daar even ‘heel ijl’ het ‘geluk’. Maar …, oh zo gemakkelijk ontstaat er weer een binnenbrand en een open wond. Wigman lijdt aan dit bodemloze bestaan. Het gevoel geleefd te worden overvalt de ik geregeld. Een sluimerend gevoel van paniek geeft hem zo nu en dan het gevoel een ‘Tristan’ te zijn die geen dromer is, maar ‘een held die in zichzelf verdwijnt.’ Mala sombra.

November. Roken en de dag doorkomen,
niemand die je mist. Het jaar wordt oud
en ruikt naar doorgeroest verdriet.

Wigman weet zich geïnspireerd door Europese locaties met een literaire connotatie. Hij lijdt als de jonge Werther. Het donker boezemt hem vrees in, evenals de afgrond die naakt. Dan helpt dromen in het Kaufhaus des Westens ook niet echt. Zelfs de unio mystica van ‘de groene vlammen aan de hemel’ na een kroegentocht in Heidelberg werpt enkel een vals schijnsel op zijn werkelijkheid. De dodenstad Venetië is zijn geliefd decor. Het blijft voortdurend zaak alle wanhoop van zich af te slaan. De mystieke ervaring is onder deze omstandigheden de verlorenheid die de ik overkomt zonder het ervaren van de allesomvattende eenheidsbeleving van geluk. Niets lijkt hem nog genoegdoening te kunnen schenken.

‘Vanochtend werd ik wakker in een droom / van iemand die een huid van vlees bewoont.’ Met deze versregel begint het openingsgedicht van de derde bundel Dit is mijn dag (2004). Hij droomt van een spiegel die naar ‘verwonderd licht’ lonkt waar een vlinder uitbreekt: ‘En dat ben ik.’ Het diepzinnige besef een lichaam te bezitten en daar als het ware even aan te ontsnappen, roept angst bij hem op. Ondanks dat gelukzalige uitbreken blijven de verliefdheden in zijn geest verschijnen. Hoe hij ingenieus de klassieke Dido en Lesbia weet te verbinden aan zijn gymnasiale verliefdheden in het Amsterdamse, getuigt van zijn lenig dichterschap. Maar het overheersende gevoel blijft: ‘Het was of ik nooit nodig was geweest.’ Het laatste huis van Keats en zijn graf in Rome ontroeren hem vanwege de tbc en de ‘schoonheidsdrift’ die met deze dichter verbonden zijn. Hier spreekt een ik die zich verbonden voelt met de dood: ‘Zo stond ik daar.’ Het pijnloze uur blijft hij zoeken in de verdoving: ‘Een goede hijs en Holland is van mij.’ Wigman is zeer goed in staat een alledaagse ervaring een geestvolle dimensie mee te geven. Spleen. Voortdurend is de ik op zoek naar wie hij is, wie hem bestuurt, waartoe het alles leidt. Dat Wigman zich diepgaand kon identificeren met anoniem gestorven mensen laat zich begrijpen. Hij was zelf een grensganger en kende de sluipwegen naar het grensgebied van leven, dromen, slapen en sterven.

Het ‘heupwerk’ blijft hem door het hoofd flitsen in de vierde bundel Mijn naam is legioen (2012). De triomf van de escapades lijkt echter niet meer de weg te zijn naar geluk. In het internettijdperk lijkt het boek te verdwijnen. Dat doet hem zeer, maar de ik blijft bij zijn adagium: ‘we lezen om te leren hoe te leven.’ In spiegelende winkelruiten vertekent zijn beeld. Beeld en werkelijkheid stemmen nog altijd niet overeen, maar: ‘Ik las / dat in het Paradijs geen spiegels waren.’ De confrontatie met de dood doet zich in de paskamer van de H&M voor: ‘Toen zag ze in een flits van duisternis / alle eeuwen dat zij niet geboren was’. Jeugdherinneringen gaan door zijn hoofd. Ondertussen weet de ik dat ‘iedereen zijn eigen hel’ heeft. Dat Wigman zich vertrouwd voelt bij het werk van de poète maudit Arthur Rimbaud zal niemand verbazen. In ‘Oud-West’ huist

een zure godheid,

er huist een gure godheid in mijn wijk
voor wie het bitter knielen is en ik,
ik troon op mijn balkon en denk: de zon

Die andere zonaanbidder, Nescio, kijkt in dat vers met ons mee. De ik vraagt zich af: ‘wat zou ik bidden als het licht // straks stil en ongestraft de dag dichtschroeft?’ Hier schemert de unio mystica tussen de wolken door. Het hemelse verlangen blijft zich aan de ik opdringen: ‘De hemel, het schaamdeel, het graf: niet nu, / nu even niet.’ ‘Zijn recht op seks. Op scherpe meiden’ blijft hem kwellen. In ‘Promesse de bonheur’ glanst even de aardse schoonheid van het geluk: ‘En alles wat ik van een lichaam heb verlangd / staat voor mijn ogen naakt te zijn, // naakt en van mij.’

Aan de laatste bundel Slordig met geluk (2016) gaat een motto van de mystica Theresia van Avila vooraf. Met deze aanzet blijft Wigman verlangen naar de bovenmenselijke eenheid van het geluk. Nu er niets meer gaat, ‘Rien ne va plus’, blijft de poëzie als levensweg van hartstocht en weerzin tegelijk: ‘Had je maar nooit een gedicht gezien.’ Deze pelgrim ligt zonder kompas nog altijd niet op koers. De ‘Vliegtuiggedachten’ brengen hem terug bij de dood van zijn vader en bij zijn eigen naderende dood, maar hij wil niet langer ‘woorden voor vergaan’ zoeken. Een terugblik op zijn jonge schrijverschap herinnert aan momenten dat de dood ‘aan zijn autodeur stond te rukken’. De worsteling met de dood blijft zijn aandacht opeisen: ‘Ik zie een lichaam in de kamer staan. / Sterk is het, tanig, stoer en jong – / sprekend mijn lichaam toen het alles kon.’ Nachtmerries staan in hem op: ‘Hoe kom ik uit dit lichaam weg?’ De dood blijft lonken. Innerlijke gespletenheid beheerst zijn gedachten en dromen. In de narcistische stad Amsterdam waant hij zich gelukkig: ‘en Amsterdam lag open als een vrouw.’ Hij is er slordig met geluk. Op het eind schuift de zon voor de zon: ‘Het is een dag / van koffie, kamerjassen en geluk / om niks.’

De poëzie van Wigman vertegenwoordigt het verweesde levensgevoel van deze tijd. Hij weet zijn onvervuldheid en leegte ingenieus uit te drukken, waarin gelaagdheid niet ontbreekt. Alliteratie, binnenrijm en doordacht gebruik van enjambement zorgen voor samenhang in deze muzikaal-ritmische verzen, in traditionele strofen gevat. Dood, waanzin, eenzaamheid en fatale liefdes vormen de thematische elementen in zijn zoektocht naar eenheid van allesomvattend geluk. Zijn toenemend zelfinzicht in wie hij was en wat hij als dichter wilde zijn, heeft deze zwart romantisch-decadente poëzie van meet af aan sterk gekleurd. In deze poëzie schuilt voor mij een tomeloos verlangen naar een leven waarin de onvervuldheid opgelost wordt in een innerlijke vrede, een eenheidsbeleving: het ‘geluk om niks’!

____

Menno Wigman (2019). Verzamelde gedichten. Uitgeverij Prometheus, 336 blz. €29,99 ISBN 9789044641936.

 

 

Geplaatst in Recensies.